Maandelijkse archieven: juli 2026

De klok tikt voor de flexmarkt: wie nu nog moet beginnen met de Wtta, loopt achter

Per januari 2027 verandert de flexmarkt ingrijpend. Alle bedrijven in Nederland die arbeidskrachten in- of uitlenen, krijgen dan te maken met een nieuw toelatingsstelsel dat veel verder reikt dan klassieke uitzendbureaus. Toch denken veel organisaties nog steeds dat de Wet toelating terbeschikkingstelling van arbeidskrachten (Wtta) hen niet raakt, of dat er nog genoeg tijd is. Die gedachte is gevaarlijk. Zeker in combinatie met de onlangs aangenomen Wet meer zekerheid flexwerkers ontstaat een kantelpunt: organisaties moeten nu weten of zij onder de Wtta vallen, welke verplichtingen op hen afkomen en hoe zij hun processen tijdig op orde krijgen. Wie wacht tot de wet daadwerkelijk van kracht wordt, loopt het risico straks onder grote tijdsdruk te moeten herstellen wat vandaag al had moeten worden ingericht.

Dat is de indringende waarschuwing van Marcel Reijmers (FlexKnowledge), Julisa Fereijra-Phelipa (Normec VRO), Hendarin Mouselli (De Voort Advocaten | Mediators) en artra. Vanuit hun eigen discipline zien zij dagelijks hoe organisaties  zich voorbereiden op de Wtta , waar de grootste knelpunten ontstaan en welke keuzes nu bepalend zijn voor de positie van ondernemingen in de markt. Hun boodschap is eensgezind en urgent: de Wtta is geen administratieve formaliteit die later kan worden opgepakt, maar een strategisch kantelpunt dat nú aandacht vraagt. Niet alleen om straks aan de wet te voldoen, maar vooral om grip te houden op compliance, continuïteit en toekomstbestendige bedrijfsvoering.

De Wtta is bedoeld voor een eerlijkere arbeidsmarkt

Julisa Fereijra-Phelipa van Normec VRO

De Wtta is ingevoerd met als doel de markt voor het ter beschikking stellen van arbeidskrachten transparanter, eerlijker en beter controleerbaar te maken. De wet moet malafide constructies terugdringen en bijdragen aan een gelijker speelveld, waarin organisaties die investeren in naleving van wet- en regelgeving niet langer worden benadeeld ten opzichte van partijen die dat niet doen. De kern van de wet is helder: organisaties die arbeidskrachten ter beschikking stellen of payrollen mogen dat straks alleen nog doen wanneer zij daarvoor zijn toegelaten. Tegelijkertijd mogen opdrachtgevers uitsluitend samenwerken met organisaties die deze toelating hebben verkregen. Volgens de drie experts is dat een belangrijke stap richting een professionelere arbeidsmarkt.

“Het uiteindelijke doel van de Wtta is niet alleen naleving, maar het creëren van een eerlijker, transparanter en professioneler speelveld. Organisaties die arbeidskrachten ter beschikking stellen, moeten kunnen aantonen dat hun processen, administratie en compliance op orde zijn. Tegelijkertijd vraagt dit ook iets van opdrachtgevers: zij moeten bewust kiezen met wie zij zaken doen en verantwoordelijkheid nemen voor de kwaliteit en betrouwbaarheid van hun keten,” aldus Julisa Fereijra-Phelipa. Toch zien zij in de praktijk dat veel organisaties de impact van deze verandering nog onderschatten.

“Wij vallen hier toch niet onder?”

De grootste misvatting die de deskundigen in de praktijk tegenkomen, is dat organisaties zichzelf te snel buiten de reikwijdte van de Wtta plaatsen. Wie geen traditioneel uitzendbureau is, denkt vaak in eerste instantie dat de wet niet op hen van toepassing zal zijn. Juist daar gaat het volgens Marcel Reijmers regelmatig mis: “Zo ontdekken bijvoorbeeld veel consultancypartijen pas tijdens een eerste gesprek dat een deel van hun dienstverlening juridisch gezien onder terbeschikkingstelling valt. Dan krijg je ineens fundamentele vragen over je bedrijfsvoering.”

De wet kijkt namelijk niet naar het etiket dat een organisatie zichzelf geeft, maar naar de feitelijke werkzaamheden. Daardoor krijgen detacheerders, consultancybedrijven, payrollorganisaties en andere dienstverleners met de toelatingsplicht te maken.

Volgens Julisa Fereijra-Phelipa blijkt tijdens inspecties regelmatig dat organisaties zichzelf buiten de scope van de Wtta plaatsen, terwijl onderliggende opdrachtovereenkomsten iets anders laten zien: “Wat wij in de praktijk vaak zien, is dat organisaties denken dat zij niet onder de Wtta vallen, maar dat uit de contractuele afspraken weldegelijk elementen van terbeschikkingstelling naar voren komen. Juist daarom is het belangrijk dat organisaties niet alleen kijken naar hoe zij hun dienstverlening zelf noemen, maar ook naar wat zij op papier afspreken. In administratieve controles volgen wij het spoor van de vastgelegde afspraken. Als die niet aansluiten bij de feitelijke bedoeling of inrichting van de samenwerking, kan dat tot fundamentele discussies leiden over de vraag of een organisatie wel of niet onder de toelatingsplicht valt.” Dat maakt bewustwording de noodzakelijke eerste stap in de voorbereiding.

De voorbereiding begint met inzicht, niet met papier

Marcel Reijmers van FlexKnowledge

Wanneer organisaties zich realiseren dat de Wtta ook voor hen gevolgen kan hebben, ontstaat vaak dezelfde reflex: procedures aanpassen, documenten verzamelen en beleid schrijven. Volgens Marcel Reijmers is dat begrijpelijk, maar niet de meest effectieve aanpak. Hij licht toe: “Veel organisaties denken dat hun hele bedrijf op de schop moet. Terwijl het veel slimmer is om eerst inzicht te krijgen. Laat (als je al NEN 4400 gecertificeerd bent) een Wtta-pre-audit uitvoeren en je weet precies waar de aandachtspunten zitten. Dan ga je gericht verbeteren, in plaats van alles tegelijk aan te pakken. Ben je nog helemaal niet gecertificeerd, dan doe je hetzelfde, maar eerst voor het bestaande SNA keurmerk en daarna de pre-audit voor de Wtta.”

Volgens Reijmers voorkomt een goede nulmeting dat organisaties kostbare tijd besteden aan maatregelen die uiteindelijk weinig toevoegen.

De Wtta vraagt om een andere manier van organiseren

Veel organisaties benaderen compliance nog als een verzameling losse verplichtingen: een contract hier, een procedure daar, een controle op het juiste moment. De Wtta dwingt tot een andere benadering. De wet brengt bestaande en nieuwe verplichtingen samen in één stelsel, waarin niet alleen telt óf aan afzonderlijke eisen wordt voldaan, maar vooral of de organisatie als geheel aantoonbaar in control is.

Volgens Julisa Fereijra-Phelipa vraagt dat om meer dan het op orde brengen van documenten: “De Wtta gaat niet over het afvinken van losse normen. Organisaties moeten kunnen laten zien dat hun processen, administratie en verantwoordelijkheden logisch op elkaar aansluiten. Juist die samenhang bepaalt straks of je aantoonbaar grip hebt op je bedrijfsvoering en je positie in de keten.”

Daarmee verschuift de aandacht van losse bewijsstukken naar de inrichting en beheersing van de organisatie als geheel. Voor bedrijven die al gewend zijn aan inspecties, keurmerken en normenkaders, zal die stap kleiner zijn. Voor organisaties die hier voor het eerst mee te maken krijgen, vraagt dit om tijdige voorbereiding: zij moeten niet alleen documenten verzamelen, maar eerst de basis leggen voor een controleerbare en toekomstbestendige manier van werken. Ook opdrachtgevers krijgen een veel grotere verantwoordelijkheid.

De Wtta verandert niet alleen de positie van organisaties die personeel ter beschikking stellen. Ook opdrachtgevers krijgen nieuwe verplichtingen. Zij mogen straks uitsluitend samenwerken met toegelaten partijen en zullen bovendien moeten kunnen aantonen dat hun administratie daarop is ingericht. Daarmee wordt compliance een gezamenlijke verantwoordelijkheid.

De Wtta gaat niet over het afvinken van losse normen. Organisaties moeten kunnen laten zien dat hun processen, administratie en verantwoordelijkheden logisch op elkaar aansluiten – Julisa Fereijra-Phelipa

Volgens Hendarin Mouselli is dat misschien wel één van de grootste veranderingen die de Wtta met zich meebrengt. Mouselli verduidelijkt: “Compliance wordt niet langer alleen een verantwoordelijkheid van de uitlener. Ook opdrachtgevers zullen hun inhuurbeleid opnieuw moeten organiseren. Dat vraagt andere keuzes dan veel organisaties nu nog maken. Daarnaast gaat het uitzendregime ook op andere onderdelen op de schop, want onlangs is de Wet meer zekerheid flexwerkers aangenomen. Deze wet treedt naar verwachting per 1 januari 2028 in werking, maar een aantal wijzigingen die toezien op de uitzendsector zullen al eerder in werking treden. Juist die regels in combinatie met de Wtta zijn zowel voor inleners als uitleners een must om te betrekken bij hun compliance procedure. Door die wijzigingen nemen de aansprakelijkheidsrisico’s voor zowel de inleners als uitleners aanzienlijk toe.”

Hendarin Mouselli van De Voort Advocaten | Mediators

Volgens Mouselli betekent dit dat directie, HR, inkoop en compliance veel intensiever zullen moeten samenwerken dan nu vaak het geval is. Ook Julisa Fereijra-Phelipa ziet dat  samenwerking binnen de keten een bepalende succesfactor wordt: “De Wtta maakt zichtbaar dat compliance niet ophoudt bij de eigen organisatie. Een uitlener kan alleen aantoonbaar voldoen als ook opdrachtgevers hun rol pakken: door afspraken helder vast te leggen, informatie tijdig en volledig te delen en hun verantwoordelijkheid in de keten serieus te nemen. Zonder die samenwerking wordt compliance kwetsbaar, hoe goed een uitlener intern ook georganiseerd is.” 

Waarom juist nú beginnen?

Hoewel de Wtta ‘pas’ vanaf 2027 in werking treedt, begint de voorbereiding feitelijk veel eerder. Organisaties moeten hun processen beoordelen, tekortkomingen herstellen en tijdig voorsorteren op de overgangsregeling. Volgens de drie experts wordt vooral de benodigde doorlooptijd nog vaak onderschat. “Wie vandaag begint, is eigenlijk al laat,” zegt Julisa Fereijra-Phelipa. “In de praktijk zien we dat het op orde brengen van de basis, het herstellen van tekortkomingen en het aantoonbaar borgen van processen vaak veel meer tijd kost dan organisaties vooraf inschatten. Dit is geen traject dat je vlak voor de deadline nog even organiseert.” Juist daarom adviseren de drie deskundigen om niet te wachten totdat de wet officieel van kracht wordt.

Belangrijke mijlpalen richting 2027

Wie die planning niet op tijd in beeld heeft, loopt het risico achter de feiten aan te lopen. De drie experts adviseren daarom om nu al rekening te houden met de belangrijkste mijlpalen.

Periode Wat gebeurt er?
1 november t/m 31 december 2026 Aanmelden voor de overgangsregeling
1 januari 2027 De Wtta treedt officieel in werking
1 mei t/m 30 juni 2027 Aanvraagperiode voor de definitieve toelating
Vanaf 2028 Volledige handhaving van de toelatingsplicht

Volgens Hendarin Mouselli bestaat hierover nog veel onduidelijkheid: “Veel organisaties denken dat deelname aan de overgangsregeling voldoende is. Dat is niet zo. De overgangsregeling is iets anders dan de aanvraag voor de definitieve toelating. Je moet beide stappen tijdig zetten.”

Juist daarom benadrukt Mouselli dat organisaties de komende maanden niet alleen moeten bepalen óf zij onder de Wtta vallen, maar ook welke stappen zij wanneer moeten zetten. Een goede planning voorkomt onnodige tijdsdruk en vergroot de kans op een soepel toelatingstraject.

Niet voldoen is meer dan alleen een financieel risico

De Wtta brengt niet alleen organisatorische veranderingen met zich mee. Ook de financiële gevolgen van niet naleven kunnen aanzienlijk zijn. Hoewel de definitieve beleidsregels voor de handhaving nog worden vastgesteld, verwachten de experts dat wordt aangesloten bij de bestaande boetesystematiek binnen de arbeidsmarktregelgeving. De huidige boetenormbedragen die gelden bij het niet beschikken over een Waadi-registratie bedragen per arbeidskracht: € 8.000,00 als je minder dan tien arbeidskrachten ter beschikking hebt gesteld, € 16.000,00 bij tien maar minder dan dertig arbeidskrachten en € 32.000,00 bij dertig of meer arbeidskrachten. Tel uit je winst of beter gezegd verlies. Dat betekent dat de financiële consequenties zowel voor de inlener als uitlener fors kunnen oplopen. “Als de verwachte systematiek wordt gevolgd, kunnen boetes per ter beschikking gestelde arbeidskracht worden opgelegd. Dan kunnen de financiële gevolgen zeer snel oplopen,” aldus Hendarin Mouselli. 

