Maandelijkse archieven: mei 2026

OTTO verliest rechtszaak over privacyschendingen in verhuurde woonruimte arbeidsmigrant.

Mag een uitzendbureau dat ook de huisvesting van haar arbeidsmigranten regelt, de woning van een werknemer binnengaan zonder toestemming? En als een zusterorganisatie die huisvesting formeel beheert, maar het uitzendbureau er feitelijk nauw bij betrokken is, wie is er dan verantwoordelijk als het misgaat?

De kern van de zaak

Een Roemeense arbeidsmigrant werkte al jaren als uitzendkracht via OTTO Work Force bij het distributiecentrum van Albert Heijn Logistics in Zwolle. OTTO bood hem, zoals bij veel arbeidsmigranten gebruikelijk, ook huisvesting aan. Die huisvesting werd formeel geregeld via Labour Housing, een zusterorganisatie van OTTO Work Force. De werknemer klaagde jarenlang over onrechtmatige inspecties van zijn woning: medewerkers kwamen binnen zonder aankondiging of toestemming, ook als hij sliep. De uitzender reageerde steeds met de mededeling dat de inspecties op basis van de huisregels waren toegestaan.

Uiteindelijk vroeg de werknemer de kantonrechter om ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens ernstig verwijtbaar handelen van OTTO, en om een billijke vergoeding van € 350.000. OTTO stemde in met de ontbinding, maar betwistte de vergoeding.

Aanleiding: jarenlange klachten over inspecties

De problemen begonnen al vroeg in de arbeidsrelatie. De werknemer maakte tussen 2023 en 2025 minimaal zes keer schriftelijk bezwaar tegen het betreden van zijn woning zonder zijn toestemming. Zijn kamer werd meermalen betreden terwijl hij sliep, ook nadat medebewoners de inspectiemedewerkers daarop hadden gewezen. In 2024 vonden maar liefst 23 aangekondigde controles plaats, terwijl de huurovereenkomst maximaal één inspectie per maand toestond. Onaangekondigde inspecties kwamen daar nog bovenop.

Het meest ingrijpende incident dateert van 29 december 2025, toen twee medewerkers van Labour Housing zijn slaapkamerdeur openden. Niet voor een inspectie, maar om met hem te praten over klachten en praktische zaken. Uit een audio-opname van dat gesprek bleek dat zij hem vertelden: “U huurt van ons, u bent niet privé.”

Naast de huisvestingsproblematiek had de werknemer ook een klacht over de manier waarop OTTO zijn ziekmelding had afgehandeld. Na één dag zonder contact tijdens zijn ziekte verklaarde OTTO hem, zonder hem zelf te bellen, arbeidsgeschikt.

Het verweer van OTTO

OTTO Work Force voerde aan dat de privacyschendingen haar niet konden worden toegerekend, omdat OTTO en Labour Housing juridisch zelfstandige organisaties zijn. OTTO was de werkgever, Labour Housing de verhuurder. Wat er in en rond de woning gebeurde, was de verantwoordelijkheid van Labour Housing.

De uitzendorganisatie wees er ook op dat beide organisaties steeds verder van elkaar worden onderscheiden: medewerkers gebruiken inmiddels geen OTTO-e-mailadressen meer, en de overeenkomsten worden per juni 2026 aangepast.

De afweging van de rechter

De kantonrechter legde de formele scheiding tussen OTTO en Labour Housing naast de feitelijke praktijk, en concludeerde dat die twee ver uit elkaar lagen.

De huurovereenkomst stond op briefpapier van OTTO, met OTTO als ondertekenaar en de werknemer aangeduid als “werknemer” in plaats van “huurder”. De huurkosten werden ingehouden op het salaris van OTTO. Het personeelshandboek van OTTO bevatte uitgebreide informatie over de huisvesting, inclusief een eigen ‘welfare officer’ voor huisgerelateerde klachten. In de praktijk werden inspecties deels door OTTO-medewerkers uitgevoerd en behandelde OTTO de klachten van de werknemer over de inspecties, zonder hem door te sturen naar Labour Housing. Zelfs het incident van 29 december 2025 werd door een Labour Housing-medewerker gerapporteerd aan OTTO.

De rechter oordeelde dat arbeidsrelatie en huisvesting in dit geval zo sterk met elkaar verweven waren, dat de zorgplicht van OTTO als werkgever zich ook uitstrekte tot de woonsituatie. OTTO had Labour Housing moeten aansturen, controleren en corrigeren. Dat had zij niet gedaan. Integendeel: zij had de klachten van de werknemer jarenlang genegeerd. Daarmee handelde OTTO ernstig verwijtbaar.

Ook de ziekmelding werd de werkgever aangerekend. Het is niet aan een werkgever om zelf te beoordelen of een werknemer arbeidsgeschikt is. Na één dag zonder contact, terwijl de werknemer mocht begrijpen dat OTTO zelf contact zou opnemen zoals ook in het personeelshandboek stond, hem zonder overleg beter melden was naar het oordeel van de rechter ernstig verwijtbaar.

De gevraagde vergoeding van € 350.000 wees de rechter niet toe. Bij de bepaling van de hoogte van de billijke vergoeding telde mee dat de werknemer zich niet altijd constructief had opgesteld. Hij weigerde mondelinge gesprekken en eiste uitsluitend schriftelijke communicatie. Ook had hij zijn gestelde psychische schade niet medisch onderbouwd en had hij zelf al nieuwe arbeidsperspectieven op het oog.

De uitspraak

De kantonrechter ontbond de arbeidsovereenkomst, zoals de uitzendkracht verzocht, per 1 juli 2026. Daarbij is OTTO Work Force veroordeeld tot betaling van een billijke vergoeding van € 15.000. De vorderingen tegen Labour Housing en EE Accommodations, de eigenaar van de woningen, werden afgewezen, omdat die partijen niet als werkgever konden worden aangemerkt.

De overige verzoeken van de werknemer, waaronder immateriële schadevergoeding van € 50.000 en terugbetaling van € 23.417 aan huisvestingskosten, werden eveneens afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.

Bron: Rechtbank Overijssel, 21 mei 2026, zaaknummer 12090193 \ EJ VERZ 26-37

Geplaatst in Rechtspraak | Tags , , , | Laat een reactie achter

Kan ik blijven werken met zzp’ers of ben ik een uitzendbureau? Een zorgbureau vroeg het aan de rechter. Dit was het antwoord.

Mag je als zorgbedrijf blijven werken met freelance zorgverleners op basis van een overeenkomst van opdracht? En wat als zowel het bureau als de zelfstandigen zelf die zekerheid willen, maar de rechtspraak daarover verdeeld is? Zorgmaatje aan Huis en drie van haar freelance zorgverleners namen een opmerkelijke stap: zij trokken gezamenlijk naar de rechter om duidelijkheid te vragen of ze door kunnen via het werken met een overeenkomst van opdracht.

En, als dat dan niet zo is, moet Zorgmaatje aan Huis dan gezien worden als uitzendbureau? De kantonrechter van de Rechtbank Rotterdam gaf ze onlangs antwoord.

De vraag

Zorgmaatje aan Huis biedt aanvullende mantelzorg aan thuiswonende ouderen en andere hulpbehoevenden. Die zorg wordt verleend door freelance ‘zorgmaatjes’. Ze houden die ouderen gezelschap, doen boodschappen doen of maken een wandeling.

Drie van deze zorgmaatjes werkten op basis van een overeenkomst van opdracht voor het bureau.

Zowel het bureau als de drie zorgmaatjes waren ervan overtuigd dat hun samenwerking geen arbeidsrelatie was. Maar door de wisselende rechtspraak over arbeidsrelaties van zelfstandigen, recente uitspraken van de Hoge Raad en aangekondigde wetswijzigingen wilden zij juridische zekerheid. Zij stapten daarom gezamenlijk naar de kantonrechter, een bijzondere route via artikel 96 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, die het mogelijk maakt om samen een rechtsvraag voor te leggen zonder dat er een geschil is.

Gezamenlijk wens tot duidelijkheid

Het verzoek is vrij bijzonder: er was geen conflict tussen partijen, geen ontslagprocedure en geen claim van achterstallig loon. Juist omdat beide kanten het eens waren over de gewenste uitkomst, maar wisten dat de arbeidsrechtelijke discussie rondom zelfstandigen in Nederland volop in beweging is, wilden zij een rechterlijk oordeel. Het verzoek was primair dat de rechter voor recht zou verklaren dat de overeenkomsten kwalificeren als overeenkomst van opdracht. Voor het geval de rechter anders zou oordelen, vroegen de zorgmaatjes aanvullend of dan in elk geval sprake was van een uitzendovereenkomst.

De zorgmaatjes onderbouwden hun positie als zelfstandigen aan de hand van de praktijk. Zij werkten op basis van losse opdrachten die zij per keer konden accepteren of weigeren, zonder dat een weigering gevolgen had. Zij bepaalden zelf hoe en wanneer zij het werk uitvoerden, in overleg met de cliënt en zonder directe instructies van het bureau. Zij konden zich laten vervangen, mochten tegelijkertijd voor andere opdrachtgevers werken en kregen alleen betaald voor daadwerkelijk gewerkte uren. Bij ziekte of vakantie was er geen recht op doorbetaling. Kortom: zij gedroegen zich als zelfstandigen en werden ook zo behandeld.

De afweging rechter

De kantonrechter beoordeelde de arbeidsrelatie aan de hand van de negen gezichtspunten uit het Deliveroo-arrest van de Hoge Raad (2023). Dat kijkt onder meer naar de aard en duur van de werkzaamheden, de vrijheid bij de uitvoering, de inbedding in de organisatie, het recht op vervanging, de beloningsstructuur en het ondernemersgedrag.

Vrijwel alle gezichtspunten wezen in dezelfde richting. De opdrachten waren tijdelijk en per cliënt afzonderlijk vastgelegd, geen structureel werk. De zorgmaatjes bepaalden zelf de invulling van hun werk en werktijden, zonder aansturing van het bureau. Zij maakten slechts beperkt deel uit van de organisatie: geen verplichte vergaderingen, geen interne gedragsregels, geen bedrijfsmiddelen buiten een identificatiebadge. Zij mochten zich laten vervangen en werken voor andere opdrachtgevers. Zij droegen zelf financieel risico en werden uitsluitend betaald voor gewerkte uren.

Dat de zorgmaatjes voor een bescheiden tarief werken (€21,60 per uur, exclusief btw en exclusief toeslagen) vond de rechter in dit specifieke geval minder relevant omdat de dit werk ‘vaak niet in de eerste plaats voor het geld doen. Velen van hen doen dit om maatschappelijk betrokken te blijven, om na hun pensioen actief te blijven of om iets voor een ander te betekenen.’

Eén element vroeg extra aandacht: de zorgmaatjes registreerden hun werkzaamheden in een app die ook door het bureau kon worden ingezien. De rechter oordeelde echter dat dit geen toezicht of gezagsuitoefening inhield, maar voortvloeide uit praktische en wettelijke rapportageverplichtingen in de zorg en uit de behoefte om vervangende zorgmaatjes te kunnen informeren.

De rechter verwijst daar weliswaar niet naar, maar dit punt doet wel denken aan de EU-richtlijn platformwerk, die in Nederland – via de Wet verbetering positie van werkenden bij platformwerk – nog geïmplementeerd moet worden. De reikwijdte daarvan wordt onder meer bepaald in hoeverre een platform of app managementtaken als toezicht en sturing overneemt.

De uitspraak

Na deze holistische afweging van alle omstandigheden concludeerde de kantonrechter dat er in deze specifieke situatie geen sprake is van een gezagsverhouding, en dus ook niet van een arbeidsovereenkomst. Daarbij keek de rechter ook nog eens apart naar de specifieke omstandigheden (ondernemerschap) van de drie individuele zorgmaatjes.

Zorgmaatje aan Huis en de drie zorgmaatjes kunnen dus door met het werken via een overeenkomst van opdracht.

Aan de vraag of Zorgmaatje aan Huis mogelijk als uitzendbureau gezien moest worden, kwam de rechter niet toe. Die vraag is immers niet relevant meer.

Geplaatst in In de wet, Rechtspraak | Laat een reactie achter

Internetconsultatie gestart: nieuwe zorgplicht BRP-registratie voor uitleners

Arbeidsmigranten die langer dan vier maanden in Nederland willen verblijven, zijn verplicht zich binnen vijf dagen na aankomst in te schrijven als ingezetene in de Basisregistratie Personen (BRP). In de praktijk gebeurt dat onvoldoende, zo vindt het kabinet. Daardoor heeft de overheid geen zicht op hun woonadres en lopen zij het risico rechten en toegang tot overheidsvoorzieningen mis te lopen. Correcte registratie stelt de overheid ook in staat om arbeidsmigranten gericht te benaderen en beleid te maken.

Uit CBS-cijfers over 2023 blijkt dat circa 70% van de EU-arbeidsmigranten die onjuist staat ingeschreven, werkzaam is via een uitlener. Dat is de reden waarom de nieuwe verplichtingen specifiek voor uitzendbureaus, detacheerders en payrollbedrijven worden ingevoerd en niet voor andere werkgevers. De maatregelen geven invulling aan het coalitieakkoord, het advies van de SER en de aanbevelingen van de commissie-Roemer (Aanjaagteam Bescherming Arbeidsmigranten).

Wat houdt de zorgplicht in?

De zorgplicht bestaat uit twee onderdelen, uitgewerkt via het Besluit allocatie arbeidskrachten door intermediairs (Baadi). De plicht geldt voor arbeidskrachten die minder dan 150% van het wettelijk minimumloon (WML) verdienen.

Bevorderingsplicht

De uitlener is verplicht de arbeidskracht actief en schriftelijk (op papier of digitaal) te informeren over de BRP-inschrijvingsregels. Dit moet plaatsvinden vóór de start van de werkzaamheden, in de taal die de voorkeur heeft van de arbeidskracht.

De verplichting geldt zowel voor kortdurend verblijf (minder dan 4 maanden, RNI-registratie) als voor langer verblijf (inschrijving als ingezetene). Voor ABU-leden is dit overigens niet nieuw: informatieverstrekking over BRP-registratie is al langer onderdeel van de Fair Employment Code.

Vergewisplicht

Tussen 6 en 8 maanden na de start van de werkzaamheden moet de uitlener eenmalig controleren of de arbeidskracht zich daadwerkelijk als ingezetene heeft ingeschreven bij zijn woongemeente. Hoe die controle plaatsvindt, is vrij te bepalen — mondeling of via een (digitaal) formulier zijn beide mogelijk.

Nadere handhavingsregels volgen later via het toelatingsstelsel (Wet toelating terbeschikkingstelling van arbeidskrachten, Wtta), zodra de handhavingscapaciteit voldoende is ingericht. Dat zal naar verwachting niet eerder zijn dan 2029.

Inwerkingtreding in twee fases

De zorgplicht wordt opgenomen in de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (Waadi), streefdatum van invoering wordt waarschijnlijk 1 januari 2027, maar dan nog zonder toezicht en handhaving. Die handhaving wordt onderdeel van de Wtta, maar het is nog niet bekend vanaf wanneer deze zorgplicht via de Wtta gehandhaafd wordt.

Breder pakket aan maatregelen

De zorgplicht maakt deel uit van een bredere aanpak. Vanaf deze zomer stuurt de overheid gerichte e-mails aan arbeidsmigranten om hen te wijzen op de registratieplicht. Daarnaast worden er fysieke WorkinNL-informatiepunten uitgerold over het hele land, waar arbeidsmigranten in meerdere talen terechtkunnen met vragen over hun BRP-registratie.

Uitleners en andere belanghebbenden kunnen tot 19 juni 2026 reageren via internetconsultatie.nl. Reacties worden door het ministerie beoordeeld en kunnen leiden tot aanpassing van het voorstel.

Geplaatst in In de wet, Wetten & CAO’s | Tags , , | Laat een reactie achter

Overheidscampagne roept uitleners en inleners op zich voor te bereiden op Wtta

De Wtta treedt op 1 januari 2027 in werking. Vanaf 1 januari 2028 wordt de wet gehandhaafd door de Nederlandse Arbeidsinspectie. Vanaf dat moment mogen bedrijven alleen nog personeel uitlenen als zij daarvoor zijn toegelaten door de Nederlandse Autoriteit Uitleenmarkt (NAU). Inleners mogen dan uitsluitend nog zaken doen met toegelaten uitleners.

Volgens het kabinet moet de wet bijdragen aan een eerlijkere, betrouwbaardere en veiligere uitleenmarkt.

Voorbereiding kost tijd

De rijksoverheid start daarom een nieuwe campagne om uitleners en inleners te wijzen op de gevolgen van de wet en roept bedrijven op zo snel mogelijk te starten met de voorbereidingen op de nieuwe wet.

Volgens Kees van Nieuwamerongen, directeur van de NAU, vraagt de voorbereiding vooral van uitleners veel tijd. Voor toelating is onder meer een inspectierapport nodig van een door de NAU aangewezen inspectie-instelling. Alle processen moeten daarvoor op orde zijn, zoals de loon- en personeelsadministratie. 

Van Nieuwamerongen zegt dat uit de eerste ervaringen blijkt dat bedrijven vaak meer moeten aanpassen dan vooraf gedacht. Bij organisaties die nu al een inspectie laten uitvoeren, worden volgens hem gemiddeld achttien grotere verbeterpunten vastgesteld. “Daarom is het verstandig zo snel mogelijk te starten met de voorbereidingen. Het liefst nog voor de zomer.”

Niet alleen voor uitzendbureaus

De nieuwe regels gelden niet alleen voor uitzendbureaus. Ook detacheerders, payrollbedrijven en andere bedrijven die werknemers tegen betaling uitlenen aan een ander bedrijf vallen onder de Wtta.

Dat geldt ook voor bedrijven die slechts incidenteel personeel uitlenen en daarbij winst maken op de uren die de werknemer voor een andere organisatie werkt. Bijvoorbeeld een bouwbedrijf dat tijdelijk medewerkers inzet bij een andere onderneming, of een adviesbureau dat werknemers uitleent aan een klant voor een project.

Ook zorg- en onderwijsinstellingen kunnen met de nieuwe regels te maken krijgen wanneer zij personeel beschikbaar stellen aan andere organisaties. Daarnaast vallen bedrijven die zijn gevestigd in het buitenland en in Nederland uitlenen eveneens onder het nieuwe toelatingsstelsel.

Toelatingseisen

Om toegelaten te worden tot de markt moeten uitleners kunnen aantonen dat zij aan de wettelijke eisen voldoen. Het gaat daarbij onder meer om het op tijd betalen van het juiste loon, het voeren van een gedegen personeelsadministratie, het informeren van werknemers over hun arbeidsvoorwaarden en het correct afdragen van premies en belastingen.

Daarnaast moeten bedrijven een inspectierapport indienen bij de NAU, een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) overleggen en een waarborgsom betalen.

De NAU houdt een openbaar register bij met toegelaten uitleners. Daarin worden ook organisaties opgenomen die onder een overgangsregeling vallen of over een ontheffing beschikken. Inleners zijn zelf verantwoordelijk voor het controleren van dit register voordat zij personeel inhuren via een uitlener.

Eerlijker speelveld

Volgens de NAU moet het toelatingsstelsel bijdragen aan het terugdringen van misstanden in de uitleenmarkt. Van Nieuwamerongen noemt de Wtta ‘een belangrijke stap naar een eerlijkere uitleenmarkt’. Volgens hem is er in delen van de sector een verdienmodel ontstaan waarbij winst wordt gemaakt ten koste van werknemers. Dat zorgt voor oneerlijke concurrentie en druk op arbeidsvoorwaarden.

Met het toelatingsstelsel wil de overheid beter zicht krijgen op de uitleenmarkt en sneller kunnen ingrijpen bij overtredingen. Tegelijk moet duidelijker worden welke bedrijven zich wél aan de regels houden.

Campagne ‘De Goede Zaak’ versus ‘Sjoemel Solutions’

De campagne brengt het huidige ongelijke speelveld in beeld aan de hand van twee uitleenbedrijven: ‘De Goede Zaak’ en ‘Sjoemel Solutions’. Daarmee wil de overheid laten zien dat de nieuwe wet uiteindelijk moet zorgen voor meer ruimte voor bedrijven die hun zaken op orde hebben. Hoewel bedrijven nu veel moeten regelen, zorgt de wet uiteindelijk voor een eerlijker speelveld met eerlijke concurrentie. 

Meer informatie over de Wtta en de voorbereidingen is te vinden op toelatinguitleenmarkt.nl.

Geplaatst in Compliance, In de wet | Tags | 2s Reacties

Rijksoverheid huurt minder extern personeel in, vooral minder uitzendkrachten

De Rijksoverheid heeft in 2025 bijna 400 miljoen euro minder uitgegeven aan externe inhuur dan het jaar ervoor. Dat is een daling van bijna 11 procent. Dat blijkt uit de jaarlijkse rapportage die op Verantwoordingsdag werd gepubliceerd. Toch blijft de overheid met 13,1 procent van de totale personeelsuitgaven ruim boven de Roemer-norm van maximaal 10 procent externe inhuur.

Vooral minder fase A

Ook de inhuur van uitzendkrachten daalde de afgelopen jaren. De grafiek hieronder laat zien hoe het aantal ingehuurde uitzendkrachten bij de Rijksoverheid zich heeft ontwikkeld, uitgesplitst naar contractfase.

Bron: rapportage Rijksoverheid | Bewerking: FlexNieuws

Het totaal aantal ingehuurde uitzendkrachten (de stippellijn) laat een geleidelijke maar duidelijke daling zien: van ruim 6.400 in 2021 naar circa 4.200 in 2025. De daling komt uitsluitend door minder fase A (de blauwe lijn) uitzendcontracten. In 2021 ging het nog om circa 5.050 uitzendkrachten in fase A. In 2025 is dat gedaald naar 2.503. Fase B (de gele lijn) laat een ander beeld zien. In 2021 waren dat 1.300 uitzendkrachten en het aantal blijft de afgelopen jaren vrij stabiel: 1.626 in 2025. Het gaat bij deze cijfers om uitzendkrachten ingehuurd in het vierde kwartaal van elk jaar.

Bezuinigingen en afbouw grote projecten

De daling van de inhuur hangt samen met meerdere factoren. De afbouw van grote projecten zoals de afhandeling van de toeslagenaffaire en de covid-crisisaanpak speelt een rol. Daarnaast heeft het kabinet-Schoof actief ingezet op minder externe inhuur, met een ambitie van maar liefst 81 procent minder externe inhuur als doelstelling op de lange termijn.

IT blijft grootste post

IT-inhuur is goed voor bijna de helft van alle externe inhuuruitgaven en daalde relatief weinig. In het onderstaande overzicht is ook te zien dat de uitgaven aan uitzendkrachten in 2025 daalde, maar nog wel een bijna een kwart hoger liggen dan vijf jaar terug. Terwijl het aantal uitzendkrachten in 2025 dus wel flink onder het aantal van 2021 ligt.

Geplaatst in Nieuws | Tags , | Laat een reactie achter