Wetsvoorstel Arbeidsmarkt in balans aangenomen door Tweede Kamer Geplaatst 5 februari 2019 door Hinke Wever Het Wetsvoorstel Arbeidsmarkt in Balans is op 5 februari aangenomen door de Tweede Kamer. D66, de VVD, de SGP, het CDA, de ChristenUnie en FvD hebben voor het wetsvoorstel gestemd. De overige fracties, PvdA, SP, GroenLinks, PVV, PvdD, DENK en 50PLUS, stemden tegen het wetsvoorstel. Het Kamerdebat vond plaats op donderdag 31 januari 2019. Op dinsdag 5 februari werd erover gestemd. Bij het wetsvoorstel zijn moties en amendementen ingediend. De onderstaande amendementen en moties zijn aangenomen. Amendementen: Gewijzigd amendement over premie 21-minners (nr 35074-60) Gewijzigd amendement over arbeidsrecht seizoensarbeid (nr 35074-61) Nader gewijzigd amendement over het niet wijzigen van de proeftijdbepalingen (nr 35074-62) Moties: Motie over vormen van contracting (nr 35074-43) Motie over verplichtingen voor de payrollwerkgever bij de adequate pensioenregeling (nr 35074-44) Motie over structureel 48 miljoen euro voor scholing in het mkb (nr 35074-45) Motie over het gesprek blijven voeren met sociale partners over seizoensarbeid (nr 35074-46) Motie over een aparte categorie in de premiedifferentiatie voor langjarige tijdelijke contracten (nr 35074-47) Motie over uitwerking van de maatregel voor uitbreiding van de ketenregeling (nr 35074-48) Motie over investeren in de scholing van werknemers in de landbouw, horeca en recreatie (nr 35074-50) Motie over gebruik van uitzendconstructies zonder rechtenopbouw (nr 35074-51) Motie over overleg met sociale partners over één laagdrempelige calamiteitenregeling (nr 35074-52) Bron: Tweede Kamer, 5 februari 2019 Geplaatst in Rechtspraak | Tags WAB, Wet Arbeidsmarkt in Balans | Reacties uitgeschakeld voor Wetsvoorstel Arbeidsmarkt in balans aangenomen door Tweede Kamer
Grensregio Nederland | Duitsland start arbeidsmarktplatform Geplaatst 5 februari 2019 door Hinke Wever Economische groei, het tegengaan van het tekort aan vakkrachten en veelzijdige baankansen: dat zijn enkele van de vele voordelen die een Nederlands-Duitse arbeidsmarkt te bieden heeft. In Burgers’ Zoo in Arnhem is onlangs tijdens een meeting het startschot voor de ontwikkeling van een grensoverschrijdend arbeidsmarktplatform in de Euregio Rijn-Waal gegeven. Doel is om de belemmeringen voor enerzijds werkgevers, die personeel uit het buurland willen aannemen, en anderzijds werknemers, die er willen werken, weg te nemen. Ongeveer 100 werkgevers, vertegenwoordigers van instellingen, werknemers en andere geïnteresseerden luisterden naar experts, die vertelden over de kansen, voordelen én uitdagingen van werken in het buurland. Het platform is een initiatief van het INTERREG-VA-project GrensInfoPunt Euregio Rijn-Waal. Werk in de grensstreek makkelijker maken Ongeveer 30.000 inwoners van Noordrijn-Westfalen pendelen elke dag naar hun werk in Nederland. Een indrukwekkend aantal, dat echter nog veel hoger zou kunnen zijn als er niet zoveel belemmeringen waren die het werken over de grens soms ingewikkeld maken. Wanneer er een gemeenschappelijke en grenzeloze arbeidsmarkt in de Euregio Rijn-Waal zou zijn, zou de economie tot acht procent kunnen groeien. Het aantal werkenden daalt de komende decennia, waardoor de vraag naar vakkrachten nog groter wordt – in Duitsland is dat probleem nog iets groter dan in Nederland. De verhouding tussen vraag en aanbod uit balans. Voor de werknemer ontstaat hierdoor de mogelijkheid om in zijn buurland een baan te vinden die in zijn eigen land niet aangeboden wordt. Door verschillen in belastingregelingen kan het ook financieel aantrekkelijker zijn om een baan in het buurland te zoeken. Een gemeenschappelijke banenbeurs zou een goede oplossing zijn. Werken in het buurland Het GrensInfoPunt Rijn-Waal kan veel vragen beantwoorden over werken in het buurland. Vragen als “Waar moet ik rekening mee houden wanneer ik een baan in Nederland aanneem?”, “Op welke aspecten op het gebied van arbeidsrecht of belastingen moet ik letten?”, “Wat zijn fundamentele verschillen?” en “Hoe zit het met mijn zorgverzekering?” Bron: GrensInfoPunt Rijn-Waal, 5 februari 2019 Geplaatst in Nieuws | Tags arbeidsmarktplatform, grensarbeid | Reacties uitgeschakeld voor Grensregio Nederland | Duitsland start arbeidsmarktplatform
Verplicht scholingsbudget uitzendbureaus vaak onbekend Geplaatst 5 februari 2019 door Hinke Wever Maar liefst 68,7 procent van de werkende Nederlanders weet niet dat uitzendbureaus een verplicht ‘scholingspotje’ hebben waar uitzendkrachten gebruik van kunnen maken. Dat blijkt uit onderzoek van HR-dienstverlener Pay for People, onder 1093 respondenten. Van de flexwerkers, waaronder uitzendkrachten, is 60,8 procent niet op de hoogte van het scholingsbudget. Kans op scholing onvoldoende bekend Van de vrouwen is 73,1 procent niet op de hoogte van het bestaan van het scholingspotje, bij de mannen ligt het percentage een stuk lager, op 64,8 procent. Van de zestigplussers is bijna driekwart (74,7 procent) niet op de hoogte van het scholingsbudget. Scholing nodig voor ontwikkeling De resultaten zijn opvallend, want 47,1 procent van de flexwerkers vindt dat uitzendkrachten zoals zij onvoldoende kans krijgen om zich professioneel te ontwikkelen. Vanwege de krapte op de arbeidsmarkt is het belangrijk om talent aan te trekken door scholingsmogelijkheden te bieden en rekening te houden met hun behoeften. Als uitzendkrachten niet weten dat uitzendbureaus een budget hebben voor (bij)scholing, zullen ze er ook geen gebruik van maken. Het is daarom aan de uitzendbureaus om te communiceren en hun medewerkers beter bewust te maken van hun mogelijkheden. Het kan bijvoorbeeld handig zijn om aan ieder individu een eigen ‘potje’ toe te wijzen, zodat uitzendkrachten weten wat er mogelijk is. Over het onderzoek Het onderzoek is uitgevoerd door Panelwizard in opdracht van Pay for People onder 1093 werkende Nederlanders van achttien jaar en ouder. Bij de selectie van de respondenten is rekening gehouden met een representatieve spreiding wat betreft geslacht, leeftijd, gezinssituatie, arbeidsparticipatie en opleiding. Bij het beantwoorden van de stellingen konden respondenten per stelling aangeven of deze wel (ja) of niet (nee) voor ze geldt. Bron: Pay for People, persbericht 5 februari 2019 Geplaatst in Bedrijfsnieuws | Tags scholingsbudget, uitzendkrachten | Reacties uitgeschakeld voor Verplicht scholingsbudget uitzendbureaus vaak onbekend
DOORZAAM maakt uitzendkrachten duurzaam inzetbaar Geplaatst 5 februari 2019 door Hinke Wever Interview met Adriana Stel, directeur van DOORZAAM, samen voor duurzame inzetbaarheid STAF en STOOF zijn samengegaan in een nieuwe stichting. ‘Het gaat erom dat mensen duurzamer kunnen werken als uitzendkracht, maar ook als vaste kracht. In onze aanpak draait het om het verbeteren van de arbeidsmarktkansen van de uitzendkracht.’ Adriana Stel, DOORZAAM: ‘Het draait om de uitzendkracht’ Adriana Stel wijst op de nieuwe naam en het logo. Het is net aangebracht op de wand. De cirkels verbeelden de verbinding tussen uitzender en opdrachtgever; daartussen staat de uitzendkracht om wie het draait bij DOORZAAM. Hoe is zijn positie? Wat heeft hij nodig om goed te kunnen blijven functioneren en in zijn onderhoud te voorzien. Om duurzaam inzetbaar te zijn. Sociaal Fonds Uitzendbranche Aandacht en geld voor arbo en opleiding was er al langer in de uitzendbranche. Stichting DOORZAAM wordt betaald vanuit het Sociaal Fonds Uitzendbranche (SFU). Ondernemers in de uitzendbranche dragen premie af aan dit fonds. “Eind 2017 moest de SFU-cao worden vernieuwd,” vertelt Adriana Stel. “Bij deze cao zijn de vakbonden en de uitzendbrancheorganisaties betrokken. Tijdens het overleg over de CAO werd vastgesteld dat de arbeidsomstandigheden en de ontwikkeling en opleiding bij elkaar horen, ze vullen elkaar aan.” Arbo en ontwikkeling, alles in 1 “STOOF (Stichting Opleiding & Ontwikkeling Flexbranche) was voor opleiden; STAF (Stichting Arbo Flexbranche) was voor veiligheid en arbo. We deden goed werk, maar er was geen brug tussen beide. Terwijl het zo sterk samenhangt. Een fitte uitzendkracht heeft de rust en de energie om zich te ontwikkelen in zijn vak. Een vermoeide uitzendkracht – door werkstress, onveilig werk of schulden – kan moeilijk nieuwe vaardigheden of een nieuw vak te leren. De basale levensbehoeften moeten dus eerst op orde zijn. Daarna kan de uitzendkracht de volgende stap zetten op de arbeidsmarkt. Volgens die geïntegreerde, volledig nieuwe aanpak werken wij. Adriana Stel, directeur van DOORZAAM Keuze in de werkwijze Wij bieden de uitzendbranche twee mogelijke werkwijzen: DI te integreren in de eigen organisatie Bij het integreren van duurzame inzetbaarheidstrajecten in eigen organisaties zorgen wij dat de kennis wordt aangedragen. Hiermee krijgen uitzendorganisaties die de aanpak van Duurzame Inzetbaarheid (DI) in hun eigen DNA willen krijgen, trainingen en coaches. Daarmee maken zij hun eigen intercedenten, hun opdrachtgevers en uitzendkrachten bewust van de doelstellingen en de aanpak.” DI faciliteren en volledig uit handen nemen van uitzendorganisaties “DOORZAAM heeft een eigen team van DI-consultants in dienst genomen, die wij inzetten ten behoeve van de ontzorging van uitzenders die niet zelf de capaciteit hebben om hun uitzendkrachten te begeleiden en te helpen in duurzame inzetbaarheid. Uitzendkrachten van Randstad kunnen in het traject worden begeleid door coaches van Randstad HR Solutions; uitzendkrachten van USG kunnen worden begeleid door Restart. Fysieke conditie > vaardigheden > ontwikkeling en scholing Onze aanpak gaat uit van de piramide van Maslow. Wij testen uitzendkrachten op alle aspecten die hen duurzaam inzetbaar maken. Het begint met hun fysiek conditie. Het kan nodig zijn bepaalde werknemersvaardigheden te ontwikkelen, terwijl er tegelijk een opleiding wordt aangeboden die de kans op werk vergroot. Taalvaardigheden zijn nodig. Wie de taal niet spreekt of onvoldoende kan lezen of schrijven kan immers geen veiligheidsvoorschriften lezen. Skills De vraag in de markt naar digitale vaardigheden neemt ook toe. Dit vraagt training en opleiding. Vervolgens is er voor het concrete vakmanschap voortdurende bij- en omscholing nodig. Tot slot zijn er nog de skills van de 21e eeuw waar mensen zich op moeten voorbereiden als ze lang en plezierig in hun onderhouden willen kunnen voorzien.” Opdrachtgever erbij betrekken “Zonder de medewerking op de werkvloer ontstaat er geen samenhang in de begeleiding. Daarom wordt de opdrachtgever uitdrukkelijk betrokken bij de aanpak.” Criteria “De uitzender levert op basis van door DOORZAAM vastgestelde criteria de uitzendkracht aan. Daarna start het begeleidingstraject van de uitzendkrachten. De uitzendkracht doet nu bijvoorbeeld ongezond werk en zou medisch moeten worden onderzocht of kans moeten krijgen op ander werk. Hij heeft misschien schulden, of er is geen werk meer voor hem in een bepaalde sector. Ons begeleidingstraject is erop gericht om gezondheid, welzijn, werkomstandigheden en kansen op werk te bespreken, te testen en te verbeteren.” Interventiebudget “De uitzender kan een x-aantal uitzendkrachten bij ons aanmelden. Wij gaan hen dan begeleiden. De uitzendkracht krijgt eerst een duurzame inzetbaarheidsscan. Daarna krijgt hij een eigen coach vanuit DOORZAAM die de verkennende gesprekken voert. Per uitzendkracht is een interventiebudget van 2.500 euro beschikbaar voor training, begeleiding en ontwikkeling. Wanneer het gesprek tussen de uitzendkracht en de coach heeft plaats gevonden, volgt er een gesprek met de uitzender. Stel dat iemand een ongezond beroep uitoefent, dan bieden wij een preventief medisch onderzoek. Wij hebben ook een overeenkomst met het Nibud; uitzendkrachten krijgen indien nodig een buddy die hen helpt bij het terugdringen van schulden.” Scholingsvouchers “In 2019 kunnen wij voor dit budget tenminste 1.000 mensen begeleiden. Daarnaast is er budget voor vouchers (cheques waarmee voor een bepaald bedrag opleidingen kunnen worden betaald) en een algemeen aanbod van arbo en ontwikkeling ten behoeve van uitzendkrachten, die wij bieden aan uitzendorganisaties.” Coaching en tools “De DI-consultants werken vanuit DOORZAAM. Daarnaast is er een partnership met People in Motion/Fast Forward en James. Voor het testen van de uitzendkrachten werkt DOORZAAM met tools, zoals aangeboden door TipTrack, LDC en Johan en EELLOO.” Lobby bij opdrachtgevers “Als een uitzendkracht het niet voor elkaar krijgt om aandacht te genereren voor zijn welzijn en ontwikkeling bij de opdrachtgever dan zorgen wij in onze lobby via werkgeversorganisaties dat opdrachtgevers hier toch toe worden aangespoord. De NBBU is op dit moment bezig met een pilot voor duurzame inzetbaarheid. Daarmee wordt bij 25 van de aangesloten leden het bewustzijn omtrent DI ontwikkeld. Elk van deze deelnemende leden kan 10 uitzendkrachten laten deelnemen aan het DI-traject `Alles-in-een’ van DOORZAAM.” Klankbordgroepen “Om goed te monitoren of wij het goed doen en wat we kunnen verbeteren, hebben wij drie klankbordgroepen in het leven geroepen. Hierin geven opdrachtgevers, uitzenders en uitzendkrachten feedback op onze aanpak.” Uitdagend! “Het is een enorme uitdaging, maar ik ben trots dat ik hier nu mijn schouders onder kan zetten. Zonder de uitzendkrachten lag Nederland plat, werkte er niets meer. In hun en ieders belang moeten wij hen fit houden, goed werk bieden en duurzaam ontwikkelen ten behoeve van een goed functionerende arbeidsmarkt. Want uitzendkrachten doen er toe!” Interview: Hinke Wever, FlexNieuws Geplaatst in Bedrijfsnieuws | Tags Doorzaam, duurzame inzetbaarheid | Reacties uitgeschakeld voor DOORZAAM maakt uitzendkrachten duurzaam inzetbaar
Uw kostprijs en de Wet Arbeidsmarkt in Balans Geplaatst 4 februari 2019 door Marcel Reijmers De WAB komt er echt! Het is duidelijk: de Wet Arbeidsmarkt in Balans komt. Ook al is de manier waarop een en ander precies wordt vormgegeven nog niet bekend, het effect van de WAB op de kostprijs van uitzenden, detacheren en payrollen kan desondanks al tamelijk nauwkeurig worden berekend. Naast de kostprijs raakt de WAB natuurlijk veel meer onderdelen van uw bedrijfsvoering. Daarom organiseren ARTRA, FlexKnowledge en VRF Advocaten in april op drie verschillende locaties in totaal zes seminars over de WAB. Tijdens die seminars komen alle aspecten van de WAB aan bod. Meer informatie vindt u hier. 6 februari, inleiding op versie 2: Na de eerste publicatie van dit artikel op 4 februari heb ik veel reacties gehad. Eén ervan had betrekking op de 7,78% premie die voor alle werkgevers in plaats komt van de huidige premie sectorfonds. De vraag was of die nieuwe premie niet inclusief de huidige WW-premie van 3,6% zou kunnen zijn. Dat zou betekenen dat de kostprijsstijging minder wordt dan ik had berekend. En aan de andere kant: vast wordt ook flink goedkoper. En dit alles geldt voor reguliere werkgevers in min of meer dezelfde mate. De achtergrond daarvan zal ik in een vervolgartikel uitwerken. De eerste gedachte was: dat zou dan toch wel duidelijker in het voorstel hebben gestaan? En waarom heeft de minister dat niet gebruikt als argument richting de werkgevers om aan te geven dat de kostenstijging wel meevalt? De tweede gedachte was dat het wellicht helemaal niet de bedoeling was dat dit iemand op zou vallen. Want de boodschap was toch: flex wordt veel duurder? En ik moet toegeven: ook ik ben erin getrapt. Flex wordt wel duurder en payroll wordt véél duurder, maar de stijging wordt wat minder. Als je goed zoekt in de letterlijke teksten van de wetswijzigingen, dan wordt in de artikelen over de ‘gewone’ WW-premie gesproken over de hoge en lage premie en vervallen de artikelen over de premie Sectorfonds zoals we die nu kennen. Nadat ik dit met enkele experts heb besproken, zijn we tot de conclusie gekomen dat de WW-premie én de premie sectorfonds zoals die er nu nog zijn, in 2020 inderdaad worden vervangen door één premie die dan 2,78 of 7,78% zal zijn. Op basis daarvan heb ik het artikel aangepast en het resultaat leest u hieronder. De kostprijsfactor In dit artikel kijk ik vooral naar het effect op de kostprijsfactor en veel minder naar het effect op de kostprijs in geld. De kostprijsfactor is het getal waarmee bruto bedragen worden vermenigvuldigd en bij elkaar leiden die tot de kostprijs in geld. Die factor is in sector 52 ongeveer 1,65 voor normale uren, 1,40 voor structurele toeslagen of vergoedingen zoals ADV en 1,30 voor overwerk en bruto vergoedingen, zoals een bonus. Een voorbeeld: Stel het uurloon is €10,- en er is € 0,50 ADV. De kostprijs in geld is dan (10 x 1,65) + (0,50 x 1,40) = 16,50 + 0,70 = € 17,20. De kostprijsfactor van het geheel (de ‘gewogen’ kostprijsfactor) is dan 17,20/10 = 1,72. Het getal waar ik me in dit artikel op concentreer zijn de kostprijsfactoren voor de normale uren. In het voorbeeld dus die 1,65. Wat gaat dat worden ná de komst van de WAB? De verschillende maatregelen De WAB bevat een groot aantal maatregelen die niet op alle soorten dienstverlening in de flexbranche dezelfde impact hebben. Hieronder beschrijf ik de meest in het oog springende gevolgen. In de WAB wordt het oproepcontract gedefinieerd. Dat zijn alle contracten die niet aan een de volgende voorwaarden voldoen: een vast aantal uren, een vast loon per periode en géén uitsluiting van de loondoorbetalingsverplichting. In de praktijk vallen dus bijna alle contracten in de flexbranche onder de definitie van oproepcontract. Het belangrijkste gevolg hiervan voor de kostprijs, is de loondoorbetalingsverplichting die (zoals het er nu naar uitziet ook in fase A, 1 en 2) gaat ontstaan als roosters kort van tevoren wijzigen of als er wordt afgezegd. Een andere maatregel met forse impact is het afschaffen van de sectorindeling voor de premie Sectorfonds. Voor de Whk blijft de sectorindeling nog enkele jaren gehandhaafd. Voor de huidige premies komen er voor alle werkgevers twee verschillende terug: een lage premie van 2,78% en een hoge premie van 7,78%. Deze getallen heeft de minister 31 januari jl. tijdens het debat met de Tweede Kamer genoemd. Deze nieuwe premie komt in de plaats van de optelsom van de huidige premie Sectorfonds en de premie AWF (de WW-premie). De lage premie mag alleen worden gebruikt als een contract geen oproepcontract is én voor onbepaalde tijd is afgesloten. Daarnaast is duidelijk beschreven wanneer met terugwerkende kracht alsnog de hoge premie geldt. Voor de flexbranche is dan vooral van belang dat als het werkelijke aantal uren meer dan 30% hoger is dan wat vooraf is afgesproken, er gecorrigeerd moet worden naar de hoge premie. Dus als er een contract wordt gegeven in fase C of 4 voor 24 uur per week en er wordt uiteindelijk meer dan 31,2 uur gemiddeld gewerkt, dan moet met terugwerkende kracht tot maximaal 12 maanden alsnog 5% extra premie worden betaald over het SV-loon. Bovenstaande maatregelen gelden voor álle werkgevers, dus niet alleen voor uitleners. Voor de flexbranche komt daar het afschaffen van de sectorverloning nog bovenop. Dat betekent dat alle uitleners worden ingedeeld in sector 52, een maatregel die al in 2017 was aangekondigd. Waar uitleners in de vaksector nu misschien maar 1% premie Sectorfonds en 3,6% WW-premie betalen, wordt dat volgend jaar samen bijna altijd 7,78%. En daar blijft het niet bij. De premie ZW-flex (onderdeel van de Werkhervattingskas) is in een vaksector gemaximeerd op 1,72% en in sector 52 op 8,48%. Dus een uitlener die nu het maximum van 1,72% betaalt, wordt volgend jaar met een éxtra stijging geconfronteerd, want dan gaat hij de échte schadelast betalen. Hoe hoog die is, staat vermeld op de beschikking van de Whk. Op basis van de vele kostprijsberekeningen die wij maken, schatten wij dat dit bij meer dan de helft van de bedrijven die nu in de vaksector verloont, zal spelen. Voor payrollbedrijven heeft de minister aangekondigd dat die niet naar sector 52 gaan, maar naar sector 45. Voor de premie Sectorfonds maakt dat niet uit, want die wordt altijd 2,78 of 7,78%. Voor grote werkgevers (meer dan ong. 3,5 miljoen loonsom) is de premie Whk ook niet afhankelijk van de sector. De vraag die nu nog open staat, is of die 1,72% als maximum premie voor de ZW-flex blijft bestaan voor andere sectoren dan sector 52, of dat dat maximum gaat vervallen. Ik heb dat nog nergens zien staan, maar ik ben bang dat die gaat vervallen. Dus dat betekent dat er geen voordeel is van sector 45 boven 52 voor die grote uitleners. Payrollbedrijven krijgen ook nog te maken met een fors uitgebreide inlenersbeloning. De meeste daarvan hebben vooral impact op de uiteindelijke kostprijs in geld, maar niet op de factoren. Dat geldt echter niet voor de pensioenpremie. Tijdens het debat is een motie ingediend om payrollbedrijven te verplichten minstens een werkgeverspremie te laten betalen die het gemiddelde is van alle pensioenpremies en er werd gesproken over 14%. Laten we ervan uitgaan dat dat de premie wordt, waar nu maximaal 8% geldt. Dit zijn bruto premies. Door de franchise wordt dat netto een lagere premie, maar het betekent wel een stijging tot 75%! Ervan uitgaande dat het werknemersdeel 1/3 van de totale premie blijft, stijgt de totale bruto pensioenpremie van 12 naar 21%. Ook de werknemer zal dat dus stevig voelen in zijn netto loon. Voor payrollkrachten zullen ook meestal hogere percentages voor scholing en sociaal fonds gaan gelden (ook in fase B en C of 3 en 4!), maar dat effect kunnen we nog niet inschatten en hebben we in onze berekeningen dus niet meegenomen. Een volgend effect op de kostprijs is de hogere voorziening die moet worden getroffen voor ziekte en leegloop. Payrollbedrijven krijgen te maken met het ketensysteem van de opdrachtgever en zullen dus veel langere contracten (moeten) aanbieden dan nu vaak gebeurt en dus worden de risico’s die moeten worden afgedekt, groter. En als laatste de transitievergoeding. Waar we voor 2019 adviseerden met 1% voorziening te werken, wordt dat vanaf 2020 de volle 2,8%. Dat is het percentage van de loonsom dat je nodig hebt om straks vanaf dag 1 transitievergoeding te betalen. De reden dat wij 2,8% opnemen, is dat het in de praktijk heel lastig wordt om aan te tonen wie in fase A, 1 of 2 het initiatief heeft genomen om de overeenkomst te beëindigen. Ik ben bang dat de uitlener al snel aan het kortste eind zal trekken in een dergelijke discussie. Daarnaast hoor ik van juristen dat ze verwachten dat de transitievergoeding onderdeel wordt van de eindafrekening met de werknemer. Klein lichtpuntje is dat de scholing voortaan wel mag worden verrekend met de transitievergoeding, waar dat nu in de praktijk voor uitleners niet mogelijk is. Het effect in getallen Samengevat is het effect op de kostprijsfactor dus als volgt: Beperkte leegloop in fase A, 1 en 2; Een stijging van ongeveer 2% voor de WW-premie in sector 52 en nog veel forsere verhoging voor bedrijven die nu in een vaksector verlonen. Deze verhoging geldt echter ook voor veel reguliere werkgevers; Waarschijnlijk veel hogere premie Whk voor bedrijven die nu in een vaksector verlonen; 75% hogere pensioenpremie voor payrollers en mogelijk nog meer. 2,8% transitievergoeding voor alle werknemers Dit alles werkt natuurlijk door in de kostprijs in geld, waarbij payrollwerkgevers ook nog te maken krijgen met een veel uitgebreider pakket voor de beloning. In onze berekeningen gaan we voor uitzenden uit van de waardes in fase A zonder uitzendbeding en basisregeling StiPP zoals die gelden voor 2019 en veranderen we voor 2020 in sector 52 alleen de combinatie van de huidige premie sectorfonds en WW-premie in 7,78%. Voor de vergelijking in de vaksectoren die volgend jaar naar sector 52 gaan, passen we de Whk voor 2020 aan naar de sectorale premie Whk zoals die dit jaar geldt voor sector 52, dus bij elkaar 6%, waarvan 0,575% door de werknemer wordt betaald. Voor het verzuim gaan we in zowel 2019 als 2020 uit van 3% en voor leegloop in fase A 0,5% na de invoering van de WAB. Voor de factoren voor payrolling gaan we uit van fase B met Pluspensioen op basis van een bruto uurloon van € 12,50. Door de franchise komt dat overeen met een netto werkgeverspremie voor StiPP van 4%. Ook hier gaan we voor het verzuim uit van 3% en we hanteren 1% leegloop, maar voor contracten van langer dan een half jaar is dat waarschijnlijk te weinig. In onderstaande tabel vergelijken we de kostprijsfactoren voor normale uren in sector 52 met de veel voorkomende vaksectoren 20 Havenbedrijf (magazijnwerkzaamheden), 45 Zakelijke dienstverlening III (administratief ondersteunend) en 51 Algemene industrie (inpakwerkzaamheden), zowel voor uitzenden in fase A zonder uitzendbeding als voor payrolling in fase B. Sector 2019 2020 Verschil Uitzenden Fase A 52 1,6502 1,7047 3,30% Fase A 20 1,5756 1,7047 8,19% Fase A 45 1,5755 1,7047 8,20% Fase A 51 1,5856 1,7047 7,51% Payrolling Fase B 52 1,6685 1,7482 4,78% Fase B 20 1,5932 1,7482 9,73% Fase B 45 1,5931 1,7482 9,74% Fase B 51 1,6033 1,7482 9,04% In bovenstaande berekeningen zijn we uitgegaan van de sectorale premies voor de Whk. Stel echter dat het gaat om een uitlener die nu in de vaksector is ingedeeld en die zijn verzuim(beleid) de afgelopen jaren heeft verwaarloosd. Die betaalt nu maximaal 1,72% voor de ZW-flex. Door de indeling in sector 52 vanaf 2020, kan die premie doorschieten naar 8,48%. Dat effect is hieronder uitgewerkt. Sector 2019 2020 Verschil Uitzenden Fase A 52 1,6962 1,7510 3,23% Fase A 20 1,5756 1,7510 11,13% Fase A 45 1,5755 1,7510 11,14% Fase A 51 1,5856 1,7510 10,43% Payrollen Fase B 52 1,7150 1,7949 4,66% Fase B 20 1,6025 1,7949 12,01% Fase B 45 1,6087 1,7949 11,57% Fase B 51 1,6135 1,7949 11,24% Het verschil in geld voor een payrollwerkgever Bovenstaande stijging geldt alleen nog maar voor de factor. Maar stel dat het gaat om een payrollwerknemer in fase B met Pluspensioen die een bruto uurloon van € 12,50 heeft. Die werknemer kost in 2019 € 21,44. Stel dat de waarde van de aanvullende arbeidsvoorwaarden waar hij recht op krijgt 10% is en dat dat verdisconteerd moet worden in het uurloon. Dat stijgt dan naar € 13,75 en dat kost in 2020 ineens € 24,68. Een stijging van meer dan 15%. Wordt diezelfde werknemer nu nog in een vaksector verloond, dan stijgt de kostprijs zelfs meer dan 22%! En 10% extra loon heb je snel te pakken als er sprake is van bijvoorbeeld een 13e maand en een paar extra vakantiedagen. Payrollen Sector 2019 2020 Verschil Fase B 52 € 21,44 € 24,68 15,12% Fase B 20 € 20,03 € 24,68 23,21% Fase B 45 € 20,11 € 24,68 22,73% Fase B 51 € 20,17 € 24,68 22,37% Conclusie De ruim 3% die uitzenden in fase A duurder wordt, geldt in vergelijkbare mate ook voor reguliere werkgevers en komt bijna volledig op het conto van de aanpassingen in de premie WW. De éxtra stijging van de factoren tot ongeveer 12% komt vooral door het afschaffen van de sectorverloning en het daardoor (ook) wegvallen van de begrensde premie ZW-flex. Voor payrollwerkgevers zal de stijging nóg veel meer worden, omdat ook de extra arbeidsvoorwaarden betaald moeten worden. Dan kan de stijging van de kostprijs in geld oplopen tot meer dan 22%. Als een Kamerlid naar bovenstaande tabellen kijkt, zal zijn conclusie vast zijn: mission accomplished! Als een ondernemer naar bovenstaande tabellen kijkt zal hij denken: hier wordt een branche vermoord. De waarheid zal vast ergens in het midden komen te liggen. Eén ding staat echter vast: flex wordt duurder. En dan heb ik het nog niet eens gehad over de gevolgen van de WAB voor de backoffice payrollers…. Marcel Reijmers, directeur FlexKnowledge Naast de kostprijs raakt de WAB natuurlijk nog veel mee onderdelen van uw bedrijfsvoering. Daarom organiseren ARTRA, FlexKnowledge en VRF Advocaten in april op drie verschillende locaties in totaal 6 seminars over de WAB. Tijdens die seminars komen alle aspecten van de WAB aan bod. Meer informatie vindt u hier. Geplaatst in Branchenieuws | Tags Kostprijs, Marcel Reijmers, payrolling, Uitzenden, WAB, Wet Arbeidsmarkt in Balans | Reacties uitgeschakeld voor Uw kostprijs en de Wet Arbeidsmarkt in Balans