Volgens Mouselli blijft het daar echter niet bij. Organisaties die hun toelating verliezen of structureel niet aan de wettelijke eisen voldoen, lopen ook reputatieschade op. Opdrachtgevers zullen immers steeds nadrukkelijker kiezen voor partners die hun zaken aantoonbaar op orde hebben. Ook Marcel Reijmers wijst erop dat de verantwoordelijkheid straks niet meer eenzijdig bij de uitlener ligt: “Het mooie van het nieuwe stelsel is dat opdrachtgevers én uitleners samen verantwoordelijkheid dragen. Uiteindelijk wil je voorkomen dat malafide partijen nog een plek hebben in de markt.”

Volgens Reijmers draagt de Wtta daarmee bij aan het oorspronkelijke doel van de wet: een eerlijke arbeidsmarkt waarin kwaliteit de norm wordt.

De Wtta biedt ook kansen

Waar veel organisaties vooral kijken naar de extra verplichtingen die de Wtta met zich meebrengt, zien de drie experts juist ook kansen. Organisaties die hun processen goed op orde hebben, kunnen zich straks duidelijk onderscheiden van partijen die dat niet hebben. Dat biedt voordelen richting opdrachtgevers, medewerkers én toezichthouders.

“Compliance is straks geen afzonderlijke USP meer, maar een voorwaarde voor onderscheidend vermogen. De Wtta maakt zichtbaar welke organisaties aantoonbaar grip hebben op hun processen, administratie en ketenafspraken. Wie dat goed op orde heeft, laat zien betrouwbaar, transparant en professioneel georganiseerd te zijn. Dat geeft opdrachtgevers meer zekerheid en maakt kwaliteit zichtbaar in een markt waar vertrouwen steeds belangrijker wordt,” verduidelijkt Julisa Fereijra-Phelipa. 

Volgens Hendarin Mouselli is dat misschien wel de grootste winst van de nieuwe wet. Ze licht toe: “Bedrijven die al jaren investeren in kwaliteit krijgen eindelijk de kans zich echt te onderscheiden van organisaties die de regels minder serieus nemen. Dat draagt uiteindelijk bij aan het eerlijkere speelveld waar de Wtta voor bedoeld is.” De Wtta moet daarom niet alleen worden gezien als een wettelijke verplichting, maar als een kans om processen verder te professionaliseren, kwaliteit aantoonbaar te maken en het vertrouwen in de sector structureel te versterken.

Dit is geen onderwerp dat je afvinkt met een checklist. Het vraagt inhoud, inzicht en voorbereiding – Hendarin Mouselli

Vier expertises, één compleet beeld

De Wtta raakt juridische vraagstukken, bedrijfsprocessen én de dagelijkse praktijk. Juist daarom bundelen FlexKnowledge, Normec VRO, De Voort Advocaten | Mediators én artra hun kennis in een gezamenlijke seminarreeks. Tijdens de bijeenkomsten krijgen deelnemers inzicht in de achterliggende wetgeving, maar vooral ook antwoord op de vraag wat de Wtta morgen betekent voor hun eigen organisatie.

Zo komen onder andere de volgende onderwerpen aan bod: 

  • Wanneer is sprake van terbeschikkingstelling van arbeid?
  • Welke organisaties vallen onder de Wtta?
  • Hoe ziet de toelatingsprocedure eruit?
  • Welke aanvullende eisen stelt het Wtta-normenkader?
  • Welke belangrijke inspectiebevindingen zien we in de praktijk? Hoe richt je processen aantoonbaar compliant in?

De combinatie van juridische kennis, inspectiepraktijk en praktische implementatie maakt de seminarreeks volgens de vier organisaties uniek. Zoals Hendarin Mouselli het tijdens het rondetafelgesprek treffend samenvatte: “Dit is geen onderwerp dat je afvinkt met een checklist. Het vraagt inhoud, inzicht en voorbereiding.”

De gezamenlijke seminarreeks van FlexKnowledge, Normec VRO, De Voort Advocaten | Mediators en artra helpt organisaties daarbij met juridische duiding, inzichten uit de inspectiepraktijk én praktische handvatten waarmee zij direct aan de slag kunnen.


Over dit artikel

Dit artikel kwam tot stand op basis van een rondetafelgesprek, georganiseerd door artra, met Marcel Reijmers (FlexKnowledge), Julisa Fereijra-Phelipa (Normec VRO) en Hendarin Mouselli (De Voort Advocaten | Mediators). De experts delen vanuit hun eigen vakgebied hun visie op de impact van de Wtta en de voorbereiding op de toelatingsplicht in 2027. 

 

Geplaatst in Compliance, In de wet | Tags , , , | Laat een reactie achter

Podcast DetAIchering met Klikwork: AI vraagt om nieuwe rol binnen recruitmentteams

De inzet van AI binnen recruitment groeit snel, maar veel organisaties blijven steken in losse experimenten. Volgens AI- en recruitmentspecialist Marcel van der Meer van Klikwork ligt de volgende stap niet in het toevoegen van nóg meer tools, maar in het ontwikkelen van nieuwe rollen en vaardigheden binnen recruitmentteams. “De recruiter van de toekomst ontwerpt processen, niet alleen vacatures.”

Nieuwe specialisatie binnen recruitment

Recruitmentorganisaties onderzoeken volop hoe AI kan bijdragen aan sourcing, sales en procesoptimalisatie. Tegelijkertijd ziet Marcel dat veel bedrijven nog zoeken naar een structurele aanpak. Volgens hem wordt AI nog vaak ingezet voor relatief eenvoudige toepassingen, zoals het schrijven van teksten of het genereren van content. Daarmee blijft een groot deel van de potentie onbenut.

Hij verwacht dat recruitmentfuncties zich de komende jaren verder gaan specialiseren. Daarbij ontstaan volgens hem twee duidelijke richtingen:

  • professionals die uitblinken in relatiebeheer, stakeholdermanagement en beïnvloeding; 
  • professionals die recruitmentprocessen ontwerpen, automatiseren en optimaliseren met AI. 

Voor die tweede groep introduceert Marcel het concept van de AI Recruitment Engineer: een specialist die recruitmentkennis combineert met technologische expertise en organisaties helpt om slimmer en schaalbaarder te werken.

Grootste kansen liggen buiten sourcing

Hoewel AI vaak wordt geassocieerd met sourcing, ziet Marcel juist veel kansen in andere onderdelen van het recruitmentproces. Hij noemt onder meer:

  • automatische voorbereiding van intake- en salesgesprekken; 
  • verrijking van kandidaat- en klantinformatie; 
  • verwerking van e-mailverkeer; 
  • samenvatten en vastleggen van gesprekken; 
  • signalering van veranderingen bij klanten en prospects. 

Volgens hem zal een groot deel van de administratieve werkzaamheden binnen enkele jaren grotendeels geautomatiseerd zijn. Daardoor ontstaat meer ruimte voor activiteiten waarbij menselijk contact en advies centraal staan.

Begin niet bij technologie

Een belangrijke boodschap uit het gesprek is dat organisaties niet moeten starten met technologie, maar met het analyseren van hun processen. Veel bedrijven gaan volgens Marcel direct op zoek naar nieuwe software of AI-oplossingen, terwijl eerst duidelijk moet zijn waar tijd verloren gaat en welke knelpunten opgelost moeten worden. 

Ga niet zomaar tools aanschaffen. Ga eerst goed nadenken: wat wil je bereiken?

Pas daarna ontstaat volgens hem een zinvolle discussie over automatisering, AI en aanvullende tooling.

Arbeidsmarkt vraagt om nieuwe competenties

De ontwikkeling sluit aan bij bredere veranderingen binnen de recruitment- en detacheringsbranche. Organisaties staan onder druk om efficiënter te werken, terwijl arbeidsmarktkrapte en toenemende concurrentie blijven bestaan. Tegelijkertijd groeit de hoeveelheid beschikbare data. Dat biedt kansen voor AI, maar vraagt ook om nieuwe competenties binnen recruitmentteams.

Niet iedere recruiter hoeft technisch te worden, stelt Marcel. Wel zullen organisaties mensen nodig hebben die de verbinding kunnen maken tussen recruitment, data en automatisering. Daarmee verschuift de aandacht van losse AI-experimenten naar de structurele inrichting van processen, technologie en functies.

Benieuwd naar het volledige gesprek? Luister hier de nieuwste aflevering van DetAIchering.

Geplaatst in AI, In de cloud | Tags , , | Laat een reactie achter

Talentstrategie is een stap vooruit. Maar waar blijft de strategie voor flexibiliteit?

De nieuwe Talentstrategie van het kabinet raakt precies de kern van onze arbeidsmarkt: we hebben niet alleen te weinig mensen, maar we organiseren werk ook nog te vaak op een manier die niet meer past bij deze tijd.

Het kabinet kiest scherper: meer aandacht voor skills, strategische sectoren en productief werk. En minder afhankelijkheid van arbeidsmigratie in laagproductieve banen waar misstanden te vaak op de loer liggen. Dat is een logische beweging.

Maar de echte vraag is: hoe maken we dit uitvoerbaar?

