Maandelijkse archieven: november 2021

Cao’s, (piep)kleine vakbonden en discussies in de PvdA

Cao’s, (piep)kleine vakbonden en discussies in de PvdA

Harry Vogels
Harry Vogels

Column door Harry Vogels, cao-expert


Woord vooraf
Deze column werd geschreven voordat er donderdag jl. een cao-akkoord werd gesloten tussen uitzendbranche-organisatie NBBU en de vakbonden FNV, CNV en De Unie, zonder de vakbond LBV (zie link).

Dat is opmerkelijk nieuws. De NBBU sluit namelijk al meer dan 25 jaar cao’s af met de kleine vakbond LBV. In 2008 werd vakbond De Unie eveneens betrokken bij de NBBU-cao (zie link) en 10 jaar later sloten ook de vakbonden FNV en CNV aan bij dit overleg. Sinds afgelopen week is de LBV buiten de deur gehouden. De LBV is nog wel betrokken bij de uitzend-cao-fondsen SFU en StiPP.


In oktober las ik dat de nieuwe algemeen secretaris van de FNV, Bart Plaatje intern onderzoek wil doen naar de cao-fondsen, in het kader van een uitgebreide publicatie in het Financieele Dagblad in oktober jl. over de financiering van de vakbonden in Nederland.

Goed nieuws, want hieruit zal volgens mij zeker blijken, dat zonder geld van de werkgevers, de FNV in de huidige vorm niet kan bestaan. En ook zal dan blijken dat de FNV in de afgelopen jaren altijd goed heeft samengewerkt met kleine vakbonden. Zoals met de (piep)kleine vakbond LBV in de uitzendbranche bij de NBBU-cao en de ABU-cao en met de vakbond Werknemersvereniging Ikea Werknemers bij de Ikea-cao.

De PvdA denkt hier echter heel anders over. Volgens de PvdA is de vakbond bij Ikea een gele vakbond, die wordt gefinancierd door Ikea. En de kleine vakbonden LBV en AVV worden door de PvdA weggezet als vakbonden, die volledig door werkgevers worden betaald.

Door al dit gerumoer binnen de PvdA mag Mei Li Vos geen voorzitter en geen bestuurslid meer zijn van de vakbond AVV waar zij van het begin bij was betrokken. De vakbond AVV gaat nu verder zonder Mei Li Vos. Zij heeft samen met Martin Pikaart in 2005 knap werk verricht om de vakbond AVV (Alternatief voor Vakbond) op te richten; deze kleine vakbond doet zestien jaar later volgens mij nog steeds goed werk op cao-terrein.

Wat ging hier allemaal aan vooraf?
Cao’s, hoe en door wie ze worden gesloten, hoe dit stelsel wordt gefinancierd, het is allemaal onderdeel van politiek. Dat is al zo sinds de Wet op de Collectieve Arbeidsovereenkomsten in 1927 (zie de informatie over cao’s en wetgeving, op een rij gezet onder deze column).

Hoe heftig politieke discussies de verhoudingen ook in cao-land kunnen domineren en vernieuwingen in de weg staan, ontdekte ik afgelopen jaar weer toen ik op de site van de PvdA zeer felle discussies las tussen PvdA-leden, over de vakbond AVV en haar voorzitter Mei Li Vos. Discussies die werden gevoerd in de aanloop naar de PvdA-voorzittersverkiezing oktober 2021.

Een van de PvdA-leden vraagt aan kandidaat-voorzitter Gerard Bosman op de PvdA-site het volgende:
‘Geachte kandidaat voorzitter PvdA,
in verband met het uitbrengen van mijn stem bij de komende verkiezing heb ik één brandende vraag in twee delen. Hebt u een opvatting over het gedrag van Mw. Vos fractievoorzitter van onze partij in de eerste kamer en haar activiteiten i.v.m. AVV? (Alternatief Voor Vakbond). Mocht u voorzitter worden welke stappen gaat u dan zetten in verband met deze zeurende kwestie.’

Kandidaat-voorzitter Gerard Bosman schrijft dan terug:
‘Beste Hans,
sterker nog, ik heb de nodige stappen gezet! Ik vond en vind de AVV een ‘gele’ nepvakbond, die gesubsidieerd door werkgevers de belangen en goede cao’s van werknemers ondermijnt, juist vaak in sectoren met lage inkomens, veel flexcontracten en lage organisatiegraad. Ik ben op verzoek van partijgenoten die ook als FNV-bestuurder betrokken zijn geweest bij overleg met onze partijleiding en Mei Li Vos om duidelijk te maken dat haar bezoldigd bestuurslidmaatschap van AVV de positie van de PvdA schaadt en dat zij geen senator kan zijn voor onze PvdA als zij bestuurslid blijft… De motie werd aangenomen en Mei Li Vos liet weten af te zullen treden als plv. voorzitter bij het AVV. Mede door mijn inbreng is er ook in ons recente verkiezingsprogramma een passage opgenomen om gele nepvakbonden te bestrijden.’

Daarna gaat deze felle discussie nog even verder, waarop Mei Li Vos besloot ook haar bestuursfunctie bij vakbond AVV op te geven. Ook kandidaat-voorzitter Esther-Mirjam Sent mengt zich in deze discussie en beantwoordt PvdA-lid Hans met de woorden:
‘Dank voor uw bericht. In antwoord op uw eerste vraag, staat het volgende in het verkiezingsprogramma dat onder mijn hoede is geschreven: Om de positie van onafhankelijke vakbonden te versterken verbieden we dat werkgevers afspraken kunnen maken met ondernemingsraden of zogenaamde gele vakbonden als er een onafhankelijke vakbond in het bedrijf of in de sector actief is.’

Deze tekst wordt in de paragraaf over de ‘versterking van de vakbonden’ opgenomen in het verkiezingsprogramma van de Partij van de Arbeid 2021-2025.

Ik schrik daar wel van. Er wordt namelijk al twintig jaar onderzoek gedaan en veel gepubliceerd over de financiering van de gevestigde vakbonden. Toch is de PvdA nog steeds van mening dat vakbonden financieel onafhankelijk van werkgevers kunnen opereren. Blijkbaar heeft de PvdA de volgende onderzoeken en publicaties gemist. Een overzicht:

Journalist Alex de Vries trapt af en schrijft in 2003 in De Telegraaf over ca. € 100 miljoen onterechte betalingen door werkgevers en werknemers aan cao-fondsen, die niet algemeen verbindend zijn verklaard. In november 2003 publiceert journalist Syp Wynia een artikel in Elsevier over de schimmige geldmachine van de vakbonden en ook Gijs Herderscheê van de Volkskrant komt in 2003 tot de conclusie dat het bankieren door vakbonden met vele tientallen miljoenen euro’s van werkgevers het stelsel van cao’s bedreigt.

Nu, bijna twintig jaar later, is er nog niets veranderd in cao-land, zo blijkt niet alleen op de site van de PvdA, maar ook in een artikel van de journalisten Marieke Rotman en Emiel Wouterson in de Groene Amsterdammer van maart 2020. Ook zij schrijven dat alle vakbonden voor een groot deel afhankelijk zijn van werkgeversbijdragen: ‘De FNV, het CNV en de Unie praten er niet graag over, maar ontvangen miljoenen euro’s per jaar van werkgevers.’

Ruim een jaar later – op 1 juni 2021 – komt de NOS met een bericht naar buiten over een piepkleine vakbond LBV. Vakbond FNV haalt alles uit de kast om een nieuw cao-akkoord voor uitzendkrachten tegen te houden. De Vakbond LBV heeft als enige nieuwe afspraken gemaakt met werkgevers over een nieuwe arbeidsovereenkomst voor 200.000 uitzendkrachten. De grote vakbonden hebben minister Koolmees van Sociale Zaken gevraagd het akkoord nietig te verklaren. Vakbond FNV is not amused dat de LBV wel afspraken heeft gemaakt. ‘Ze hebben weinig leden, staan erom bekend dat je makkelijk een cao met ze kunt afsluiten en ze verdienen een groot deel van hun geld met het afsluiten van cao’s’, zegt FNV-bestuurder Karen Heynsdijk. ‘Dat maakt dit geen onafhankelijke vakbond.’

