Miljoenennota 2020 – maatregelen arbeidsmarkt

0
971

Op Prinsjesdag, 17 september, heeft minister Wobke Hoekstra van Financiën de Miljoenennota 2020 aangeboden aan de Tweede Kamer.
Miljoenennota 2020, grafiek
Welke maatregelen worden hierin gepresenteerd met betrekking tot de arbeidsmarkt?
Bekijk de samenvatting.

Er komt extra geld om de lasten van met name werkenden omlaag te brengen. Het kabinet werkt ook aan een betere balans tussen vast en flexibel werk. Ook wil het de verschillen tussen werknemers en zelfstandigen zonder personeel kleiner maken. Daarom verlaagt het kabinet de zelfstandigenaftrek in stapjes van € 250 naar € 5.000 in 2028. Daar staat voor zelfstandigen tegenover dat zij, net als alle werkenden, profiteren van de hogere arbeidskorting.

Het kabinet houdt verder oog voor de langere termijn. Met het Klimaat- en Pensioenakkoord zijn belangrijke stappen gezet voor een duurzamer Nederland en een pensioenstelsel voor de toekomst. De komende tijd staat de uitwerking hiervan hoog op de agenda.

Hieronder leest u alinea’s uit de Miljoenennota die betrekking hebben op de arbeidsmarkt.
Ontwikkeling productiviteit en reële brutolonen bedrijven
De lonen groeien beperkt, ondanks een krappe arbeidsmarkt
Naar verwachting groeien de cao-lonen in 2019 en 2020 met 2,5 procent. De lonen blijven daarmee achter bij de economische situatie, want als werkgevers moeilijk personeel kunnen vinden, ligt een hogere loongroei in de rede om aantrekkelijk te blijven voor werkzoekenden. De lonen blijven achter bij de groei van de productiviteit. Dat komt deels doordat de loonkosten voor werkgevers zijn toegenomen, maar ook omdat de brutolonen bij bedrijven zelf sinds de crisis nauwelijks groeien.

Waar ruimte voor hogere lonen is, is het dan ook goed dat deze wordt gebruikt voor hogere loonstijgingen, vindt het kabinet. Daarnaast zijn de lasten voor huishoudens sinds de crisis gestegen, maar neemt het kabinet maatregelen om deze te verlichten.

Het Pensioenakkoord maakt de Nederlandse pensioenen klaar voor de toekomst
In de afgelopen tien jaar zijn de kwetsbaarheden van het pensioenstelsel blootgelegd door de gestegen levensverwachting, de veranderende arbeidsmarkt en de financiële markten. In goede samenwerking zijn hervormingen afgesproken die het stelsel robuuster en persoonlijker maken.

Het kabinet heeft samen met de betrokken partners afspraken gemaakt die ervoor moeten zorgen dat werkenden in Nederland gezond de eindstreep kunnen halen. Denk hierbij aan afspraken over duurzame inzetbaarheid, vervroegde uittreding en een minder snel stijgende AOW-leeftijd.

Behalve dat de AOW-leeftijd minder snel stijgt, zijn er nog aanvullende maatregelen afgesproken in het Pensioenakkoord. Voor alle maatregelen in het Pensioenakkoord trekt het kabinet flink wat geld uit. Zo kost de verhoging van de AOW-leeftijd naar 67 jaar in 2024 in plaats van in 2021, de aankomende jaren cumulatief ongeveer vijf miljard euro. Ook wordt de fiscale facilitering om individueel te sparen voor het pensioen gelijkgetrokken met de fiscale facilitering die mensen die via hun werkgever sparen. Zo krijgen zelfstandigen meer mogelijkheden om pensioen op te bouwen. Dit kost structureel 100 miljoen euro per jaar. Ook wordt het mogelijk gemaakt om een gedeelte van de pensioenuitkering als bedrag ineens op te nemen, wat weer 20 miljoen euro per jaar oplevert.

Duurzame inzetbaarheid werknemers
Daarnaast stelt het kabinet incidenteel 800 miljoen euro beschikbaar. Dit bedrag wordt in overleg met de sociale partners ingezet voor maatwerk op sectoraal of cao-niveau. Deze middelen worden onder andere gebruikt om werknemers duurzaam inzetbaar te houden, langer doorwerken te faciliteren en knelpunten te verminderen bij het realiseren van regelingen die vrijgesteld zijn van RVU-heffing. De kosten voor de gedeeltelijke vrijstelling van de Regeling voor Vervroegde Uittreding (RVU)-heffing bedragen incidenteel 225 miljoen euro. Met de gedeeltelijke vrijstelling in de RVU kunnen werknemers eerder stoppen met werken doordat de werkgevers de periode tot aan de AOW-leeftijd kunnen helpen overbruggen. Tot slot is er een structureel budget van 10 miljoen euro per jaar voor duurzame inzetbaarheid.

Investeren in kennisontwikkeling, research & development
Door verschillende ontwikkelingen staat het Nederlandse verdienvermogen onder druk. Door onder andere de vergrijzing, lagere productiviteitsgroei en nieuwe technologieën, zullen de samenleving en economie er in de toekomst anders uitzien dan nu. Om Nederland voor te bereiden op deze ontwikkelingen, onderzoekt het kabinet mogelijkheden om verder te investeren in kennisontwikkeling, research & development en innovatie en infrastructuur. Daarmee werken het kabinet niet alleen aan de welvaart nu, maar ook aan die op de lange termijn.

Meer banen en hogere lonen zorgen voor meer loon- en inkomensheffing.
Dat geldt ook voor hogere winsten van zelfstandigen en minder hypotheekrenteaftrek door de gedaalde rente. De economische ontwikkeling zorgt in 2019 voor 6,1 procent en in 2020 voor een 4,4 procent hogere loon- en inkomensheffing. Vanaf 2008 zijn de lasten op arbeid gestegen. Zonder de plannen van dit kabinet zouden deze lasten verder stijgen, aldus de nota.

Het kabinet verlaagt de lasten op arbeid, waardoor de loon- en inkomensheffing 3,9 miljard euro lager uitkomt in 2020. Zo wordt (meer) werken lonend(er), wat een positief effect heeft op zowel de koopkracht van werkenden als op de arbeidsparticipatie. Het kabinet bereikt dit onder meer door een tweeschijvenstelsel (met lagere tarieven) in te voeren in box 1 van de inkomstenbelasting en door een hogere algemene heffingskorting en arbeidskorting.

Door de in het Regeerakkoord vastgelegde lastenverlichting voor 2021 naar voren te halen verlagen de maatregelen van het kabinet de ontvangsten uit de loonheffing in 2020 extra sterk, bovenop verlaging met 4,4 miljard euro in 2019. Daardoor daalt de komende jaren het aandeel van de loon- en inkomensheffing (als procent van het bbp).

Maatregelen voor meer balans tussen vast en flexibel werk
De Nederlandse arbeidsmarkt kent veel flexwerkers. In internationaal opzicht werken in Nederland uitzonderlijk veel mensen in een flexibel dienstverband of als zelfstandige zonder personeel. Zij dragen bij aan de concurrentiekracht, dynamiek en flexibiliteit van de Nederlandse arbeidsmarkt en economie. Toch zijn er ook zorgen.

De heterogeniteit onder met name zzp’ers is groot en hoewel het met veel van hen goed gaat is er ook een groep (schijn)zelfstandigen ontstaan die grote onzekerheid ervaart over werk en inkomen. Die zzp’ers bevinden zich aan de onderkant van de arbeidsmarkt waar ze zonder bodem concurreren op beloning en arbeidsvoorwaarden. Met elkaar, maar ook op een ongelijk institutioneel speelveld met werknemers. Dat leidt tot neerwaartse druk op het inkomen en de arbeidsvoorwaarden van zowel zzp’ers als van werknemers die met zzp’ers moeten concurreren. Zo is slechts 20 procent van de zzp’ers verzekerd tegen arbeidsongeschiktheid en kennen zelfstandigen een veel hoger armoederisico dan werknemers. Er zijn daarnaast aanwijzingen dat de toename van het aantal zzp’ers druk uitoefent op de ontwikkeling van de arbeidsproductiviteit in Nederland. Het kabinet treft daarom een breed pakket aan maatregelen om ongewenste effecten van de toename van flexibele dienstverbanden en zelfstandigen tegen te gaan door de institutionele verschillen tussen groepen te verkleinen. Zo verkleint de Wet Arbeidsmarkt in Balans (WAB), die begin 2019 werd aangenomen, de verschillen tussen vast en flexibel werkenden.

Minimumtarief voor zzp’ers vanaf 2021
Ook introduceert het kabinet vanaf 2021 een minimumtarief van 16 euro per uur voor zzp’ers. Voor die laatste groep geldt bovendien dat de zelfstandigenaftrek vanaf 2020 in jaarlijkse stappen van 250 euro wordt teruggebracht tot 5000 euro. Tegelijkertijd wordt de arbeidskorting in 2020, 2021 en 2022 stapsgewijs verhoogd, waardoor effectief de fiscale verschillen tussen zelfstandigen en werknemers worden verkleind, maar zelfstandigen er in de kabinetsperiode niet op achteruit gaan. Dit past, evenals het minimumtarief en de maatregelen die worden genomen met de WAB, in het bredere streven van het kabinet om toe te werken naar een situatie waarin niet instituties en kosten bepalend zijn voor de vorm waarin arbeid wordt aangeboden, maar de aard van het werk dat gedaan moet worden en de behoeften/wensen van werkgevers en werkenden. Met deze maatregelen wordt een antwoord geboden op enkele urgente knelpunten op de Nederlandse arbeidsmarkt, maar die is daarmee nog niet af.

De Commissie Regulering van Werk onderzoekt welke meer fundamentele aanpassingen nodig zijn om het arbeidsmarktbeleid toekomstbestendig te maken. Naar verwachting verschijnt het advies van de commissie eind 2019.

Beleid tegen arbeidsmarktdiscriminatie
Wanneer de arbeidsmarkt minder toegankelijk is voor bepaalde groepen, kunnen zij zich minder goed ontwikkelen. Dat is een aandachtspunt: uit onderzoek blijkt dat veel Nederlanders discriminatie ervaren bij het zoeken van werk of op de werkvloer, bijvoorbeeld op grond van huidskleur, leeftijd of bij zwangerschap. Om ervoor te zorgen dat iedereen in Nederland een eerlijke kans heeft op de arbeidsmarkt, heeft het kabinet het Actieplan Arbeidsmarktdiscriminatie 2018 ‒ 2021 in gang gezet.

Bron: Rijksoverheid, 17 september 2019, zie ook het persbericht

Zie ook
Ingrijpende maatregelen nodig voor herstel balans arbeidsmarkt
Zelfstandigenaftrek wordt afgebouwd
Meer mogelijkheden voor aanpak discriminatie op arbeidsmarkt