"Voor futureproof ondernemen in flex"
SLUIT MENU

Economie en werkgelegenheid groeien nog wat in Q2, flexbranche sterk gekrompen

De Nederlandse economie en arbeidsmarkt gaan hun slakkengangetje, schrijft Wim Davidse. De economie groeide in het tweede kwartaal nog iets minder dan in het eerste kwartaal, en dat gold ook voor de totale werkgelegenheid, althans, gemeten in het aantal werkzame personen. Want het totale aantal gewerkte uren liet de sterkste krimp zien sinds eind 2020. En net als in het eerste kwartaal kwam die krimp weer volledig voor rekening van de zelfstandigen en de flexbranche. En net als in de afgelopen kwartalen bleven werkgevers vasthouden aan hun wendbaarheid, door uitbreiding van hun interne flexschil.

De economie is in het tweede kwartaal van 2026 met +1,3% gegroeid ten opzichte van een jaar eerder – de laagste groei in exact twee jaar. De werkgelegenheid gemeten in personen tussen 15 en 75 jaar die in Nederland werken en wonen (de zogenoemde werkzame beroepsbevolking) groeide met +0,1% – maar let op: met een fractie krimp in de maanden mei en juni. En net als in het eerste kwartaal bleek ook nu weer: terwijl er dus iets meer mensen werkten, werkten zij in totaal minder uren: -0,8% ten opzichte van een jaar eerder. Dat blijkt uit de cijfers die het CBS op 30 juli publiceerde.

Flexbranche krijgt nu flinke klap, tijd voor innovaties breekt aan

Nadat het CBS weer een aantal correcties had doorgevoerd in de afgelopen maanden en weken, bleek de flexbranche (gemeten in uren) in de tweede helft van 2025 te zijn gegroeid en maar een beetje gekrompen in het eerste kwartaal (-1,4%). Die krimp is flink sterker geworden in het tweede kwartaal van 2026: -6,7%, de sterkste krimp sinds de zomer van 2024. De totale urenkrimp in Q2 was daarmee zelfs groter dan de -5,8% van de ABU marktmonitor.

In de onderstaande grafiek, met de flexbranche-uren per kwartaal vanaf 1995, is de stevige krimp van de uren in de afgelopen kwartalen goed te zien. Drie opvallende zaken: ten eerste is dit krimp zonder recessie, ten tweede is het ongebruikelijk dat er in Q2 minder uren worden ingehuurd dan in Q1 en ten derde is het aantal flexbranche-uren van Q2 (196 miljoen) het kleinste aantal in meer dan 10 jaar (sinds de 192 miljoen van 2015 Q3).

Het aandeel van de flexbranche-uren in de totaal gewerkte uren kwam in Q2 uit op 5,3%, het laagste aandeel sinds Q1 2014.

Het is duidelijk dat er geen sprake is van flex-herstel. Dat lijkt, met de blijvend onzekere politieke, maatschappelijke, geopolitieke en economische omstandigheden, en de dus hoogstwaarschijnlijk voortdurende pauze op de arbeidsmarkt, in combinatie met de krapte op de arbeidsmarkt, voorlopig ook niet in zicht.

Het lijkt ook steeds duidelijker te worden dat de op 1 januari van dit jaar in werking getreden cao’s voor uitzendkrachten en voor detachering het vorig jaar ingezette herstel de kop in hebben gedrukt.

Je mag zelfs voorzichtig concluderen dat Peak Flex echt achter ons ligt (in Q3 2018) – dat we aan de afdaling van de S-curve zijn begonnen, en het tijd wordt voor enerzijds optimalisaties en anderzijds – vooral – innovaties.

Flexbehoefte blijft, verschuift verder naar de interne flexschil

De flexbranche-uren zijn dus met -6,7% gekrompen, terwijl het aantal door zelfstandigen gewerkte uren in Q2 met -4,2% is gekrompen – nu toch iets minder krimp dan in de afgelopen 2 kwartalen (met zelfs -6,1% in Q1, wat de  sterkste krimp sinds de corona-lockdowns van 2020 was). Het door werknemers (in vaste dienst of met tijdelijke dienstverbanden, niet: uitzendkrachten en gedetacheerden) gewerkte aantal uren groeide daarentegen met +0,7% – wat wel ongeveer nog maar de helft van het groeitempo van de afgelopen 4 kwartalen was.

