Redactie FlexNieuws 16 maart 2026 Eén reactie Print Rechtsvermoeden werknemerschap geldt ook bij stuksprijs en totaalprijs — maar bewijslast ligt bij de zzp’erEen klein deel van de zzp’ers wordt niet ingehuurd op basis van een uurprijs maar werkt met afspraken op basis van stuksprijs of een totaalprijs. Hoe zit dat dan met het rechtsvermoeden van werknemerschap bij laag tarief? Een wet die waarschijnlijk in 2027 in zal gaan. Een uitleg. Minister Aartsen van Werk en Participatie wil vanaf 2027 een rechtsvermoeden van werknemerschap invoeren voor zzp’ers die werken voor een uurtarief onder de 38 à 39 euro. Wie ingehuurd wordt onder dat tarief kan eenvoudig rechten als werknemer opeisen via de rechter. Het is dan aan de werkgevende om te bewijzen dat iemand toch een zzp’er is. De bewijslast ligt dan dus bij de opdrachtgever. Maar wat als er helemaal geen uurtarief is afgesproken? Denk aan een freelance fotograaf die per foto betaald krijgt, een koerier die per pakket verdient, een taxichauffeur die per rit betaald wordt, of iemand in de bouw die een opdracht aanneemt voor een vaste totaalprijs. Ook voor hen kan het rechtsvermoeden gelden — maar de drempel om er een beroep op te doen ligt hoger. Dat zit zo. Lees ook: Minister Aartsen wil in 2027 al het rechtsvermoeden werknemerschap bij tarief onder de 38 euro ingevoerd hebben De wet geldt ook zonder uurtarief Uit de memorie van toelichting op het wetsvoorstel blijkt dat de wetgever expliciet rekening houdt met situaties waarbij geen uurtarief is overeengekomen. Of het nu gaat om een totaalprijs voor een project of een stuksprijs per geleverd product: als de feitelijke vergoeding neerkomt op minder dan het drempelbedrag per uur, dan kan de werkende in principe aanspraak maken op werknemersrechten. Het idee is eenvoudig: het rechtsvermoeden draait om de vraag of iemand feitelijk te weinig verdient om als echte zelfstandige te kunnen worden beschouwd. De betalingsvorm — per uur, per stuk of als vaste som — doet daar in principe niet aan af. De werkende moet het bewijs leveren Toch zit hier een belangrijke extra drempel. Bij een uurtarief is het meteen duidelijk of de grens van 38 euro wordt overschreden. Bij een stuksprijs of totaalprijs niet. In dat geval moet de werkende zelf aannemelijk maken hoeveel uur er feitelijk tegenover de betaling stond — zodat berekend kan worden of het impliciete uurtarief onder de drempelwaarde valt. Concreet betekent dit dat een zzp’er die per stuk of voor een vaste som werkt, moet kunnen onderbouwen: “Voor dit bedrag heb ik zoveel uur gewerkt, en dat komt neer op minder dan 38 euro per uur.” Pas dan kan hij of zij bij de rechter met succes een beroep doen op het rechtsvermoeden. Het kan daarom verstandig zijn om als werkende een urenadministratie bij te houden. Zo’n urenadministratie is eigenlijk toch al verplicht voor zelfstandigen die aanspraak maken op de zelfstandigenaftrek. Immers, die krijg je alleen maar als je meer dan 1.225 uur per jaar als zelfstandige werkt. En bij een eventuele controle zal een zelfstandige dat moeten kunnen bewijzen. Wet minimumloon Een extra omstandigheid is dat sinds 2018 het werken met een overeenkomst van opdracht, waarin afspraken kunnen staan over stuksprijs, onder de Wet minimumloon (WML) valt. Die wet verplicht de opdrachtgever om aan te tonen dat ten minste het minimumloon wordt betaald. Daarvoor moet inzichtelijk zijn hoeveel uur er is gewerkt en wat er is betaald. In de praktijk betekent dit dat er al een urenadministratie bijgehouden moet worden — zowel door opdrachtgever als werkende. Deze verplichting geldt dan weer niet als je met zzp’ers werkt. Zelfstandig ondernemers vallen immers niet onder de WML-verplichtingen. Dit levert dus een zeker dilemma op voor werkgevenden/opdrachtgevers. Ga je een urenadministratie bijhouden om te kunnen bewijzen dat je aan het WML voldoet? Of laat je daarmee zien dat je eigenlijk twijfelt of iemand wel echt een zzp’er is en kan zo’n urenadministratie tegen je gebruikt worden? Wat betekent dit voor de praktijk? Ook voor opdrachtgevers die werken met zzp’ers op basis van stuksprijs of projectprijs kan er met de komst van het rechtsvermoeden dus het nodige veranderen. Ze kunnen er niet van uitgaan dat de betalingsvorm hen beschermt tegen een mogelijk beroep op het rechtsvermoeden. Als de vergoeding feitelijk neerkomt op een laag uurtarief, loopt de opdrachtgever risico — ook al staat “uurtarief” nergens in het contract. Voor zzp’ers betekent het dat ze, als ze ooit een beroep willen kunnen doen op het rechtsvermoeden, belang hebben bij het bijhouden van hun uren — ook als dat wettelijk niet verplicht is. Wie zijn uren niet registreert, zal het lastiger vinden om achteraf te bewijzen dat het impliciete tarief onder de grens lag. De Tweede Kamer gaat naar verwachting nog voor de zomer het wetsvoorstel behandelen. Minister Aartsen hoopt op inwerkingtreding per begin 2027. Lees ook: Werken met uurtarief als ondergrens? Dat werkt in de mediawereld niet Print Over de auteur Over Redactie FlexNieuws Redactie van Flexnieuws - interviews, artikelen, aankondigingen en persberichten. Bekijk alle berichten van Redactie FlexNieuws
Het is een fictief verhaal. Niemand weet welke tegenargumenten een inlener cq. opdrachtverstrekker gaat hanteren bij een eventuele rechtsgang en hoe de rechter daar tegenaan kijkt. Met andere woorden: Stellig hierover een mening geven is beweren een glazen bol te hebben. Feit is, dat indien anders dan een zuiver uurtarief is afgesproken, er ruimte ontstaat voor interpretatie, ontwijking en geschil. Inleners zullen het risico willen uitsluiten of zullen stoppen met inlenen/opdracht verstrekken. Het wetsvoorstel van Aartsen is zwak. Je kunt je afvragen wie of wat hiermee beschermd wordt. Of is het een kapstok voor de Belastingdienst die strikte handhaving, naheffing en boetes mogelijk maken ?! Beantwoorden