"Voor futureproof ondernemen in flex"
SLUIT MENU

Aantal flexwerkers groeit weer, maar verschuiving binnen de flexschil zet door

Volgens nieuwe CBS-cijfers telt Nederland voor het derde kwartaal op rij meer werknemers met een flexibele arbeidsrelatie. Tegelijkertijd zet de verschuiving van externe inhuur naar tijdelijke contracten en oproepwerk binnen organisaties verder door.

Voor het derde kwartaal op rij telt Nederland meer flexwerknemers dan een jaar eerder. Volgens nieuwe cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) hadden in het eerste kwartaal van 2026 ruim 2,7 miljoen werknemers een flexibele arbeidsrelatie, 63.000 meer dan een jaar eerder. Tegelijkertijd neemt het aantal zelfstandigen verder af.

De stijging van het aantal flexwerknemers volgt op een periode waarin het aantal flexwerknemers juist kromp. In heel 2024 en de eerste helft van 2025 daalde het aantal flexwerknemers elk kwartaal ten opzichte van een jaar eerder. Sinds de tweede helft van 2025 is die trend omgeslagen.

Volgens het CBS komt de groei vooral voor rekening van werknemers met een tijdelijk contract zonder uitzicht op een vast dienstverband en van oproep- en invalkrachten. Het aantal uitzendkrachten en werknemers met een tijdelijk contract mét uitzicht op een vast dienstverband daalde juist.

Meer interne flexibiliteit, minder externe inhuur

De ontwikkeling sluit aan bij een trend die FlexNieuws sinds de zomer van 2025 signaleert. In zijn kwartaalanalyses maakt hoofdredacteur Wim Davidse onderscheid tussen de interne flexschil (tijdelijke werknemers en oproepkrachten) en de externe flexschil (bestaande uit uitzendkrachten, gedetacheerden en zelfstandigen). Sinds de start van de handhaving van de Wet DBA begin 2025 is volgens die analyses sprake van een duidelijke verschuiving van externe inhuur naar interne flex. 

Na de publicatie van de cijfers over het tweede kwartaal van 2025 constateerde Davidse al: “Werkgevers waarderen hun wendbaarheid, en hebben die in Q2 vooral in hun interne flexschil gezocht: meer mensen met een tijdelijk contract met uitzicht op vast, meer mensen met een contract korter dan een jaar en (vooral) meer oproepkrachten. En met alle turbulentie en onzekerheid in de externe omgeving, lijkt dat niet meer dan logisch. Rest de vraag: hoe kan de flexbranche daar meer van gaan profiteren?”

Ook in zijn analyse van het eerste kwartaal van 2026 zag hij dezelfde beweging terug: “Het is duidelijk dat werkgevers in de turbulente context van 2026 blijven hechten aan de flexibiliteit en wendbaarheid van hun personeelsbestanden. De invulling daarvan verschuift al sinds begin 2025 van de externe naar de interne flexschil. De flexbranche is veel harder gekrompen dan de totale flexschil. Het is dus aan de flexbranche om te ontdekken hoe beter van die blijvende flexbehoefte te gaan profiteren.”

Aantal zelfstandigen daalt verder

Naast de verschuiving binnen de flexibele arbeidsmarkt valt vooral de verdere daling van het aantal zelfstandigen op. In het eerste kwartaal van 2026 werkten bijna 1,5 miljoen mensen als zelfstandige, 88.000 minder dan een jaar eerder. Vooral het aantal zzp’ers nam af.

Daarmee daalt het aantal zelfstandigen inmiddels voor het vijfde kwartaal op rij. Tegelijkertijd groeit het aantal werknemers met een vast contract nog steeds, zij het minder hard dan in eerdere kwartalen.

Volgens het CBS hadden ruim 9,8 miljoen mensen betaald werk, 35.000 meer dan een jaar eerder. De groei van de werkgelegenheid vlakt echter af. In mei daalde het aantal werkenden zelfs licht.

Oproepkrachten trekken groei flexwerk

Een belangrijk deel van de groei van het aantal flexwerknemers komt van oproep- en invalkrachten. In het eerste kwartaal van 2026 waren dat er volgens het CBS ruim één miljoen.

Hoewel jongeren nog altijd de grootste groep vormen, groeit het aantal oproepkrachten juist sterk onder werknemers van 25 jaar en ouder. Van de ruim één miljoen oproep- en invalkrachten zijn inmiddels ongeveer 275.000 mensen ouder dan 25 jaar.

Dat is opvallend, omdat juist deze groep mogelijk geraakt wordt door nieuwe wetgeving. Het kabinet wil vanaf 2028 nulurencontracten voor de meeste oproepkrachten vervangen door zogenoemde bandbreedtecontracten, waarin een minimum- en maximumaantal uren wordt vastgelegd. Alleen jongeren, studenten en AOW-gerechtigden zouden nog op basis van een nulurencontract mogen werken.

Kansen voor de flexbranche?

Ondanks de groei van het aantal flexwerknemers is de totale flexschil (intern plus extern) iets kleiner geworden. In het eerste kwartaal van 2026 hoorde 37,6 procent van de werkzame beroepsbevolking tot de flexschil, tegen 37,9 procent een jaar eerder. Het aandeel werknemers met een vast contract steeg van 56,8 naar 57,2 procent. Het op één hoogste aandeel in meer dan twaalf jaar.

Volgens Davidse hoeft de voorgenomen afschaffing van nulurencontracten niet per definitie slecht nieuws te zijn voor de flexbranche. “Zodra en voor zover de nulurencontracten verdwijnen en worden vervangen door bandbreedtecontracten (maar dus niet in het geval van scholieren, studenten, jongeren en AOW’ers, samen duidelijk veruit de grootste groep van de oproepkrachten) zal de complexiteit en onduidelijkheid voor werkgevers toenemen en de aantrekkelijkheid afnemen, wat mogelijkheden kan bieden voor uitzendbureaus en detacheerders.”

Redactie van Flexnieuws - interviews, artikelen, aankondigingen en persberichten.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *