Eerste Kamer stemt in met wet rechtsvermoeden bij laag tarief Geplaatst 17 juni 2026 door Redactie FlexNieuws De Eerste Kamer stemde deze week in grote meerderheid voor de invoering van de wet. Alleen FvD stemde tegen. Minister Thierry Aartsen (Werk en Participatie, VVD) heeft de wet los geknipt van de bredere Wet Verduidelijking Beoordeling Arbeidsrelaties en Rechtsvermoeden (VBAR), die het kabinet niet verder uitwerkt, zodat dit onderdeel sneller in werking kan treden. Wat regelt de wet De wet introduceert een rechtsvermoeden van het bestaan van een arbeidsovereenkomst voor zzp’ers die minder dan 38 euro per uur verdienen. Peildatum voor dit tarief is 1 januari 2026. Het tarief groeit mee met het minimumloon en komt – bij invoering van de wet – in 2027 waarschijnlijk te liggen op 39 euro. Zzp’ers die onder deze grens werken via de rechter een beroep doen op dit rechtsvermoeden. De bewijslast wordt daarmee omgedraaid: niet de werkende hoeft aan te tonen dat hij werknemer is, maar de opdrachtgever moet aantonen dat er sprake is van echte zelfstandigheid. Lukt dat niet dat krijgt de werkenden de rechten en bescherming die hoort bij een arbeidsovereenkomst, zoals vakantiegeld, loondoorbetaling bij ziekte, ontslagbescherming en pensioenopbouw. Naar schatting werken momenteel zo’n 150.000 zzp’ers voor een tarief onder de grens. Lees ook :Rechtsvermoeden werknemerschap geldt ook bij stuksprijs en totaalprijs — maar bewijslast ligt bij de zzp’er Geen verbod, wel een stok achter de deur Het is uitdrukkelijk geen minimumtarief of verbod. Aartsen benadrukte bij de behandeling in de Tweede Kamer: ook onder de 38 euro kun je gewoon zzp’er zijn, als de arbeidsrelatie dat rechtvaardigt. De wet past de inhoudelijke criteria voor de kwalificatie van een arbeidsrelatie niet aan. Die blijven gebaseerd op de uitspraken van de Hoge Raad in de Uber- en Deliveroo-zaken. Alleen de werkende zelf, of een vertegenwoordiger namens hem, kan een beroep doen op het rechtsvermoeden. De Belastingdienst, Arbeidsinspectie en het UWV kunnen er niets mee. Aartsen heeft wel toegezegd te laten onderzoeken of de Arbeidsinspectie alsnog een rol kan krijgen bij handhaving rond de tariefsgrens. Preventieve werking Het kabinet verwacht dat de wet niet alleen in de rechtszaal effect heeft. Door de bewijslast bij de opdrachtgever te leggen, moeten beide partijen vooraf kritischer kijken of de constructie juridisch standhoudt. Dat moet er op termijn toe leiden dat kwetsbare werkenden minder snel in een situatie van schijnzelfstandigheid terechtkomen. De wet fungeert dus als steun in de rug voor de werkende en als normerende prikkel. Mogelijk zorgt het ook voor een positief effect ricthing uitzendwerk. Wat nu Met de instemming van de Eerste Kamer kan de wet per 1 januari 2027 in werking treden. Ondertussen werkt Aartsen door aan de bredere Zelfstandigenwet, die meer duidelijkheid moet bieden over het inhuren van zzp’ers in het algemeen. Die wet verwacht hij op zijn vroegst op 1 januari 2028 in te kunnen voeren. Geplaatst in In de wet, Rechtspraak | Reacties uitgeschakeld voor Eerste Kamer stemt in met wet rechtsvermoeden bij laag tarief
‘Grootte zegt niets over groei’ Geplaatst 17 juni 2026 door Steven Gudde Enkele weken geleden was het weer zover. De publicatie van de FlexNieuws Top 100. Dé ranglijst van onze sector. De meetlat waarlangs iedereen zichzelf legt. Gegroeid, gekrompen? Gestegen, gedaald? Zitten we in de top 10, 20, 30, 40, 50? En niet te vergeten: ‘waar staat die ander?’ Elk jaar weer. Ik smul ervan. Dat geldt eigenlijk voor elk onderzoek of ranglijst: natuurlijk ga je na publicatie direct op zoek naar jezelf. Ook in de FlexNieuws Top 100 2026. Wat dat gedrag betreft ben ik nog net zo ver als bij mijn eerste klassenfoto: hoe sta ik erop? Hoe doen die anderen het? En hoe bleek steek ik af bij de populaire jongens van de klas? En eerlijk, daar kwam ik nooit zo goed vanaf. Om daarna op zoek te gaan naar verzachtende en verklarende omstandigheden om mezelf wijs te maken dat het allemaal niet belangrijk was. En ik vermoed dat dit geldt voor de meesten onder ons. Maar goed, die FlexNieuws Top100 2026 dus. Iedereen vindt zijn eigen gelijk Net als ongetwijfeld iedereen trek ik de conclusies die mij het beste uitkomen. Iedereen is zijn eigen winnaar. Met de bijbehorende social posts over het hoe en wat. Iedereen heeft zijn eigen gelijk. Dit bedoel ik helemaal niet zo zuur als het hierboven wellicht klinkt. Als het wel zo voelt? Mijn welgemeende excuses. Zo werken lijstjes nou eenmaal. Dat maakt ze nou juist zo leuk. Iedereen vindt daarin wat hij zoekt. Daarom blijven we het ook gewoon doen. Ik kijk nu al uit naar volgend jaar. Lees ook: Analyse FlexNieuws TOP 100: omzet grote uitzenders stabiliseert, kleine tot middelgrote uitzenders blijven groeien Verwacht van mij hier geen diepgravende analyse, verklaringen, verzachtende of versterkende omstandigheden over het hoe en wat van de lijst. Dat hebben Wim Davidse en de andere samenstellers van de FlexNieuws Top 100 2026 al voor hun rekening genomen. Daar heb ik niets zinnigs aan toe te voegen. Misschien één ding. En dat is meer een advies aan de lezers. Conclusies verbinden aan gemiddelden is maar heel beperkt zinnig en ontneemt je het zicht op wat er echt gebeurt. Neem dus alsjeblieft de tijd voor de grondige analyses van FlexNieuws en blijf weg bij koppensnellen en (te) snelle beelden die het hele plaatje verdoezelen. Je zou zomaar iets verkeerds kunnen concluderen. Groei volgens de oude logica Wel wil ik iets anders aankaarten dat ook dit jaar weer onbesproken bleef tijdens het FlexNieuws Top Live event. Iets dat als een graatje in mijn keel bleef steken. Wanneer je een ranglijst als deze maakt, gaat het om grootte. Omzet als ijkpunt. Groei vertaald naar totaal aantal euro’s. Meestal geplaatst naast uren. Waarbij we al tijden zien dat het totaal aantal uren in de sector wat terugloopt terwijl de omzet zo’n beetje gelijk blijft. ‘Stijgende tarieven’ is dan meestal de verklaring. De beoogde groei in deze lijst bestaat uit meer klanten, meer werkenden. Groei in uren, groei in tarief, groei in omzet. Dat alles levert een stijging op de lijst. Een onwrikbare logica bij alle aanwezigen. Je groeit als je meer doet wat je deed. Om tijdens het event gezamenlijk op zoek te gaan naar de sleutels van deze groei. Het leverde mooie en zinnige inzichten op. Waardevolle bespiegelingen over AI, procesdiscipline, organisatiecultuur en leiderschap. Over hoe je binnen veranderende wet- en regelgeving ‘gewoon’ je werk kan blijven doen. Leerzaam, waardevol en zinnig. En toch… Lees ook: AI maakt ons menselijker Dat graatje bleef zitten. Het voelde niet helemaal goed. Zeker in een sector die zo onder het vergrootglas ligt. In een markt die zo fundamenteel verandert. Wij leven in een wereld die elke dag minder lijkt op die van gisteren. En in die wereld blijven wij onszelf langs dezelfde lat leggen. Uren, tarief, omzet. Om daarnaast veel tijd te besteden aan hoe wij in deze veranderende wereld hetzelfde kunnen blijven doen. Maar hoeveel AI je ook inzet: als het datgene overneemt wat jij deed, hoe slim ook, blijf je per saldo hetzelfde doen. Als je de risico’s van de wet- en regelgeving zorgvuldig mitigeert, blijf je ook hetzelfde doen. Als je vanuit gedreven leiderschap stuurt op operational excellence, blijf je hetzelfde doen. Beter, efficiënter, betrouwbaarder, sneller wellicht. Maar wel hetzelfde. Dat is stilstand! Dat is geen groei. Tijd voor een nieuwe meetlat Willen wij als sector groeien, dan moeten we ook andere dingen laten zien. Als wij ons in alle veranderingen verder moeten ontwikkelen, is daling van het totaal aantal facturabele uren wellicht heel goed denkbaar. Misschien zelfs welkom. Dan is een daling van tarief per gewerkt uur heel goed voor te stellen en wellicht zelfs een teken van ontwikkeling. Omdat je dat uurtarief van een flexkracht niet meer gebruikt om de werkelijke waarde van je dienstverlening te waarderen, maar hooguit om gemaakte kosten te verrekenen. De andere diensten worden anders verrekend. Met andere diensten, waardeproposities en adviesdiensten komen dan ook andere verrekeningen die de huidige logica van uren, tarief en omzet naar het verleden verwijzen. In dat geval ontstaat een andere ranglijst. Een nieuwe logica komt ervoor in de plaats. Eentje die in extremis misschien betekent dat een grotere omzet eerder duidt op stilstand dan groei. Want die groei zit in andere dingen. Grootte zegt dan niets over de werkelijke groei. In ieder geval niet alles. Lees ook: ABU marktmonitor: aantal uren daalt weer flink, omzet groeit Geplaatst in Branchenieuws, In de branche | Tags FlexNieuws TOP 100, Olympia | Reacties uitgeschakeld voor ‘Grootte zegt niets over groei’
Arbeidsinspectie legt miljoenenbeslag op vermogen aandeelhouder uitzendbureau in vleessector Geplaatst 16 juni 2026 door Redactie FlexNieuws De Opsporingsdienst van de Nederlandse Arbeidsinspectie heeft beslag gelegd op vermogen van de aandeelhouder van een uitzendbureau dat actief is in de slacht- en vleesverwerking. Het beslag maakt deel uit van een lopend opsporingsonderzoek dat zich richt op het uitzendbureau en zijn aandeelhouder. De verdachte wordt ervan beschuldigd ruim 2,1 miljoen euro te hebben verduisterd. Daar bovenop zou hij zo’n 2,4 miljoen euro hebben verkregen uit opbrengsten van vergelijkbare strafbare handelingen. Het totale verkregen voordeel wordt berekend op zo’n 4,5 miljoen euro. Het beslag dat nu is gelegd, heeft een geschatte totaalwaarde van circa 3,3 miljoen euro. Het gaat om bankrekeningen, een perceel en onroerend goed in Nederland, en om 20 panden in Duitsland met een gezamenlijke waarde van zo’n 2,4 miljoen euro. Het onderzoek loopt onder gezag van het Openbaar Ministerie. De aandeelhouder is eerder aangehouden; in augustus volgt de volgende regiezitting. Aanleiding De verdenking is dat arbeidsmigranten die als uitzendkrachten werkten, hun salaris niet op de eigen bankrekening kregen bijgeschreven. In de salarisadministratie van het uitzendbureau werden bankrekeningnummers gewijzigd, waarna de salarissen op andere rekeningen werden overgemaakt en vervolgens contant werden opgenomen. Die rekeningen werden vermoedelijk beheerd door medewerkers van het uitzendbureau zelf. Bij het uitzendbureau is bewust geen beslag gelegd, om de bedrijfsvoering en de loonbetaling aan uitzendkrachten niet te frustreren. Dreigend uitzendverbod Het beslag komt op een moment dat de vleessector stevig in de politieke belangstelling staat vanwege misstanden rond arbeidsmigranten die via uitzendbureaus werken. Minister Hans Vijlbrief (Sociale Zaken en Werkgelegenheid) stelde de sector eerder een deadline om aantoonbare verbeteringen te laten zien, op straffe van een sectoraal uitzendverbod. Naar verwachting neemt hij binnenkort een definitief standpunt in, na ontvangst van een nieuw rapport van de Arbeidsinspectie over de vleessector. De Arbeidsinspectie kondigt aan die rapportage nog voor de zomer openbaar te maken, om inzicht te geven in wat er de afgelopen periode is gedaan en geconstateerd in de sector. De sector zelf deze week een nieuwe voortgangsrapportage van het actieplan ‘Gezond, veilig en eerlijk werk’ aangeboden aan minister Vijlbrief. Met die rapportage wil de belangenbehartiger VleesNL laten zien dat haar leden in de afgelopen twee jaar aantoonbare stappen hebben gezet: er is enkel plek voor gecertificeerde uitzendbureaus, meer medewerkers krijgen een directe arbeidsrelatie en de veiligheid op de werkvloer verbetert structureel. Zo voldoet aan het einde van deze zomer 90% van de leden aan de doelstelling van minimaal 50% medewerkers in eigen dienst. Daarmee heeft ruim 55% van alle werknemers in de vleessector een directe arbeidsrelatie met het vleesbedrijf. Het aandeel ontslagen op staande voet is gedaald tot onder de 1%, aldus VleesNL. Geplaatst in In de wet, Rechtspraak | Reacties uitgeschakeld voor Arbeidsinspectie legt miljoenenbeslag op vermogen aandeelhouder uitzendbureau in vleessector
Hof keert uitspraak rechtbank om: Temper-werkers zijn wél uitzendkrachten Geplaatst 16 juni 2026 door Redactie FlexNieuws Is een online werkplatform dat zzp’ers en opdrachtgevers koppelt een neutraal technologiebedrijf, of is het gewoon een uitzendbureau in een nieuw jasje? Mogen receptionisten, obers en logistiek medewerkers die via een app worden ingepland worden beschouwd als zelfstandigen? En wat betekent de uitkomst van deze zaak voor andere platforms die op vergelijkbare wijze opereren? Het Gerechtshof Amsterdam deed op 16 juni 2026 uitspraak in het hoger beroep van FNV en CNV tegen Temper B.V. (ECLI:NL:GHAMS:2026:1612). Het Hof draait daarmee de uitspraak van de rechtbank Amsterdam uit juli 2024 volledig om. De kern van de zaak Aan de ene kant staan vakbonden FNV en CNV, die namens een aantal Temper-werkers optreden in een collectieve actie. Aan de andere kant staat Temper, een online platform dat zzp’ers (die het bedrijf zelf “FreeFlexers” noemt, waarvan een flink deel zich expliciet achter Temper heeft geschaard) koppelt aan opdrachtgevers voor kortdurende klussen. Denk aan horecamedewerkers, receptionisten, winkelbedienden en logistiek personeel. De inzet is fors: als de overeenkomsten die via Temper worden gesloten kwalificeren als uitzendovereenkomsten, dan valt Temper ook onder de wetgeving en cao voor uitzendkrachten. Dat betekent onder meer recht op pensioenopbouw, loondoorbetaling bij ziekte, opbouw van arbeidsrechten en de toepasselijkheid van cao-loonschalen. FNV en CNV wilde dat de rechter vaststelt dat de overeenkomsten die de Temper-werkers via het platform sluiten, uitzendovereenkomsten zijn met Temper als formele werkgever. Aanleiding De vakbonden begonnen al in het najaar van 2020 met een rechtszaak tegen Temper. Zij stelden dat de werkwijze van Temper identiek is aan die van een uitzendbureau: Temper werft, selecteert en koppelt werkers aan inleners, beheert de planning en afhandeling, en houdt stevige grip op de arbeidsrelatie via de app. In 2021 concludeerde de Nederlandse Arbeidsinspectie al dat Temper in de periode 2018-2019 feitelijk als uitzendbureau functioneerde en dat er bij sommige opdrachtgevers sprake was van een gezagsverhouding tussen Temper en de werkers. Temper paste zijn werkwijze daarna aan, wat mede ten grondslag lag aan de uitspraak van de rechtbank Amsterdam in juli 2024: die oordeelde dat onder de gewijzigde opzet geen sprake meer was van formeel werkgeversgezag van Temper, omdat de opdrachtgevers de werktijden en werkzaamheden bepalen, Temper geen loon uitbetaalt aan de werkers (dat doen de opdrachtgevers via een factoringmaatschappij), en er nauwelijks een verplichting bestond om de klus persoonlijk uit te voeren. FNV en CNV lieten het hier niet bij zitten en gingen in hoger beroep. Het verweer Temper voerde ook in hoger beroep aan dat zijn platform fundamenteel verschilt van een uitzendbureau. Het bedrijf omschrijft zichzelf als een digitaal prikbord dat vraag en aanbod bij elkaar brengt, niet als werkgever. Werkers zijn volledig vrij om klussen te accepteren of te weigeren, de opdrachtgever bepaalt wie er welk werk doet en wanneer, en de betalingsstromen lopen niet via Temper maar rechtstreeks van opdrachtgever naar werker via factoringmaatschappij Finqle. Temper wees ook op de meer dan 15.000 FreeFlexers die zelf hadden laten weten hun manier van werken te willen behouden. Bovendien beriep Temper zich op recente jurisprudentie van de Hoge Raad in het Uber-arrest als ondersteuning voor zijn standpunt dat niet elke platformconstructie automatisch leidt tot een arbeids- of uitzendovereenkomst. De afweging van de rechter Het Gerechtshof Amsterdam is het daar niet mee eens. Het Hof beoordeelt de vraag of er sprake is van een uitzendovereenkomst niet alleen aan de hand van formele criteria, maar ook op basis van de feitelijke kenmerken van de arbeidsrelatie. Waar de rechtbank in 2024 nog zwaar woog dat Temper geen formeel loon uitbetaalt en dat de opdrachtgevers de gezagsverhouding invullen, kijkt het Hof naar het geheel: Temper werft en selecteert werkers, beheert de toegang tot klussen via de app, stelt kwaliteitseisen, kan werkers van het platform weren en bepaalt de spelregels van de samenwerking. Dat zijn kenmerken die in de jurisprudentie van de afgelopen jaren, te beginnen met het Deliveroo-arrest en de Helpling-zaak, consistent zijn aangemerkt als indicatoren van een arbeidsrechtelijke constructie waarbij het platform als werkgever functioneert. Het Hof concludeert dat Temper de beschikking over de werkers heeft in de zin van de wet, dat de werkers voor rekening en risico van Temper werken, en dat de overeenkomsten dus kwalificeren als uitzendovereenkomsten. Dat de belating via een factoringconstructie verloopt doet daar in de ogen van het Hof niet aan af. De uitspraak Het Gerechtshof Amsterdam vernietigt dus het vonnis van de rechtbank en wijst de hoofdvordering van FNV en CNV alsnog toe: de overeenkomsten die via het Temper-platform worden gesloten zijn uitzendovereenkomsten. Temper kwalificeert als uitzendwerkgever en dient de cao voor uitzendkrachten toe te passen op de werkers die via zijn platform werkzaamheden verrichten. Wat dit in de praktijk betekent voor de individuele claims van werkers, loon- en cao-nabetalingen en de positie van opdrachtgevers, zal in verdere procedures of onderhandelingen moeten worden uitgewerkt. Temper kan nog in cassatie bij de Hoge Raad. In dat geval hoeft Temper de uitspraak nog niet uit te voeren, zo bepaalde het Hof. Bron: Gerechtshof Amsterdam, 16 juni 2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:1612 Geplaatst in In de wet, Rechtspraak | Reacties uitgeschakeld voor Hof keert uitspraak rechtbank om: Temper-werkers zijn wél uitzendkrachten
Uitzendbureaus krijgen meldplicht en vergewisplicht bij arbeidsongevallen Geplaatst 16 juni 2026 door Redactie FlexNieuws Met een wetswijziging wil het kabinet de verantwoordelijkheid voor veilige arbeidsomstandigheden voor uitzendkrachten beter verdelen tussen de inlener (het bedrijf dat de uitzendkracht inzet) en de uitlener (het uitzendbureau of de payroller). Beide partijen worden daarmee nadrukkelijker verantwoordelijk voor de veiligheid van uitgeleende werknemers op de werkvloer. Aanpassing Arbeidsomstandighedenwet Met de Wet invoering meld- en vergewisplicht arbeidsongevallen voor uitleners wordt de Arbeidsomstandighedenwet aangepast. De Tweede en Eerste Kamer hebben het wetsvoorstel inmiddels goedgekeurd. Aanvankelijk was de geplande invoeringsdatum 1 juli 2026 maar dat bleek niet haalbaar. De ABU zegt te verwachten dat 1 juli 2027 wel haalbaar zou kunnen zijn en noemt een eerdere datum ‘zeer onwaarschijnlijk’. Een inlener moet onder de nieuwe wet ernstige en dodelijke arbeidsongevallen met uitgeleende werknemers voortaan direct melden aan de uitlener (het uitzendbureau). Die informatieplicht komt bovenop de bestaande meldplicht richting de Nederlandse Arbeidsinspectie. Lees ook: Arbeidsinspectie over uitzendsector: 869 klachten, 74 onderzoeken Meldplicht en vergewisplicht Voor uitzendbureaus en andere uitleners brengt de wet twee belangrijke nieuwe verplichtingen mee. Ten eerste een meldplicht bij arbeidsongevallen: als een uitlener hoort van een ernstig of dodelijk arbeidsongeval met een uitgeleende werknemer, moet hij dit ook zelf melden bij de Nederlandse Arbeidsinspectie. Daarnaast krijgt de uitlener een zogenoemde vergewisplicht. Dat betekent dat hij na een arbeidsongeval actief moet nagaan wat er precies is gebeurd en of de inlener voldoende veiligheidsmaatregelen heeft genomen om herhaling te voorkomen. Lees ook: Arbeidsinspectie: bij duurzame arbeidsrelatie uitzendkrachten en arbeidsmigranten meer betrokkenheid voor veilige werksfeer Geplaatst in In de wet, Wetten & CAO’s | Tags arbeidsongevallen, Nederlandse Arbeidsinspectie | Reacties uitgeschakeld voor Uitzendbureaus krijgen meldplicht en vergewisplicht bij arbeidsongevallen