Want talent beter benutten lukt niet met alleen beleid. Daarvoor moet je werk anders organiseren. Skills moeten leidend worden. Mensen moeten makkelijker kunnen bewegen tussen rollen, opdrachten en organisaties. Regels moeten niet alleen op papier kloppen, maar in de praktijk werken. En flexibele arbeid moet betrouwbaar, eerlijk en schaalbaar geregeld zijn. Daar zit volgens mij de grootste opgave.

Flexibiliteit verdient een eigen strategie

Tegelijkertijd valt ook op wat níét in de Talentstrategie staat. De arbeidsmarkt wordt steeds flexibeler, maar een duidelijke visie op hoe die flexibiliteit toekomstbestendig georganiseerd moet worden, ontbreekt grotendeels. De discussie gaat vaak over het beperken van flex, terwijl de vraag zou moeten zijn hoe we flexibiliteit beter organiseren. Want bedrijven zullen ook de komende jaren behoefte houden aan wendbaarheid en veel mensen kiezen bewust voor verschillende vormen van flexibel werk.

Ook de rol van digitale infrastructuur blijft onderbelicht. Een arbeidsmarkt waarin mensen eenvoudiger kunnen overstappen tussen werkgevers, opdrachten en contractvormen vraagt om systemen die gegevens veilig, betrouwbaar en volgens de regels laten meebewegen. Niet meer met losse processen en administratieve overdrachten, maar met een digitale basis die samenwerking tussen werkgevers, intermediairs, opleiders en medewerkers mogelijk maakt. Zonder die infrastructuur blijft het lastig om de ambities uit de Talentstrategie daadwerkelijk waar te maken.

Digitale infrastructuur als onmisbare schakel

Nederland heeft niet minder flexibiliteit nodig. We hebben betere flexibiliteit nodig. Met duidelijke voorwaarden, eerlijke beloning en een digitale infrastructuur die beweging mogelijk maakt zonder zekerheid uit het oog te verliezen. Als we arbeid slimmer organiseren, kunnen flexibiliteit en zekerheid elkaar juist versterken.

De Talentstrategie zet een belangrijke stap door talent centraler te stellen. De volgende stap is om ook de manier waarop we werk organiseren fundamenteel te moderniseren. Pas als beleid, wetgeving én digitale uitvoering op elkaar aansluiten, kunnen we de arbeidsmarkt echt toekomstbestendig maken.

Lees hier de Talentstrategie van het kabinet.

 

Geplaatst in In de wereld, Politiek | Tags , , , | Laat een reactie achter

Geen opdracht, geen vergoeding: hof wijst claim detacheerder tegen Equans af

Wanneer mag een bureau aanspraak maken op een vergoeding als een kandidaat buiten hem om bij de opdrachtgever in dienst treedt? En telt het toesturen van een c.v. al als een opdracht waarop de algemene voorwaarden van toepassing zijn? Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden behandelde deze kwestie onlangs in een zaak tussen een technische detacheerder en technisch dienstverlener Equans.

De kern van de zaak

Het bureau, een in 2021 opgericht uitzend- en detacheringsbureau voor technische professionals uit Groningen, stond tegenover Equans Noord-Nederland, een internationaal opererend bedrijf in technische dienstverlening. De detacheerder vorderde 35.604,25 euro aan schadevergoeding, plus buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente. De reden: Equans had een kandidaat aangenomen die het bureau eerder had voorgesteld aan Equans, zonder daarvoor te betalen.

Volgens de algemene voorwaarden van het bureau is een opdrachtgever een vergoeding verschuldigd als hij binnen twaalf maanden na voordracht rechtstreeks een arbeidsverhouding aangaat met een aangedragen kandidaat.

Aanleiding

Eind oktober 2022 belde het detacheringsbedrijf op eigen initiatief met Equans over een kandidaat voor de functie van (service)monteur WTB.  Het c.v. werd toegestuurd, het gesprek vond plaats, maar de kandidaat werd afgewezen. Twee weken later herhaalde de detacheeerder dit voor een tweede kandidaat, voor dezelfde functie. Equans liet toen weten voorlopig af te zien van een gesprek.

Drie maanden later solliciteerde deze kandidaat op eigen initiatief naar een andere functie bij Equans: Aankomend Rotating Technicus. Hij werd aangenomen en trad op 1 juni 2023 in dienst. De detacheerder stuurde daarop een factuur op basis van haar algemene voorwaarden, die Equans onbetaald liet.

Het verweer

Equans betwistte dat er ooit een opdracht was verstrekt aan het bureau om kandidaten aan te dragen. Er was volgens Equans geen vacature voor een (service)monteur WTB, en dus ook geen grond voor een vervolgopdracht. Bovendien ging het bij de uiteindelijke aanstelling om een andere functie dan waarvoor de kandidaat destijds was voorgedragen, en had de kandidaat zelf gesolliciteerd naar aanleiding van een vacature op de website van Equans.

De afweging van de rechter

Het hof stelde vast dat er geen schriftelijke overeenkomst van opdracht tussen partijen bestond. Uit de feiten bleek dat steeds de detacheerder het initiatief nam voor telefonisch contact, waarna een c.v. werd toegestuurd met de mededeling dat de algemene voorwaarden alleen gelden als Equans “contact” zoekt met de kandidaat. Equans liet bij de tweede kandidaat juist weten dát niet te willen. Daarmee ontbrak volgens het hof een feitelijke grondslag voor een opdracht, laat staan een vervolgopdracht na de afwijzing van de eerste kandidaat.

Ook de ruime uitleg die het bureau  aan het begrip “contact” wilde geven, namelijk dat alleen al het versturen van contactgegevens daaronder zou vallen, hield geen stand. Het hof wees erop dat aanbiedingen volgens de eigen voorwaarden van de detacheerder vrijblijvend zijn, en dat pas bij een daadwerkelijke inleenovereenkomst de voorwaarden van toepassing worden. Die overeenkomst kwam er nooit.

Het hof verwierp ook de aanvullende stelling dat Equans onrechtmatig had gehandeld door te profiteren van de kennis en tijd van het bureau. Doorslaggevend was dat het bureau zelf had gekozen voor een werkwijze waarbij c.v.’s vrijblijvend werden aangeboden, zonder voorafgaande afspraken over rechten en plichten vast te leggen. Dat risico, aldus het hof, hoort bij die manier van opereren en komt voor rekening van het bureau zelf.

Bovendien solliciteerde de kandidaat maanden later op eigen initiatief naar een andere functie, zonder dat bleek dat Equans hem daartoe had bewogen. Daarmee bekrachtigde het hof het eerdere vonnis van de rechtbank en wijst ze het hoger beroep van de detacheerder volledig af.

Geplaatst in In de wet, Rechtspraak | Tags | 1 Reactie

Advocaat-generaal EU-Hof: ontslagbescherming valt buiten Europese Uitzendrichtlijn

Mag een uitzendbureau een uitzendkracht ontslaan simpelweg omdat de inlener de opdracht vroegtijdig beëindigt, zonder dat die inlener dat hoeft te motiveren? En verzet het Europese gelijkheidsbeginsel voor uitzendkrachten zich daartegen? 

Een Roemeense rechter legde deze vragen voor aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Advocaat-generaal (A-G) J. Richard de la Tour bracht hierover onlangs advies over uit. Zijn conclusie: deze constructie is toegestaan onder de Uitzendrichtlijn, want ontslagbescherming staat niet in het rijtje van essentiële arbeidsvoorwaarden die in de Europese Uitzendrichtlijn staan opgenoemd. 

Arbeidsrechtadvocaat Marita Hoogeveen (Köster Advocaten) deelt de conclusie dat het uitzendbeding niet onder de uitzendrichtlijn valt. “Einde arbeidsovereenkomst koppelen aan het einde van de opdracht (voor een beperkte tijd mogelijk) hoort juist bij uitzenden als bijzondere flexibele vorm van arbeid, met tijdelijkheid als oogmerk. Dat is anders dan in het reguliere arbeidsrecht en dat is ook precies zo bedoeld.” 

Hoe zit dat nu precies? 

De zaak in het kort

Een uitzendkracht in Roemenië sloot in juni 2023 een uitzendovereenkomst af met het uitzendbureau Personal Sea Management. Op basis daarvan werd hij te werk gesteld bij een inlenende onderneming actief in de logistiek. In september liet dat bedrijf weten de opdracht voor de uitzendkracht te beëindigen: zijn functie van afdelingshoofd/hoofdmonteur verviel door een reorganisatie en hem werd een functie als monteur aangeboden.

Een dag later liet Personal Sea Management de man weten dat zijn uitzendovereenkomst zou eindigen, op grond van de Roemeense wet die bepaalt dat zo’n overeenkomst afloopt zodra de inlener afziet van de diensten van de uitzendkracht. Voor dat besluit van de inlener gelden in Roemenië geen motiverings- of vormvereisten, terwijl een gewone werkgever bij ontslag wel een werkelijke en ernstige reden moet aantonen en het besluit schriftelijk moet motiveren.

De uitzendkracht vocht zijn ontslag aan bij de rechter, maar ving in eerste aanleg bot. Zijn zaak kwam in hoger beroep, waarbij de kwestie werd voorgelegd aan het Hof van Justitie. De vraag was of een lidstaat mag toestaan dat een uitzendbureau een uitzendkracht ontslaat alleen omdat de inlener de opdracht beëindigt, zonder dat de inlener aan dezelfde ontslagregels hoeft te voldoen als wanneer hij de werknemer zelf in dienst had genomen.

Het advies van de A-G

Volgens de A-G is het antwoord nee: deze constructie is toegestaan onder de Uitzendrichtlijn. Zijn redenering draait om het begrip ‘essentiële arbeidsvoorwaarden’ uit artikel 5 van de richtlijn: het beginsel dat uitzendkrachten tijdens hun opdracht minstens hetzelfde behandeld moeten worden als personeel dat rechtstreeks bij de inlener in dienst is. De richtlijn omschrijft dit begrip uitputtend: het gaat om arbeidstijd-gerelateerde zaken (overuren, pauzes, rusttijden, vakantie) en beloning. Ontslag staat niet op die lijst en de A-G leest daar geen ruimte in om die lijst uit te breiden.

Ook qua timing trekt de A-G een grens: het gelijkheidsbeginsel geldt voor de duur van de opdracht bij de inlener, niet voor het moment waarop die opdracht eindigt.

Bovendien wijst de A-G op de bijzondere driehoeksverhouding in uitzendwerk. Het uitzendbureau blijft tijdens de opdracht de werkgever van de uitzendkracht. De inlener krijgt alleen leiding en toezicht overgedragen, maar wordt daarmee geen werkgever. Het besluit van een inlener om een opdracht te beëindigen, is dus wat de A-G betreft niet hetzelfde als een ontslagbesluit door een werkgever. De richtlijn verplicht een inlener nergens om dat besluit te motiveren.

De A-G erkent dat een uitzendkracht in deze constructie minder bescherming geniet dan een rechtstreeks aangenomen werknemer en dat een striktere nationale regeling een uitzendkracht beter zou kunnen beschermen. Maar dat is volgens hem een keuze voor de nationale wetgever, niet iets wat het Hof via uitleg van de richtlijn kan afdwingen.

Wat betekent dit voor de praktijk?

Deze zaak gaat over Roemeens recht, maar raakt een vraag die ook in Nederland speelt. Het Nederlandse uitzendbeding koppelt het einde van de uitzendovereenkomst eveneens aan het besluit van de inlener om de terbeschikkingstelling te beëindigen, zonder dat de inlener dat hoeft te motiveren. De Hoge Raad bevestigde dit mechanisme al in maart 2023: als de inlener de terbeschikkingstelling beëindigt, eindigt de uitzendovereenkomst van rechtswege.

Volgt het Hof van Justitie het advies van de A-G, dan wordt duidelijker dat deze constructie niet op gespannen voet staat met het Europese gelijkheidsbeginsel voor uitzendkrachten. Discussie over de wenselijkheid van het uitzendbeding zou dan een zaak blijven voor de Nederlandse wetgever, niet voor de Europese rechter.

Reacties 

Universitair docent sociaal recht aan de Radboud Universiteit Matthijs van Schadewijk zegt in een reactie op Linkedin dat hij de kritiek op het uitzendbeding onderschrijft, maar de conclusie van de A-G goed kan volgen. “Niet iedere ongelijkheid tussen een uitzendkracht en een werknemer van de inlener kan onder de Uitzendrichtlijn worden gebracht. Als we het uitzendbeding willen aanpakken, dan is niet het Hof van Justitie maar de Nederlandse wetgever aan zet.”  

Marita Hoogeveen, advocaat bij Köster advocaten, is het eens. Zij wijst erop dat de Uitzendrichtlijn uitzendbureaus juist uitdrukkelijk als werkgever erkent en ruimte wil bieden aan uitzendwerk als flexibele arbeidsvorm. Ontslagbescherming hoort volgens haar niet tot de arbeidsvoorwaarden waarop de richtlijn ziet: “Het uitzendbeding valt daar evident niet onder.” Ze noemt de koppeling tussen het einde van de opdracht en het einde van de arbeidsovereenkomst juist kenmerkend voor uitzendwerk als tijdelijke arbeidsvorm en is hoopvol dat het Hof de A-G zal volgen.

Bron: Conclusie A-G J. Richard de la Tour, 25 juni 2026, zaak C-172/25, Hof van Justitie van de Europese Unie

Geplaatst in In de wet, Rechtspraak | Tags , , | Laat een reactie achter