Ondertussen ontving vakbond FNV in 2019 bijna €60 miljoen via de sociale fondsen van werkgevers. (Zie Jaarverslag FNV 2019, pag. 18). De minister keurde de ABU-cao, gesloten met vakbond LBV, gewoon goed.

Journalisten Rob de Lange en Rik Winkel van het Financieele Dagblad doen in 2021 uitgebreid onderzoek in de schimmige cao-fondsen en concluderen dat alle vakbonden steeds meer afhankelijk zijn van werkgevers. In dit artikel in het FD van 12 oktober 2021 komt dan ook eindelijk iemand van vakbond FNV tot het inzicht, dat het systeem van werkgeversbijdragen anders moet. Bart Plaatje, sinds dit jaar FNV-secretaris, zegt daar: ‘Ik heb een lijst opgevraagd om te weten hoeveel fondsen er zijn en of het wel een gezonde situatie is.’

Lees ook
Cao-fondsen en het politieke spel bij het private WW-fonds

Kan iedereen zomaar een vakbond oprichten en cao’s afsluiten?
Nee, er zijn wettelijke regels voor. Hieronder een overzicht:

Cao’s en wetgeving (bron Stichting van de Arbeid)
De Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst kwam in 1927 tot stand (Wet CAO). Deze wet definieert onder meer wat een cao is, namelijk “een overeenkomst, aangegaan door een of meer werkgevers of een of meer verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid van werkgevers en een of meer verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid van arbeiders, waarbij voornamelijk of uitsluitend worden geregeld arbeidsvoorwaarden, bij arbeidsovereenkomsten in acht te nemen” (artikel 1 Wet CAO). Uit deze definitie blijkt dat een cao kan worden afgesloten door een of meer werkgevers of werkgeversorganisaties en een of meer vakorganisaties. Aan vakorganisaties wordt de eis gesteld dat zij op grond van hun statuten over de bevoegdheid moeten beschikken om cao’s af te sluiten. Ook dienen zij onafhankelijk van anderen te kunnen functioneren.

In eerste instantie geldt de cao alleen voor díe werkgevers en werknemers die lid zijn van de organisaties die deze hebben afgesloten. Een cao treedt pas in werking als deze bij de Inspectie SZW van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ter registratie is aangeboden. Deze stuurt na ontvangst van de cao een ontvangstbevestiging waarmee deze rechtsgeldigheid formeel is geregeld.

Overigens is de werkgever die betrokken is bij de cao verplicht de arbeidsvoorwaarden van die cao ook toe te passen op werknemers in zijn onderneming die geen lid zijn van de betrokken vakorganisatie(s) (artikel 14 Wet CAO). Dit geldt voor rechtstreekse betrokkenheid bij een ondernemingscao dan wel via het lidmaatschap van een werkgeversorganisatie bij een bedrijfstakcao.

In 1937 is de Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van cao’s tot stand gekomen. De wet geeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de bevoegdheid om op verzoek van een of meer van de cao-partijen die voor een bedrijfstak een cao hebben afgesloten, de cao-bepalingen die daarvoor in aanmerking komen, ook dwingend van toepassing te verklaren op werknemers (en werkgevers) in die bedrijfstak die niet betrokken waren bij de totstandkoming van die cao.

Regelgeving in het kader van deze wet is onder andere te vinden in het toetsingskader AVV.
(https://wetten.overheid.nl/BWBR0028909/2019-07-12 )
Ten slotte moet ook de Wet op de loonvorming worden vermeld. Deze kwam in 1970 tot stand. Met deze wet wilde de overheid (ondanks het uitgangspunt van vrije loonvorming) niettemin over een mogelijkheid beschikken om in noodsituaties in te kunnen grijpen in de loonontwikkeling. De wet is in de jaren zeventig regelmatig toegepast. Pas in 1987 is de wet zodanig gewijzigd dat ingrijpen alleen nog maar mogelijk is in zeer uitzonderlijke situaties. Sindsdien is de wet niet meer toegepast.

Naast de Wet CAO, de Wet avv en de Wet op de loonvorming zijn er ook internationale verdragen in het kader van de International Labour Organisation die betrekking hebben op collectieve onderhandelingen tussen werkgevers en werknemers. Met name de ILO-Conventies nr. 87 en 98 zijn van belang.

Conventie nr. 87 heeft betrekking op het vrij kunnen oprichten en lid worden van organisaties van werkgevers en van werknemers. Conventie nr. 98 biedt werknemers bescherming tegen vakbondsdiscriminatie en verplicht de overheid om het recht op vrijheid van organisatie en onderhandeling te handhaven en om vrijwillige onderhandelingen over de regeling van arbeidsvoorwaarden onder meer via cao’s te bevorderen. In dit verband kan tevens nog worden gewezen op ILO-Conventie nr. 154, gericht op het bevorderen van collectieve onderhandelingen.

Deze verdragen zijn door de Nederlandse regering geratificeerd en hebben daarmee ook rechtskracht gekregen.

Nieuws in context van uitzend-cao’s en SER-akkoord hervorming arbeidsmarkt
25 november 2021 – Vakbonden sluiten ook akkoord met NBBU over CAO voor Uitzendkrachten
17 november 2021 – Vakbonden en ABU bereiken akkoord over nieuwe CAO voor Uitzendkrachten
1 juli 2021 – FNV wil marktconform pensioen uitzendkrachten vanaf dag één
28 juni 2021 – FNV rapport: uitzendkrachten zitten vast in de draaideur
16 juni 2021 – FNV-Ledenparlement stemt in met SER-advies arbeidsmarkt
28 mei 2021 – Vakbonden willen nietigverklaring cao-akkoord LBV met uitzendkoepels
31-10-2019 – CNV Vakmensen: Langdurig uitzendwerk leidt tot loonkloof
19 juni 2019 – Cao’s ABU en NBBU geharmoniseerd

Geplaatst in Branchenieuws | Tags , , , , | Reacties uitgeschakeld voor Cao’s, (piep)kleine vakbonden en discussies in de PvdA

Vakbonden sluiten ook akkoord met NBBU over CAO voor Uitzendkrachten

Nadat vorige week de vakbonden FNV, CNV Vakmensen en De Unie een akkoord bereikten met uitzendkoepel ABU over een nieuwe cao voor uitzendkrachten, is dat nu ook met de andere grote koepelorganisatie, de NBBU, gelukt.

NBBU, FNV, CNV, De Unie
Op 1 januari 2022 treedt de cao in werking.

Hierdoor ligt er na ruim een jaar van onderhandelingen een akkoord met beide brancheorganisaties.

Bekijk details in het onderhandelingsresultaat: NBBU CAO voor Uitzendkrachten 2022-2023

Er zijn afspraken gemaakt over meer werkzekerheid en een betere pensioenopbouw voor alle 850.000 uitzendkrachten in Nederland. Ook wordt de loonkloof tussen tijdelijk en vast personeel verkleind.

Met het akkoord is een situatie gecreëerd waarin de belangen van uitzendkrachten en die van NBBU-leden het beste behartigd worden, zo meldt Marco Bastian, directeur van de NBBU. Met het grootste deel van de verbeteringen voor uitzendkrachten in de nieuwe cao stemde de NBBU eerder dit jaar al in. Nu is ook de stem van het mkb verzekerd van een positie aan tafel voor de verdere uitwerking van het SER-MLT-advies.

Flinke verbeteringen in contractzekerheid en arbeidsvoorwaarden
De NBBU richtte zich in de onderhandelingen van meet af aan op perspectief en werkzekerheid voor uitzendkrachten. Dit alles wel met voldoende oog voor een zorgvuldige en geleidelijke invoering en goede uitvoerbaarheid. In de nieuwe cao wordt de meest flexibele fase, fase 1-2, verkort tot 52 weken. De totale duur van flexibele contracten gaat naar 4 jaar. Daarnaast wordt de pensioenregeling van uitzendkrachten aanzienlijk verbeterd en wordt de inlenersbeloning verder uitgebreid.

De komende periode werken cao-partijen het SER MLT-advies verder uit. Ze streven ernaar om in 2022 verdere cao-afspraken te maken over de jaren 2023 en verder. Het is de bedoeling dat de SER-adviezen daarin volledig zijn uitgewerkt en worden geïmplementeerd in een breed gedragen akkoord.

De overeengekomen afspraken worden nu eerst voorgelegd aan de leden van de NBBU. In december krijgen zij de gelegenheid over het voorstel te stemmen.

Cao voor alle uitzendkrachten
Doordat er nu gelijke afspraken liggen tussen de bonden en de beide koepels, is er net als de vorige keer sprake van een gelijke cao voor alle uitzendkrachten. Bestuurder Karin Heynsdijk van FNV Flex zegt erover: “Het is allemaal zeker niet vanzelf gegaan, maar dat we er nu ook met de NBBU uit zijn gekomen, is een belangrijk signaal. Er ligt een akkoord met een breed draagvlak en dat zorgt voor duidelijkheid voor alle uitzendkrachten. En het geeft ons de positie om gezamenlijk de arbeidsvoorwaarden voor uitzendkrachten verder te verbeteren.”

Verschil in beloning kleiner
Eén van de afspraken is dat het verschil in beloning voor mensen met een vast dienstverband en uitzendkrachten wordt verkleind. Bestuurder Marten Jukema van CNV Vakmensen: “Dit is een eerste, belangrijke stap richting de gezamenlijke invulling van het SER-advies ‘Zekerheid voor mensen, een wendbare economie en herstel van de samenleving’. We hebben afgesproken om tijdens de volgende meerjarige cao datgene te doen wat nodig is om het verschil tussen tijdelijk en vast werk helemaal te overbruggen.”

Ruimte gevonden
Het is bijzonder dat alle partijen nu tot een overeenkomst zijn gekomen. In mei van dit jaar stonden de bonden en koepels nog lijnrecht tegenover elkaar. De afgelopen maanden, nadat de onderhandelingen waren hervat, is er toch ruimte gevonden om tot elkaar te komen. Heynsdijk: “We hebben uiteindelijk ook een gezamenlijk belang om er uit te komen. Uitzendkrachten vormen een zeer belangrijke groep arbeidskrachten in Nederland. Zonder hen zou de economie in elkaar storten. Maar hun arbeidspositie moet echt beter. Daar hebben we nu gelukkig een stap in kunnen zetten.”

Alle partners leggen de komende maand het onderhandelingsresultaat voor aan hun leden.

Bron: NBBU, FNV, CNV Vakmensen en De Unie, 26 november 2021

Lees ook
2 december 2021: Marco Bastian: ‘Akkoord CAO NBBU maakt gezamenlijke uitwerking SER-akkoord mogelijk’
17 november 2021: Vakbonden en ABU bereiken akkoord over nieuwe CAO voor Uitzendkrachten

Geplaatst in Wetten & CAO’s | Tags , , , , , | Reacties uitgeschakeld voor Vakbonden sluiten ook akkoord met NBBU over CAO voor Uitzendkrachten

Verslag NBBU-congres Arbeidsmarkt van Morgen 2021

Op 12 november 2021 organiseerde de NBBU een nieuw congres in het kader van de Arbeidsmarkt van Morgen. Wat de NBBU betreft is het noodzakelijk het ‘morgen’ van de arbeidsmarkt te verruimen naar mogelijke vragen die overmorgen betreffen.

Informatie en data zijn van steeds grotere invloed op de economie en de huidige economische modellen. Zijn die modellen en uitgangspunten aan vervanging toe? Onder leiding van dagvoorzitter Welmoed Sijtsma gaven diverse sprekers hun visie. Aan het woord kwamen onder andere:

  • Bas Heijne, essayist en auteur van het boek Leugen & Waarheid
  • Jacco Vonhof, voorzitter MKB Nederland
  • Elly Ploumen, Group HR Director Achmea
  • Tim Roskam, Hoofd Personeel en Ontwikkeling Politie
  • Sjanne Marie van den Groenendaal, onderzoeker loopbaanontwikkeling zzp’ers Tilburg University Department of Human Resource Studies

Sprekers en genodigden vanuit diverse hoeken (werknemers, werkgevers en beleidsmakers) gingen daarnaast met elkaar in gesprek over hoe de arbeidsmarkt van overmorgen eruit moet zien. Zij deden dit aan de hand van vragen die voortkomen uit het essay Denken over de Arbeidsmarkt van (Over)Morgen van Prof. dr. mr. Leo Witvliet (emeritus).

Een kort verslag van het congres, inclusief links naar foto’s en video’s, is hier te vinden. Download hier de presentaties die getoond zijn tijdens de Arbeidsmarkt van Morgen.

Bron: NBBU, 26 november 2021

Geplaatst in Branchenieuws | Tags , , | Reacties uitgeschakeld voor Verslag NBBU-congres Arbeidsmarkt van Morgen 2021

Fring haalt half miljoen euro op voor freelance-platform

De Nederlandse startup Fring haalde onlangs 500.000 euro investering op om de markt van creatief en digitaal freelance talent open te breken.

Met het geld wil Fring meer bedrijven helpen met het plannen van hun team, en freelancers op een vernieuwende sociale manier aan projecten helpen.

Dashboard
Het platform biedt organisaties toegang tot een groeiende realtime bron van duizenden beschikbare freelancers, waaronder designers, developers, marketeers en mediatalent. Via het dashboard kunnen bedrijven freelancers boeken zonder extra bemiddelingskosten. Freelancers delen hun beschikbaarheid via de gratis app.

Eigen oplossingen
De oprichters van Fring, Edwin van de Bospoort en Stijn van Aert, merkten in de praktijk dat het werven van de best beschikbare freelancers vaak slecht is georganiseerd. De bemiddelingssector maakt gebruik van het gebrek aan informatie tussen vraag en aanbod. Het draait vooral om één eenvoudige vraag: wanneer is de juiste freelancer beschikbaar? Veel bedrijven bedenken hiervoor hun eigen oplossingen. Freelancers moeten daardoor op tientallen plekken hun beschikbaarheid en profiel bijhouden.

Airbnb
Fring wordt door zijn klanten de Airbnb van freelancers genoemd. Je ziet in één klik de beschikbaarheid van freelancers uit je eigen talentpool en uit de hele Fring-directory. Iedereen binnen het bedrijf werkt vanuit één geactualiseerde bron. Dit scheelt tijd en onnodige commissiekosten. Fring sluit aan bij de manier waarop freelancers en bedrijven elkaar het liefst vinden: via-via.

Investeerders
Fring richt zich op de sectoren creatief, digital, tech en media. Voor hun investeringsbehoefte klopte het bedrijf aan bij ondernemers die de branche en de problematiek rondom freelancers kennen: Marc-Paul Brandt (eFocus, Valtech, Shopworks) en Michiel van Hulst (Werkspot, Freshheads). Ook de regionale ontwikkelingsmaatschappij Oost NL investeert vanuit het MKG-fonds in de startup. Investmentmanager Gijs Luesken: “Fring biedt zowel de bedrijven als freelancers meer transparantie, zonder tussenkomst van recruitmentbureaus. Een belangrijke stap voor het toenemende aantal freelancers in Nederland.”

Organisaties die frequent werken met freelancers kunnen bij Fring een abonnement afsluiten. Bedrijven die willen starten kunnen tegen een vaste prijs jobs te posten en zichtbaar zijn op het platform. Freelancers gebruiken de app voor het organiseren van hun netwerk, het delen van beschikbaarheid en het ontvangen van passende jobs.

Bron: Fring, 25 november 2021

Geplaatst in Bedrijfsnieuws | Tags , , | Reacties uitgeschakeld voor Fring haalt half miljoen euro op voor freelance-platform

No-riskpolis en de plannen in de Verzamelwet SZW

No-riskpolis en de plannen in de Verzamelwet SZW

Door Wouter de Jager, Senior Consultant Whk, werkzaam bij VCSW

Wouter de Jager, Consultant VCSW
Wouter de Jager

Jaarlijks ontvangen werkgevers van de Belastingdienst de beschikking gedifferentieerde premie Werkhervattingskas (Whk). Het percentage wordt voor grote en middelgrote werkgever individueel berekend. In het percentage worden de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen (WGA en ZW) doorbelast die zijn ontstaan vanuit een dienstverband bij de werkgever. Hoe hoger de uitkeringslasten, hoe hoger het premiepercentage.

Er zijn redenen waarmee uitkeringslasten niet toegerekend mogen worden in de Whk-premie. Bijvoorbeeld als iemand ziek is als gevolg van zwangerschap, er sprake is van regresverhaal of als een werknemer de no-riskpolis had. Met de no-riskpolis is nu van alles aan de hand. Hieronder licht ik dit verder toe.

De no-riskpolis is in politiek Den Haag en ook in de wereld van sociale zekerheid vaak onderwerp van gesprek. Toch was het tot enkele jaren geleden een vrij onbekend onderwerp voor werkgevers in Nederland. En dat terwijl de regeling juist grotendeels voor hen in het leven was geroepen.

Inmiddels is de bekendheid vergroot. Een toelichting over wat de no-riskpolis inhoudt, laat ik daarom achterwege. Over de invloeden van de no-riskpolis op de Whk-premie is een stuk minder bekend. Daar neem ik jullie graag in mee!

Vroeger
Vroeger. Toen alles anders was. Toen er nog geen verschillende interpretaties waren over ‘het recht op no-riskpolis’, toen konden werkgevers het zich nog veroorloven om te vergeten een no-riskpolis toe te passen bij een zieke werknemer. Dat betekende weliswaar dat werkgevers onnodig het loon van de zieke werknemer volledig doorbetaalden, zonder daar compensatie voor te ontvangen van het UWV. Maar verdere gevolgen dan dat waren er niet. Ongeacht of de werkgever gebruik maakte van de no-riskpolis, het feit bleef dat de ZW/WGA-uitkering van ex-werknemers waar theoretisch (feitelijk) recht bestond op no-risk, níet voor rekening kwamen van de Werkhervattingskas. En als een uitkering abusievelijk toch werd doorbelast in de Werkhervattingskas, dan kon de werkgever gewoon een verzoek indienen bij de Belastingdienst om deze uitkeringslast te laten verwijderen. Hier werd dan aan tegemoet gekomen en daarmee was de kous af.

Iets later
Rond 2015 begon de Belastingdienst tegen te stribbelen. Steeds vaker werden verzoeken van (of namens) werkgevers beantwoord met het bericht dat het ziekengeld wel moest zijn geclaimd door de werkgever. Anders was het recht namelijk niet bevestigd door UWV. En als UWV het recht op no-riskpolis niet had bevestigd, dan was er geen recht. Althans, zo werd gesteld. Ook al zou het ziekengeld wel toegekend zijn als de werkgever wel een beroep had gedaan op de no-riskpolis. Gezien de ontbrekende logica hierin zijn wij ten strijde gegaan. Zowel de Rechtbank als de Hoge Raad deelden onze mening. Na de uitspraak van de Hoge Raad in 2019 leek de rust te zijn weergekeerd en werden de verzoeken weer gehonoreerd. Net zoals ‘vroeger’.

En nu?
Nu ligt er een wetsvoorstel Verzamelwet SZW 2022 klaar. Daarin wordt voorgesteld om wettelijk af te kaderen dat niet-geconsumeerde no-riskpolissen toch voor rekening dienen te komen van de Werkhervattingskas. In de bijbehorende Memorie van toelichting hebben we de motivatie van (demissionair) minister Koolmees nagelezen. Hier hebben wij onze bedenkingen bij. Onze voornaamste punten zet ik hieronder nog eens uiteen:

  • De aanpassingen worden voorgesteld onder de noemer van ‘klein beleid’. De aanpassingen in dit artikel hebben echter forse impact op vele werkgevers. Gezien een WGA-uitkering maximaal 10 jaar aan een werkgever kan worden doorbelast en een gemiddelde WGA-uitkeringslast ongeveer €150.000,- bedraagt, valt dit ons inziens niet onder de noemer ‘klein beleid’.
  • In de Memorie van toelichting staat aangegeven dat het doel van de no-riskpolis is dat werkgevers worden geprikkeld om werknemers met een afstand tot de arbeidsmarkt in dienst te nemen doordat zij een no-riskpolis hebben. Tegelijk hoeven werknemers pas twee maanden na aanvang van het dienstverband hierover openheid van zaken te geven (artikel 38b lid 1 ZW). Dit staat haaks op elkaar.
  • Er wordt aangegeven dat het niet wenselijk is dat het fictieve recht op de no-riskpolis wordt vastgesteld omdat dat het doel van de no-riskpolis voorbijgaat. Er zijn echter diverse redenen te bedenken waardoor een werkgever niet gebaat is bij het claimen van het ziekengeld in het kader van de no-risk, maar wel bij het vaststellen van het fictieve recht. Het ontnemen van de mogelijkheid tot vaststellen van fictief recht leidt tot discrepanties. Ik noem vijf voorbeelden:
  • Uitzendbureaus kunnen de no-risk gebruiken als prikkel om iemand in dienst te nemen. Bij toepassing van het uitzendbeding eindigt de overeenkomst bij ziekte. In dat geval doet de werkgever geen beroep op de no-riskpolis, maar is die er wel bij gebaat dat toekomstige uitkeringslasten niet voor rekening van de werkhervattingskas komen.
  • Werknemers die zich ziekmelden in de nawerking van de Ziektewet (artikel 46 ZW). Werkgevers kunnen zich niet beroepen op de no-riskpolis omdat de werknemer zichzelf ziekmeldt en hiervan geen melding doet naar de ex-werkgever.
  • Werknemers die zich ziekmelden na beëindiging van het dienstverband en waar het UWV de eerste ziektedag met terugwerkende kracht vaststelt binnen het dienstverband (of in de nawerking van de ZW, zie punt 2).
  • Werknemers die zich ziekmelden in de laatste periode van het dienstverband. Een werkgever kan het als administratieve last ervaren zich te beroepen op het recht op ziekengeld in het kader van de no-riskpolis, maar is er wel bij gebaat dat toekomstige uitkeringslasten niet voor rekening van de werkhervattingskas komen.
  • Werknemers die binnen 2 maanden ziek uit dienst treden en conform artikel 38b lid 1 ZW nog geen openheid van zaken hebben gegeven over de no-riskpolis.

In situatie 1 t/m 4 ontvangt de werkgever – als belanghebbende zijnde – via het werkgeversportaal (als het goed is) een kopie toekenning ZW. Enige optie voor de werkgever is bezwaar maken tegen die toekenning. Daarin zal de werkgever moeten aangeven geen belanghebbende te zijn omdat er sprake is van de no-riskpolis. Dan wordt alsnog enkel het fictieve/theoretische recht op de no-riskpolis vastgesteld, omdat er in de praktijk geen ziekengeld is wat kan worden geclaimd. In situatie 5 zal de no-riskpolis überhaupt niet aan het licht komen bij de werkgever, waardoor deze (ten onrechte) 10 jaar lang WGA-lasten doorberekend zal krijgen. Al met al wordt alsnog aan het doel voorbij gegaan met deze voorgestelde aanpassingen.

De Tweede Kamer heeft eerder deze maand vóór het wetsvoorstel gestemd. Alleen de Eerste Kamer dient nu nog haar licht erover te laten schijnen alvorens de invoering definitief wordt. Al achten we de kans niet groot, hopen we van harte dat daar nog een stokje wordt gestoken voor de invoering van deze wijziging.

Geplaatst in Branchenieuws | Tags , , , , , , , | Reacties uitgeschakeld voor No-riskpolis en de plannen in de Verzamelwet SZW