"Voor futureproof ondernemen in flex"
SLUIT MENU

Dit is nieuwe wetgeving waar uitzenders in 2024 mee te maken krijgen

Minister Karien van Gennip (SZW) mag dan demissionair zijn, zolang er nog geen opvolger is, zet zij haar plannen om flexwerk aan banden te leggen gewoon door. Ook in 2024. Een overzicht van de status van wetgeving waar uitzenders en andere intermediairs mee te maken krijgen.

Wet verbetering zekerheid flexibele arbeidskrachten

Grootste impact voor uitzenders heeft ongetwijfeld het wetsvoorstel Meer zekerheid flexwerkers. Dit omvat deze drie concrete maatregelen:

  1. Positie oproepkrachten versterken door het afschaffen van nulurencontracten; deze worden vervangen door (vaste en tijdelijke) basiscontracten met een minimumaantal uur waarvoor werkenden worden ingeroosterd en betaald krijgen.
  2. Positie uitzendkrachten verbeteren door inperking uitzendtermijn; de maximale termijn van Fase A wordt verkort van 78 weken naar 52 weken, waarbij geen afwijkingen per CAO meer mogelijk zijn. (Dit is overigens al in de huidige Uitzend CAO bepaald). En de maximale termijn van Fase B gaat van 6 contracten in 4 jaar naar 6 contracten in 2 jaar. Na deze periode moet de uitzendkracht een vast contract krijgen bij het uitzendbureau. En er zal geen mogelijkheid meer zijn via cao hiervan af te wijken, wat betekent dat de uitzendtermijn (Fase A en B) maximaal 3 jaar wordt.
  3. Draaideurconstructies voorkomen; de onderbrekingstermijn waarna een werkgever iemand opnieuw in tijdelijke dienst mag nemen, gaat naar 5 jaar (die tussenpoos is nu nog 6 maanden). De termijn van 5 jaar geldt straks ook bij fase A en B bij uitzenden. Voor scholieren en studenten met een bijbaan gaan andere regels gelden. Ook voor seizoensarbeid blijft een uitzondering gelden; per cao kan een onderbrekingstermijn van 3 maanden worden afgesproken voor functies die maximaal 9 maanden per jaar kunnen worden uitgeoefend.

De status van dit wetsvoorstel is dat de internetconsultatie afgelopen najaar is afgerond. Na mogelijke aanpassingen op basis van het commentaar, gaat het concept-wetsvoorstel naar de Tweede Kamer. 

Niet-controversieel verklaard

Minister Van Gennip kan ondanks haar demissionaire status doorgaan met de voorbereiding van de wet, omdat het onderwerp niet-controversieel is verklaard na de val van het kabinet. De Tweede Kamer zal het wetsvoorstel dus gewoon behandelen. Gezien de brede politieke steun voor strengere regelgeving voor flex, is de verwachting dat ook de nieuwe Tweede Kamer in een grote meerderheid de arbeidsmarktplannen van Van Gennip zal steunen. Uitzenders moeten er dus zeer ernstig rekening mee houden dat deze wet dit jaar zal worden aangenomen. 

Wet ‘toelating terbeschikkingstelling van arbeidskrachten’ (Wtta)

Minister van Gennip wilde aanvankelijk een certificeringsplicht voor uitzenders invoeren. Maar na forse kritiek van de Raad van State en brancheorganisaties kwam zij met een alternatief: een toelatingsstelsel voor uitzendbureaus en andere bedrijven die arbeidskrachten ter beschikking stellen conform de WAADI. Dit geldt dus voor uitzendbureaus die hun eigen uitzendkrachten plaatsen bij opdrachtgevers maar daarnaast ook voor doorleners, payrollers en detacheerders. 

Malafide uitzenders weren

Idee hierachter is dat in dit nieuwe stelsel uitzendbureaus (uitleners) alleen op de markt mogen opereren als zij officieel zijn toegelaten. En bedrijven die gebruik maken van uitzendbureaus (inleners) mogen alleen zaken doen met bureaus die daadwerkelijk toegelaten zijn tot de markt. Doel is malafide uitzenders weren van de markt en daarmee misstanden bij (met name) de inzet van arbeidsmigranten voorkomen (in lijn met aanbevelingen van de Commissie Roemer).

Inhoud wetsvoorstel

In dit wetsvoorstel Wet ‘toelating terbeschikkingstelling van arbeidskrachten’ (Wtta) staat onder meer dat het bemiddelingsbureau een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) moet indienen, een waarborgsom van € 100.000,- moet overmaken en moet kunnen aantonen dat het bureau het juiste loon en belastingen betaalt. Om te worden toegelaten tot de markt is een goedgekeurd inspectierapport nodig. Daarvoor moet de uitlener aantoonbaar voldoen aan een normenkader dat bestaat uit vijf onderdelen, waaronder het SNA-keurmerk.

Periodiek zal (door de Arbeidsinspectie) worden gecontroleerd of de uitzendbureaus zich aan de regels blijven houden. Het toezicht houdt onder andere in dat de Arbeidsinspectie boetes kan opleggen aan uitleners die zonder toelating arbeidskrachten ter beschikking stellen, en aan inleners die arbeidskrachten inlenen van niet-toegelaten uitleners.

Stand van zaken en tijdpad

Afgelopen oktober stuurde de minister het wetsvoorstel ‘Wet toelating terbeschikkingstelling van arbeidskrachten’ (Wtta) naar de Tweede Kamer. 