Niet in uren, maar in personen gemeten zien we nog het volgende:

  • Het aantal werknemers met een vast contract groeide nog met +0,9% – weer wat minder sterk dan in de voorgaande kwartalen (nog +1,1% in Q1), maar wel harder dan de +0,1% van de totale werkzame beroepsbevolking. Hun aandeel in die groep groeide dan ook van 56,7% een jaar geleden naar 57,2% nu – hetzelfde niveau als in Q1.
  • Het aantal werknemers in de interne flexschil (vooral tijdelijke werknemers en oproepkrachten) groeide met +2,2% duidelijk harder dan het aantal vaste contracten (maar minder dan de +3,3% in Q1), naar een aandeel van 24,5%; dat was een jaar eerder nog 24,0% en in Q1 24,2%.
  • Het aantal uitzendkrachten en gedetacheerden werd net als in Q1 -4,1% kleiner, dus ook nu weer wat minder krimp dan het gemiddelde van de voorgaande 2 jaren (-4,7%), en omvat nu nog steeds 3,4% van alle werkenden – wel het allerlaagste percentages van deze eeuw, zelfs lager dan tijdens de corona-lockdowns (de piek lag in Q4 2016 op 5,4%).
  • In Q2 waren er nog 953.000 zzp’ers (eigen arbeid), wat minder dan de 974.000 in Q1 – eind 2024, dus voordat de handhaving van de Wet DBA van start ging, piekte hun aantal op 1.091.000 – nu dus 138.000 minder, ofwel -12,6%. Ten opzichte van een jaar eerder ging de krimp met -6,7% wederom iets minder hard dan in het vorige kwartaal (in Q1 nog -7,8%, in Q4 2025 zelfs nog -8,0%, wat toen het sterkste jaar-op-jaar zzp-krimppercentage van deze eeuw was). Hun aandeel in de werkzame beroepsbevolking zakte verder, naar 9,7% – dat was nog 11,1% in Q4 2024.
  • De externe flexschil omvatte daarmee in Q2 13,0% van de werkzame beroepsbevolking, een flinke tuimeling sinds de 14,8% van Q4 2024, die bijna volledig voor rekening van de zzp’ers komt, en voor een klein deel door de krimp van uitzenden en detacheren. (Piek: 14,9% in Q4 2022.)
  • Al met al omvatte de totale flexschil in Q2 net als in Q1 nog 37,6% van de werkzame beroepsbevolking, wat minder dan de 37,9% van een jaar eerder. (Piek: 40,4% in Q2 2017.)

Per kwartaal wordt de flex-verschuiving duidelijker

Met de veranderingen van de aantallen personen per arbeidscontractvorm per kwartaal ten opzichte van een jaar eerder samengevat in een grafiek, wordt wederom de impact van de handhaving van de Wet DBA op het aantal zzp’ers eigen arbeid goed zichtbaar. Dat aantal is begin 2025 direct gekrompen, eerst elk kwartaal wat sneller, maar in Q2 weer wat minder dan in Q1 – of dat alweer een trendbreuk is, of een seizoenseffect, of wat anders, dat zal de komende kwartalen moeten blijken.

Ook wordt duidelijk dat werkgevers niet super enthousiast zijn over vaste contracten: de groei daarvan is, ook in absolute aantallen, weer wat minder sterk geworden. Het aantal vaste contracten is, net als in Q1, minder hard gegroeid dan het aantal mensen in de interne flexschil.

Werkgevers blijven voordeel zien in flexibele arbeid, maar dat komt dus niet ten goede van de externe inhuur (uitzendkrachten, gedetacheerden en zzp’ers eigen arbeid), maar van de interne flexschil.

Of anders samengevat:

Het is ook in Q2 2026 duidelijk dat werkgevers in de turbulente context blijven hechten aan de flexibiliteit en wendbaarheid van hun personeelsbestanden. De invulling daarvan verschuift al sinds begin 2025 van de externe naar de interne flexschil. De flexbranche is ook in dit kwartaal weer veel harder gekrompen dan de totale flexschil – de vraag blijft dus hoe de flexbranche kan gaan profiteren van die blijvende flexbehoefte.

Wim Davidse is director Trends & Insights bij ZiPmedia, hoofdredacteur van FlexNieuws en toekomstverteller en strategisch prestatie-adviseur.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *