Maandelijkse archieven: juni 2025

Uitzendverbod? Laat eerst de Wtta zijn werk doen

We hebben het als NBBU al eerder aangegeven: een uitzendverbod is het schoolvoorbeeld van hoe wetten zich opstapelen. Want als de Wtta misstanden met uitzendkrachten gaat aanpakken, waarom hebben we dan daarnaast ook een uitzendverbod nodig?

Er zijn voldoende redenen om tegen een uitzendverbod te zijn. Het is veel te vroeg om nu al een dergelijk verbod uit te werken, terwijl de Wtta nog in werking moet treden. Maak daarbij eerst eens vaart met het handhaven van bestaande regelgeving, waar het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) onlangs ook weer op aandrong.

Implementatie van de Wtta door de 15.000 bedrijven die hiermee te maken gaan krijgen, is zeer ingrijpend, omdat er zware eisen worden gesteld aan hun administratie. Het is niet uit te leggen dat, terwijl het bedrijfsleven nog moet beginnen met de implementatie van de Wtta, ondertussen alweer een andere route wordt voorbereid. Dit levert rechtsonzekerheid op voor het bedrijfsleven en ondergraaft het draagvlak van de Wtta.

Een uitzendverbod is niet proportioneel. In plaats van het specifiek aanpakken van misstanden zijn opeens ook alle bonafide uitleners en inleners in de genoemde sectoren de dupe, terwijl malafide personen zich eenvoudigweg verplaatsen naar andere sectoren.

Boven alles ontbreekt nog altijd de onderbouwing waarom een sectoraal uitzendverbod misstanden zal tegengaan. Er is geen cijfermatige onderbouwing noch een doordachte uitleg hoe deze regel het doel gaat behalen.

Aan de Wtta is jaren gewerkt door partijen in Den Haag en uit het werkveld. Het kabinet doet er daarom goed aan om eerst de Wtta de kans te geven zijn werking in de praktijk te bewijzen en sectoren de kans te bieden zelf maatregelen te introduceren om misstanden tegen te gaan.

Geplaatst in Branchenieuws, In de branche | Tags , , , | Reacties uitgeschakeld voor Uitzendverbod? Laat eerst de Wtta zijn werk doen

De vakbonden FNV, CNV en De Unie slaan wild om zich heen

Het trio van de FNV, CNV en De Unie hebben zichzelf buitenspel gezet en zijn boos op de ABU, NBBU en vooral op de vakbond LBV, die wel bereid is geweest om een CAO voor Uitzendkrachten af te sluiten. En dat terwijl die cao zorgt voor een volledig gelijkwaardig arbeidsvoorwaardenpakket voor uitzendkrachten ten opzichte van de interne medewerkers bij de opdrachtgevers.

Ondemocratische LBV (in de ogen van de FNV)

De FNV vond het nodig om een rechtszaak aan te spannen tegen de LBV, waarbij de FNV diverse punten aanhaalde in een poging om de LBV als onbevoegd te betitelen voor het afsluiten van de nieuwe CAO voor Uitzendkrachten. De kantonrechter heeft de FNV op 15 april 2025 volledig in het ongelijk gesteld. Een van de door de FNV aangevoerde punten is bijna lachwekkend: “De organisatie van de LBV zou onvoldoende democratisch zijn georganiseerd.” Met de puinhoop binnen de FNV en de benoeming van Lodewijk Asscher om orde op zaken te stellen, is het spreekwoord “de pot verwijt de ketel dat hij zwart ziet” van toepassing op de FNV.

Sommatie naar minister Van Hijum

Op 18 juni 2025 hebben de FNV, CNV en De Unie een gezamenlijke brief gestuurd naar minister van Hijum (Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid), waarin ze de minister sommeren om de kennisgeving van ontvangst met betrekking tot de nieuwe cao in te trekken.

Een van de argumenten die in de brief is genoemd heeft betrekking op het loslaten van de huidige gegarandeerde arbeidsvoorwaarden, zoals de 25 vakantiedagen en de 8,33% vakantiebijslag: “Voor uitzendkrachten die werkzaam zijn bij opdrachtgevers zonder cao en die werkzaam zijn op basis van minimum arbeidsvoorwaarden, is de CAO Uitzendkrachten 2026-2029 ook ‘een kaalslag’: alle cao-eigen regelingen, o.a. 25 vakantiedagen, 8,33% vakantiebijslag, doorbetaling op feestdagen en een aanvulling bij ziekte, die betere arbeidsvoorwaarden (vanuit het minimum van de uitzendcao) garanderen zijn geschrapt.”

Dat argument van de bonden, daar vind ik heel duidelijk iets van. Gelijkwaardig is gelijkwaardig. Je moet dan niet lopen zeuren dat er alleen positieve dingen mogen worden toegevoegd en dat bestaande veelal positieve afwijkingen niet mogen verdwijnen. Als je dat doet is er geen sprake van gelijkwaardigheid, maar van “bovengelijkwaardigheid”. Dat is een raar woord voor een rare eis van deze drie bonden.

Dat er nu zelfs stakingen beginnen te ontstaan geeft wel aan dat naar mijn mening de informatieverstrekking door de bonden (uitgezonderd de LBV) gekleurd dan wel onvolledig is.

Waardering arbeidsvoorwaardenpakket

De FNV, CNV en De Unie zijn daarnaast van mening dat er rechtsonzekerheid en rechtsongelijkheid ontstaat bij de uitzendkrachten omdat niet alles gedetailleerd is vastgelegd in de cao-tekst: “In de cao voor Uitzendkrachten is echter niet vastgelegd welke waarde een arbeidsvoorwaarde heeft, hoe die wordt berekend en bepaald en hoe de verschillende arbeidsvoorwaarden vergeleken en gecompenseerd (dienen te) worden om tot een totaal gelijkwaardig pakket te komen.”

Die onzekerheid en ongelijkheid, die zie ik in het geheel niet. In de cao-tekst is opgenomen dat bij iedere terbeschikkingstelling de uitzendkracht een bevestiging ontvangt van de van toepassing zijnde arbeidsvoorwaarden en op verzoek van de uitzendkracht moet de uitzendorganisatie de van de opdrachtgever ontvangen informatie over het in die organisatie van toepassing zijnde arbeidsvoorwaardenpakket verstrekken. Ook moet de uitzendorganisatie een toelichting verstrekken van de manier waarop de gelijkwaardigheid is vormgegeven.

Als de bonden bedoelen dat uitzendkrachten nu nog niet weten hoe de exacte getallen zullen zijn vanaf 1 januari 2026, dan hebben ze op zich gelijk, maar het duurt nog een half jaar voordat het zover is. En zelfs al zou je nu al de berekeningen weten, dan is het nog steeds een schijnduidelijkheid, want wat gaan de minimumlonen doen op 1 januari 2026? En welke wijzigingen/verhogingen zullen er bij opdrachtgevers nog doorgevoerd worden tussen nu en 1 januari 2026? Dus gedetailleerde en gegarandeerde duidelijkheid is in dit stadium überhaupt nog niet mogelijk.

Veel werk aan de winkel

Los van de stuiptrekkingen van de FNV, CNV en De Unie is er door alle werkgevers in de flexbranche dit jaar nog heel veel werk te verzetten om van alle opdrachtgevers het totale arbeidsvoorwaardenpakket in kaart te brengen en te bepalen op welke manier het vormgeven aan de gelijkwaardigheid het beste uitvoerbaar is. Daar doen zich lastige vraagstukken voor. Denk bijvoorbeeld aan de waardering als een medewerker zijn huis gaat verduurzamen en de opdrachtgever hiervoor een vergoeding verstrekt. Of bijvoorbeeld een sportschoolabonnement, waarbij het in dat soort situaties vaak zo is dat een parttimer ook een volledig sportschoolabonnement krijgt. Dat maakt het terugrekenen van dat soort “exotische” arbeidsvoorwaarden naar een bedrag per gewerkt uur complex. En een bedrag per gewerkt uur, dat is wat opdrachtgevers willen. Die zitten totaal niet te wachten op allerlei extra factuurtjes als een uitzendkracht recht heeft op een van die “exotische” arbeidsvoorwaarden, waarvan er in Nederland heel veel zijn en waarbij dat in elke cao en regeling arbeidsvoorwaarden weer anders is geformuleerd.

Goede gedegen voorbereiding is cruciaal voor iedere werkgever in de uitzendbranche om dit per 1 januari 2026 allemaal geïmplementeerd te krijgen. Binnen Experts in Flex doen we er in ieder geval alles aan om organisaties te begeleiden in dit traject. We zullen daar tijdens ons jaarlijkse FlexFuture-event op 25 november uitgebreid aandacht aan besteden. Daarnaast verzorgen we in juli een aantal webinars en workshops over de voorbereidingen en de implementatie van de nieuwe uitzend-cao. Voor informatie en aanmelden: expertsinflex.nl/events/

Geplaatst in In de wet, Wetten & CAO’s | 3s Reacties

Uitzendkrachten staken bij distributiecentra Albert Heijn

Honderden uitzendkrachten leggen vanaf woensdag 25 juni het werk neer bij de distributiecentra van Albert Heijn in Geldermalsen en Pijnacker. De staking is een reactie op de nieuwe uitzend-cao die werkgeversorganisaties ABU en NBBU onlangs afsloten met vakbond LBV.

Volgens vakbond FNV kan de werkonderbreking dagen duren en zich uitbreiden naar andere locaties of bedrijven. Het is de eerste keer dat uitzendkrachten in actie komen tegen de onlangs gesloten cao.

Cao-akkoord zonder FNV en CNV

De nieuwe cao kwam tot stand nadat de onderhandelingen met FNV en CNV waren vastgelopen. In april bereikten ABU en NBBU vervolgens een akkoord met LBV, een kleinere vakbond. Dat leidde tot veel kritiek vanuit FNV, dat zich buitenspel gezet voelt en het akkoord beschouwt als een verslechtering van de positie van uitzendkrachten.

FNV stelde de werkgeversorganisaties een ultimatum, dat op 18 juni afliep. Volgens de bond biedt de nieuwe cao uitzendbureaus te veel ruimte om eigen voorwaarden op te stellen, zonder dat die aantoonbaar gelijkwaardig zijn aan bestaande arbeidsvoorwaarden.

Mogelijke uitbreiding naar andere sectoren

De staking bij Albert Heijn wordt georganiseerd door de uitzendkrachten zelf, ondersteund door FNV Flex. Op de locaties houden ze bijeenkomsten, voeren zij zichtbaar actie en delen hun verhaal met collega’s, media en publiek. Volgens Karin Heynsdijk, bestuurder FNV Flex, eisen de uitzendkrachten gelijke beloning, duidelijke afspraken en respect voor hun werk.

Werkgevers moeten er volgens FNV rekening mee houden dat de stakingen zich zullen uitbreiden naar andere bedrijven en sectoren als er geen betere cao komt. Deze staking is volgens de bond het begin van een bredere actiegolf.

ABU: onverantwoord en onbegrijpelijk

In een statement zegt ABU de aangekondigde stakingen onverantwoord en onbegrijpelijk te vinden. De werkgeversorganisatie stelt dat FNV uitzendkrachten misleidt met een onjuiste voorstelling van zaken. “Een staking is volstrekt onnodig,” aldus ABU. “Er ligt namelijk al een nieuwe cao voor uitzendkrachten (2026-2028), die de positie van uitzendkrachten aanzienlijk verbetert en die aansluit op toekomstige wetgeving die gelijkwaardigheid van arbeidsvoorwaarden verankert.”

ABU wijst erop dat FNV in 2021 zélf instemde met het pad naar deze verbeteringen, maar nu met nieuwe eisen komt en overleg weigert. Volgens de organisatie schetst FNV een verdraaid beeld van de feiten door te schetsen dat de vakbond buitenspel zou zijn gezet. “De vakbond kwam tot vijf keer toe niet opdagen bij uitnodigingen voor overleg,” stelt ABU. “Wie weigert aan tafel te komen, kan niet klagen over uitsluiting.”

Volgens de werkgeversorganisatie is er geen enkele reden voor een staking en zijn er juist sterke verbeteringen in de arbeidsvoorwaarden bereikt. “Met deze onnodige acties brengt FNV schade toe aan bedrijven die uitzendkrachten inzetten, terwijl zij geen partij zijn in dit conflict,” stelt ABU. De bond roept FNV op haar verantwoordelijkheid te nemen en de acties te staken.

Geplaatst in Branchenieuws, In de branche | Tags , , , , | Reacties uitgeschakeld voor Uitzendkrachten staken bij distributiecentra Albert Heijn

Kansen voor een sociaal verantwoorde uitzendbranche

De Nederlandse economie draait voor een belangrijk deel op arbeidsmigranten (meer dan 800.000 mensen), die hard werken in sectoren als logistiek, land- en tuinbouw en bouw. Maar achter hun inzet gaat een systeem schuil dat steeds meer onder druk staat: de A1-constructie. Wat ooit bedoeld was als een regeling om tijdelijk werk over de grens mogelijk te maken, is uitgegroeid tot een manier om regels te omzeilen. Met grote gevolgen voor mensen, bedrijven én landen.

A1-verklaring vergroot risico op uitbuiting

De A1-verklaring is een Europees document dat regelt dat een werknemer tijdelijk in een ander EU-land mag werken, terwijl hij sociaal verzekerd blijft in zijn thuisland. Dat klinkt logisch en eerlijk. Maar in de praktijk wordt deze regeling steeds vaker gebruikt om goedkope arbeid te leveren via arbitrage op sociale lasten.

Arbeidsmigranten, vaak van buiten de EU, worden via omwegen ingehuurd (bijvoorbeeld via een Roemeens uitzendbureau), zonder dat ze onder de Nederlandse sociale zekerheid vallen. Ze verdienen het wettelijk minimumloon, maar krijgen minder bescherming vanuit de sociale verzekering in Roemenië en lopen meer risico op uitbuiting.

De arbeidsmigrant is volledig afhankelijk van het uitzendbureau en/of de inlener op het gebied van huisvesting, loonbetaling en het jezelf verstaanbaar maken in Nederland. En als er aanspraak wordt gemaakt op sociale zekerheid, moet de arbeidsmigrant zich in dit voorbeeld melden in Roemenië.

Oneerlijke concurrentie ondermijnt goed werkgeverschap

Dit leidt tot een ongelijk speelveld. Het merendeel van de bedrijven investeert in goed werkgeverschap, huisvesting en begeleiding. Zij kunnen moeilijk concurreren met partijen die bewust kiezen voor minder bescherming van medewerkers en daardoor goedkoper uit zijn. Dat is allereerst slecht voor de arbeidsmigrant. Ten tweede voor de Nederlandse economie, die honderden miljoenen euro’s aan sociale premies misloopt. En als laatste voor het imago van de sector.

Juist op het onderwerp goed werkgeverschap voor de arbeidsmigrant ligt de uitzendsector onder het vergrootglas. Het maatschappelijk draagvlak voor arbeidsmigratie staat sterk onder druk, terwijl de inzet van arbeidsmigranten de komende jaren nog hard nodig blijft. De transitie naar robotisering en automatisering is nog lang niet ver genoeg op stoom om de fysieke inzet van arbeidskrachten terug te dringen.

De A1-constructie is ook een morele kwestie

De vraag is: willen we een sector zijn die draait op het toevoegen van goedkope arbeid en het opportunistisch oprekken van regels? Of kiezen we voor een duurzame arbeidsmarkt, waarin werk fatsoenlijk wordt beloond en iedereen gelijke kansen krijgt? Ik geloof in het laatste. Een gezonde economie is er een die bouwt op innovatie, vakmanschap en fatsoenlijke arbeidsvoorwaarden.

De A1-constructie is geen puur juridisch of economisch vraagstuk. Het is ook een morele kwestie. Willen we een systeem dat kwetsbare mensen makkelijker kan uitbuiten en landen onder druk zet? Of bouwen we samen aan een eerlijke, duurzame sector met een niet ter discussie staand bestaansrecht?

 

Geplaatst in In de wet, Wetten & CAO’s | Tags , , , , | Reacties uitgeschakeld voor Kansen voor een sociaal verantwoorde uitzendbranche

Essentiële vs. niet-essentiële arbeidsvoorwaarden: waarom bureaus nu echt wakker moeten worden

Het Dosign-arrest van september 2024, de nieuwe ABU-CAO die per januari 2026 ingaat, en het aankomende wetsvoorstel “Meer Zekerheid Flexwerkers” creëren samen een juridische puzzel waarin één verkeerde interpretatie kostbare gevolgen kan hebben. Voor bureaus is dit niet langer een kwestie van ‘even uitzoeken’, maar van strategische compliance die het verschil kan maken tussen groei en juridische procedures.

Het Juridische speelveld: vijf Kaders, vijf Interpretaties

Bron Essentieel Niet-essentieel Compensatie
EU-recht (2008/104/EG) Limitatief: 

arbeidstijd, bezoldiging

Niet gedefinieerd Geen specifieke regels
Dosign-arrest (2024) Alle voordelen uit dienstbetrekking Niet onderscheiden Geen onderscheid
Wetsvoorstel Flex ‘26/’27 Ten minste dezelfde Ten minste gelijkwaardig Mogelijk binnen totaal
ABU-CAO 2026 Ten minste gelijkwaardig totaal Ten minste gelijkwaardig totaal Strenge regels per categorie
WAADI Limitatief: loon, overige vergoedingen, arbeidstijden Overige  Totaal minstens gelijk, Essentieel alleen met essentieel; 

Europees Recht: De Basis met Beperkte Reikwijdte

Het Europese recht vormt de fundamentele basis met artikel 5 van de Uitzendrichtlijn 2008/104/EG . De definitie van essentiële arbeidsvoorwaarden is hier bewust beperkt: alleen arbeidstijd, overuren, pauzes, rusttijden, nachtarbeid, vakantie, feestdagen en bezoldiging. Wat opvalt is dat het Europese Hof van Justitie het begrip “bezoldiging” steeds ruimer interpreteert en alle voordelen in geld of natura hieronder laat vallen. Deze brede interpretatie vormt de basis voor veel van de huidige discussies.

Dosign-arrest: Game Changer voor de Praktijk

Het Dosign-arrest van 27 september 2024 heeft de spelregels fundamenteel veranderd. De Hoge Raad oordeelde dat het begrip “loon” in artikel 8 lid 1 WAADI richtlijnconform moet worden uitgelegd. Dit betekent concreet dat ter beschikking gestelde medewerkers recht hebben op resultaatsafhankelijke bonussen, PDD-prestatievergoedingen en andere voordelen die de werkgever toekent uit hoofde van de dienstbetrekking.

Cruciaal is dat het er niet toe doet of deze voordelen in arbeidsovereenkomsten of cao’s zijn opgenomen. Voor bureaus betekent dit een aanzienlijke uitbreiding van hun verplichtingen, met name voor degenen die nog werkten met de beperkte interpretatie van loon als “tegenprestatie voor bedongen arbeid”.

Wetsvoorstel Meer Zekerheid Flexwerkers: Flexibiliteit Binnen Kaders

Het wetsvoorstel dat naar verwachting in 2026 en 2027 wordt ingevoerd, introduceert een subtiel maar belangrijk onderscheid. Essentiële arbeidsvoorwaarden moeten “ten minste dezelfde” zijn, terwijl niet-essentiële arbeidsvoorwaarden “ten minste gelijkwaardig” hoeven te zijn. Deze formulering biedt bureaus meer ruimte voor maatwerk in het totaalpakket, zolang de gelijkwaardigheid gewaarborgd blijft.

Nieuwe ABU-CAO: Gelijkwaardigheid als Uitgangspunt

Innovatieve Benadering van Compensatie

De nieuwe ABU-CAO voor 2026-2028 kiest voor een innovatieve benadering door te werken met “gelijkwaardige beloning” in plaats van identieke arbeidsvoorwaarden. Het onderscheid tussen essentiële en niet-essentiële arbeidsvoorwaarden blijft bestaan, maar de compensatieregels zijn genuanceerder.

Een nadeel bij een essentiële arbeidsvoorwaarde moet worden gecompenseerd door een andere essentiële arbeidsvoorwaarde. Een nadeel bij een niet-essentiële arbeidsvoorwaarde mag daarentegen worden gecompenseerd door een essentiële arbeidsvoorwaarde. Deze asymmetrie biedt bureaus strategische mogelijkheden voor het vormgeven van arbeidsvoorwaardenpakketten.

Praktische Implementatie en Alternatieven

Interessant is dat de nieuwe CAO ook voorziet in artikel 22, waarbij bureaus kunnen kiezen voor directe toepassing van dezelfde arbeidsvoorwaarden als bij de opdrachtgever. In dat geval zijn de complexe gelijkwaardigheidsregels niet van toepassing, behalve voor artikelen 28 en 36. Voor bureaus die zekerheid willen, kan dit een aantrekkelijke optie zijn.

WAADI: De Nederlandse Praktijk

Het huidige Nederlandse kader via WAADI hanteert een limitatieve opsomming van essentiële arbeidsvoorwaarden: loon, overige vergoedingen en arbeidstijden. Na het Dosign-arrest moet “loon” echter breed worden geïnterpreteerd als alle voordelen uit de dienstbetrekking.

De compensatieregels zijn volgens jurisprudentie streng: essentiële arbeidsvoorwaarden mogen alleen gecompenseerd worden met andere essentiële arbeidsvoorwaarden. Niet-essentiële arbeidsvoorwaarden mogen wel gecompenseerd worden met essentiële arbeidsvoorwaarden.

Strategische Implicaties voor bureaus

Risico’s en Uitdagingen

De implementatie van deze nieuwe regelgeving brengt voor uitzendbureaus diverse risico’s met zich mee. Het is belangrijk deze risico’s te identificeren en proactief te mitigeren. De belangrijkste risico’s zijn:

  1. Verkeerde interpretatie van het Dosign-arrest, leidend tot onjuiste toepassing van arbeidsvoorwaarden
  2. Onvolledige implementatie van de nieuwe CAO-bepalingen 
  3. Inconsistente toepassing van verschillende juridische kaders bij verschillende opdrachtgevers
  4. Onvoldoende documentatie van compensatieberekeningen, wat problematisch kan zijn bij audits
  5. Gebrek aan transparantie richting uitzendkrachten over hun rechten en aanspraken

Compliance als Competitief Voordeel

Voor bureaus betekent deze juridische diversiteit zowel uitdaging als kans. Bedrijven die proactief investeren in juiste interpretatie en implementatie van deze verschillende kaders, kunnen dit als competitief voordeel inzetten. In een krappe arbeidsmarkt waar ingezette medewerkers kunnen kiezen, wordt correcte naleving van arbeidsvoorwaarden een differentiatiefactor.

Vooruitblik: Navigeren in Onzekerheid

De komende jaren zullen cruciaal zijn voor de branche. Met het Dosign-arrest als gamechanger, nieuwe cao-afspraken, en aankomende wetgeving, moeten bureaus hun compliance-strategie fundamenteel heroverwegen. De bedrijven die deze transitie het beste managen, zullen niet alleen juridische risico’s vermijden, maar ook hun positie op de arbeidsmarkt versterken.

Het is geen kwestie meer van afwachten, maar van proactief handelen in een snel veranderende regelgevingsomgeving. Voor bureaus die deze uitdaging aangaan, liggen er kansen om zich te onderscheiden in een steeds complexere markt.

Geplaatst in In de wet, Wetten & CAO’s | Tags , , | Reacties uitgeschakeld voor Essentiële vs. niet-essentiële arbeidsvoorwaarden: waarom bureaus nu echt wakker moeten worden