De Wtta ligt momenteel dus voor behandeling bij de Tweede Kamer. Experts verwachten dat ook deze wet er doorheen komt. Zonder vertraging treedt de Wtta dan per 1 januari 2026 in werking. Vanaf die datum start dus de handhaving. Dat lijkt ver weg, maar dat is het niet. Je moet als uitlener de aanvraag voor toelating uiterlijk vóór 1 juli 2025 bij de toelatende instantie indienen.

Het wetsvoorstel bevat ook overgangsrecht om – in aanloop naar de inwerkingtreding van de toelatingsplicht per 1 januari 2026 – uitleners te stimuleren om vóór 1 juli 2025 een toelating aan te vragen en zich, in aanloop daarnaartoe, vrijwillig te laten certificeren door de Stichting Normering Arbeid (SNA). 

Wet toezicht gelijke kansen bij werving en selectie

De Wet Toezicht gelijke kansen bij werving en selectie verplicht werkgevers en intermediairs om een werkwijze te hebben die gericht is op het voorkomen van discriminatie bij werving en selectie van werknemers.
De wet schrijft voor dat werkgevers met 25 of meer werknemers deze werkwijze schriftelijk moeten vastleggen. Ook intermediairs (denk daarbij aan uitzendbureaus en payrollbedrijven) moeten een dergelijke werkwijze hebben. 

Vergewisplicht 

Er komt ook een ‘vergewisplicht’. Wanneer een werkgever (of intermediair) een derde partij inschakelt voor de werving en selectie (dat kan ook een geautomatiseerd systeem zijn) dan is de werkgever (of intermediair) verplicht zich ervan te ‘vergewissen’ dat die derde partij de wet op een juiste manier naleeft. Oftewel, een goede werkwijze heeft tegen arbeidsmarktdiscriminatie.

Meldplicht 

Voor intermediairs geldt er dan ook nog een meldplicht. Intermediairs moeten beschikken over een procedure voor het omgaan met discriminerende verzoeken van hun klanten. Intermediairs worden verplicht (vermoedelijke) arbeidsmarktdiscriminerende verzoeken te melden bij de Arbeidsinspectie.

Lees ook: Wet toezicht gelijke kansen bij werving en selectie, wat houdt het in?

De Inspectie SZW ziet erop toe dat werkgevers een dergelijke werkwijze hebben. Als die ontbreekt, kan de Inspectie daarvoor een boete opleggen, die vervolgens ook openbaar wordt gemaakt. Het doel is om werkgevers bewuster te maken van arbeidsmarktdiscriminatie. De Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet) en de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (Waadi) worden voor dit wetsvoorstel aangepast.

Het voorstel voor de wet Toezicht gelijke kansen bij werving en selectie ligt momenteel in behandeling bij de Eerste Kamer. De wet is dus nog niet aangenomen en nog niet van kracht.

Wet Verduidelijking Beoordeling Arbeidsrelaties en Rechtsvermoeden (VBAR)

De Wet Verduidelijking Beoordeling Arbeidsrelaties en Rechtsvermoeden (VBAR) kan worden gezien als de opvolger van de omstreden Wet DBA.
Doel van het voorstel is om schijnzelfstandigheid te voorkomen en handhaving beter mogelijk te maken. De wet beoogt namelijk te verduidelijken wanneer een werkende ingehuurd kan worden als zzp’er en is bedoeld om mensen die werken voor een uurtarief lager dan € 32,24 betere bescherming te bieden.

De wet bestaat uit twee onderdelen: 

  1. Het eerste deel beoogt te verduidelijken wanneer iemand ingehuurd kan worden als zzp’er. Daarvoor zijn drie type criteria opgesteld. A. Krijgt iemand werkinstructies? B. Is iemand ‘ingebed’? C. Is er sprake van ondernemerschap (binnen de opdracht)?
    Indien A en B geheel ontbreken, dan kan een opdracht uitgevoerd worden door een zzp’er. Indien A en/of B (deels) aanwezig is, dan dient naar C te worden gekeken. Indien criteria C niet zwaar genoeg tegenwicht biedt, dan kan een opdracht niet ‘buiten dienstbetrekking’ gedaan worden.
  2. Het tweede deel moet zzp’ers die ingehuurd worden voor een uurtarief van onder de € 32,24 per uur betere bescherming bieden. Als een zakelijke opdrachtgever een zzp’er minder dan 32,24 per uur betaalt, bestaat een ‘rechtsvermoeden van werknemerschap’ en mag deze zzp’er werknemersrechten opeisen

Lees ook: ZiPtalk explainer: Verduidelijking Beoordeling Arbeidsrelaties en Rechtsvermoeden

Het is nog lang niet zeker of deze wet er komt. Een voorstel voor deze wet is nog niet ingediend bij de Tweede Kamer. De conceptwet VBAR is door minister Van Gennip in november ’23 ter internetconsultatie voorgelegd. Dit leverde een recordaantal kritische reacties op van vrijwel alle relevante brancheorganisaties. Met name het eerste deel van de wet stuit om stevige weerstand, zowel in de politiek als bij vertegenwoordigers van werkgevers en de flexbranche.

Demissionair minister Van Gennip moet, na analyse en beoordeling van alle reacties, nog komen met een inhoudelijk reactie. Een overleg met de (nieuwe) Tweede Kamer over haar zzp-beleid staat gepland op 25 januari 2024. 

Redactie van Flexnieuws - interviews, artikelen, aankondigingen en persberichten.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *