Ger Jaarsma voorzitter Stichting PayOK Geplaatst 17 januari 2020 door Hinke Wever Stichting PayOK heeft met ingang van 15 januari 2020 Ger Jaarsma benoemd tot voorzitter. Ger is een zeer ervaren bestuurder, zowel in het bedrijfsleven als in de publieke sector. Hij heeft ruime ervaring binnen de uitzendsector, wat hem bij uitstek geschikt maakt voor deze functie. Stichting PayOK beheert het keurmerk dat ondernemingen toetst op de juiste beloning van hun werknemers. Dit is noodzakelijk sinds het in werking treden van de Wet Aanpak Schijnconstructies (WAS). Die bepaalt dat ondernemers aansprakelijk zijn voor de juiste beloning van werknemers in de hele keten, dus ook als die werknemers in dienst zijn bij een onderaannemer of uitzendbureau. Als zo’n onderaannemer of uitzendbureau niet conform de geldende CAO betaalt kan de werknemer het te weinig ontvangen loon opeisen bij de opdrachtgever. Bij een PayOK – gecertificeerde onderneming weet een opdrachtgever dat dit goed is geregeld en hij niet voor onaangename verrassingen komt te staan. PayOK kent een strenge certificeringsprocedure. Bedrijven die deze procedure met succes doorlopen bieden hun opdrachtgevers zekerheid en veiligheid. Inmiddels zijn al ruim 50 bedrijven gecertificeerd, waaronder uitzendbureaus en diverse aanneembedrijven. “Met het aantreden van Ger Jaarsma zetten we de volgende stap in de ontwikkeling van PayOK”, aldus Gerlof Roubos, directeur van de Stichting. “Het is belangrijk dat PayOK meer bekendheid krijgt bij opdrachtgevers en branche organisaties. Inhuur van arbeid brengt serieuze risico’s met zich mee. Naast onverwachte loonclaims kan het ook gaan om negatieve publiciteit en het aantasten van de reputatie van de onderneming. Daar zit je als opdrachtgever niet op te wachten. PayOK certificering ondervangt die risico’s.” De nieuwe voorzitter Ger Jaarsma: “Het is van groot belang dat alle medewerkers, dus ook ingehuurde medewerkers zoals flexkrachten, op de juiste manier worden beloond. PayOK certificering is in mijn ogen onderdeel van goed opdrachtgeverschap. Daarmee wordt het onderscheid tussen flexkrachten en vaste krachten geminimaliseerd en krijgen medewerkers letterlijk ‘hun verdiende loon’. PayOK certificering sluit daarom ook goed aan op het beleid van de landelijke overheid. In mijn ogen zou deze certificering eigenlijk verplicht moeten zijn voor elke onderneming die medewerkers uitleent of verhuurt”. Bron: PayOK, persbericht 17 januari 2020 Zie ook Interview: PayOK keurmerk bevordert juiste CAO-verloning Geplaatst in Nieuws | Tags benoeming, Ger Jaarsma, inlenersbeloning, PayOK, Wet Aanpak Schijnconstructies | Reacties uitgeschakeld voor Ger Jaarsma voorzitter Stichting PayOK
Atik Uitzendbureau opent in Roosendaal nieuwe huisvesting arbeidsmigranten Geplaatst 17 januari 2020 door Hinke Wever Wooncomplex Atik Village in Roosendaal, speciaal voor arbeidsmigranten, is op 16 januari jl. geopend. Daarmee heeft Atik Uitzendbureau moderne arbeidsmigrantenhuisvesting neergezet, met onder meer 56 zelfstandige 5-kamer appartementen van 80 m2. Atik Uitzendbureau zegt hierover: “Arbeidsmigranten zijn niet meer weg te denken. Tegelijkertijd heeft deze instroom ook voor de nodige uitdagingen gezorgd voor zowel uitzendbureaus, werkgevers als gemeenten. Er is al jaren sprake van een chronisch woningtekort. Wij hebben de handschoen opgepakt en het hele Atik Village concept in eigen beheer ontwikkeld en uitgevoerd. Ruim 5 jaar later is het zover.” Wat biedt de huisvesting? • 56 zelfstandige 5-kamer appartementen van 80 m2 • 4 slaapkamers, een centrale keuken, woonkamer, badkamer en waskamer • 130 parkeerplaatsen op eigen terrein • 260 zonnepanelen • Er is 24/7 een eigen beheerder aanwezig • Glasvezel internet en GSO-systeem Voordelen medewerkers: • Ruimte en comfort per persoon • Privacy en sociale binding • Integratie binnen een ‘eigen’ omgeving • Toezicht in combinatie met 1-op-1 begeleiding Bron: Atik persbericht 16 januari 2020 Geplaatst in Bedrijfsnieuws | Tags Atik Uitzendbureau, huisvesting arbeidsmigranten | Reacties uitgeschakeld voor Atik Uitzendbureau opent in Roosendaal nieuwe huisvesting arbeidsmigranten
Grip op ziekteverzuim als verdienmodel? Geplaatst 16 januari 2020 door Ellen van Hierden Ellen van Hierden Grip op ziekteverzuim als verdienmodel? Column door Ellen van Hierden 1001 contracten Je kunt van alles van flexorganisaties zeggen, maar er is geen gebrek aan creativiteit en inventiviteit. In de afgelopen jaren hebben we binnen de flexbranche er wat op los geëxperimenteerd. Het begon met het inzetten van verschillende contracten. Iedereen kent natuurlijk de mogelijkheden van de week-, maand- en projectcontracten, met of zonder uitzendbeding. Deze zijn door (bijna) alle organisaties volop benut. Mogelijkheden (waren er) te over. Sectorverloning Vervolgens hebben we de mogelijkheden van de sectorverloning ontdekt. Gecombineerd met alle contractvormen gaf dat talloze mogelijkheden en heeft dat dito winst opgeleverd. Want, zoals bekend, worden alle bedrijven in Nederland op basis van hun kernactiviteit ingedeeld in een van de ruim 60 verschillende sectoren. Wanneer er met groepen uitzendkrachten met vergelijkbare werkzaamheden uitzendovereenkomsten zonder uitzendbeding was overeengekomen, dan werden deze werknemers door de Belastingdienst niet als uitzendkrachten, maar als ‘gewone’ werknemers gezien en kon de indeling in een vaksector plaatsvinden. Hiermee kon fors op de genoemde premies worden bespaard. Voor flexorganisaties is hier in het kader van de WAB een streep doorgehaald. Alle flexorganisaties vallen als vanouds weer onder sector 52. Gelijk speelveld Tegelijk met de invoering van de WAB is er voor flexorganisaties een gelijk speelveld gecreëerd: sectorverloning is niet meer mogelijk. De nadruk komt weer te liggen op het maken van de juiste match, het vinden en binden van de juiste kandidaat. En niet alleen dat, hoe zorgen we ervoor dat je kandidaten inzetbaar zijn en blijven? De enige financiële ‘knop’ waar nog aan gedraaid kan worden is de knop van de premie Werkhervattingskas. Concreet betekent dit het zorgen voor een gezonde flexpopulatie met zo weinig mogelijk verzuimdagen. Hoe gezond is flexibel Nederland? Helaas is er weinig bekend over het ziekteverzuim van flexwerkers in Nederland. Wel kan je bij het CBS veel gegevens ophalen over ziekteverzuim in Nederland. Momenteel ligt het ziekteverzuimpercentage op 4,0%. Ten opzichte van een jaar geleden is dat percentage licht gestegen (van 3,9% naar 4,0%). Als je echter kijkt naar het percentage in 2016, lag dat op 3,5%. Wat verder opvallend is, is dat het ziekteverzuim bij kleine organisaties tot 10 medewerkers, 2x zo laag is als bij organisaties met 100 of meer werknemers. Bron: CBS Gelukkige (flex)werkers Daarnaast zien we de laatste jaren dat er steeds meer onderzoek gedaan wordt naar de gezondheid en het welbevinden van medewerkers. Ook is het bekend dat gelukkige mensen significant minder verzuimen dan mensen die minder goed in hun vel steken. Maar, hoe zorgen we dat mensen gezond zijn en blijven? En hoe kan je dit als organisatie positief beïnvloeden? Invloed uitoefenen start met inzicht. Welke mensen verzuimen en waarom verzuimen zij? En welk beleid zet je hierbij in? Trends voor de komende jaren Zowel werkgevers als werknemers zien werkstress en de balans tussen werk en privé als grootste gezondheidsrisico’s. Werknemers zien, in tegenstelling tot werkgevers, werksfeer en slaapstoornissen als voornaamste risico. Daarnaast is vergrijzing een bron van zorg. Mensen moeten langer doorwerken tot hun pensioenleeftijd, waarbij men zich zorgen maakt om de inzetbaarheid en belastbaarheid. Hoe krijg je inzicht? Er zijn scans, maar je kan ook ‘old school’ in gesprek met je werknemers. 20% van de werkgevers geeft aan geen gebruik te maken van de middelen om inzicht te krijgen in gezondheidsrisico’s. Als ze hier wel aandacht aan besteden, dan zie je dat zij vooral gebruik maken van de gegevens van de Risico Inventarisatie & Evaluatie (RIE) en preventief medische onderzoek (PMO) om trends en gezondheidsrisico’s te duiden. Verder is en blijft het van belang dat je in gesprek gaat met je medewerker en de vraag is wel: mag je hierbij de gezonde of ongezonde levensstijl bespreekbaar maken of hier zelf consequenties aan verbinden? Cure? Na inzicht en het bespreekbaar maken van de oorzaken van verzuim is het belangrijk dat de juiste interventies worden ingezet. Wat is er mogelijk en wat is effectief? Je ziet dat veel werknemers zelf al verantwoordelijkheid nemen voor hun eigen gezondheid en welbevinden. 6 op 10 interventies zijn door medewerkers zelf in gang gezet. Slechts een derde van de interventies had hierbij een preventief karakter. Wat nog steeds voor flexwerkgevers een uitdaging is, is de ‘afstand’ tussen de flexorganisatie en de plek waar de arbeid daadwerkelijk wordt uitgevoerd. Resumé Gezondheid en welbevinden van flexwerkers wordt steeds belangrijker voor alle werkgevers. Niet alleen op het gebied van financial control, maar vooral ook in jouw begeleidende rol als werkgever. Veel flexwerknemers zijn zelf al actief bezig met hun leefstijl en staan open voor ondersteuning hierin. Veel flexwerkgevers zijn onvoldoende op de hoogte van de cijfers en de mogelijkheden waarmee je als werkgever zicht krijgt op het ziekteverzuim. Er kan meer en veel medewerkers zijn bereid om hulp en ondersteuning te aanvaarden. Maak hier dankbaar gebruik van! Ellen van Hierden, artra Zie ook Waarom worden uitzenders eigenrisicodrager Ziektewet? Geplaatst in Branchenieuws | Tags artra, blog, Ellen van Hierden, ziekteverzuim | Reacties uitgeschakeld voor Grip op ziekteverzuim als verdienmodel?
AVV-dispensatie van de CAO voor Uitzendkrachten ABU, hoe werkt het? Geplaatst 16 januari 2020 door Hinke Wever AVV-dispensatie van de CAO voor Uitzendkrachten ABU, hoe werkt het? De Raad van State Afdeling Bestuursrechtspraak heeft recent vier uitspraken gedaan die hierop betrekking hebben. Twee uitspraken behandelen de dispensatieverzoeken van DPA en Tentoo aan de minister van SZW om te worden vrijgesteld van de algemeen verbindend verklaarde ABU-CAO. De Afdeling vindt dat het ministerie afwijzing van de dispensatieverzoeken beter had moeten motiveren. De beroepen van Payned en Connexie zijn ongegrond verklaard. Is er nu iets veranderd aan de situatie? Wat is de voorgeschiedenis? Hoe werkt het eigenlijk als een onderneming dispensatie wil vragen van een sector-cao? Hoe zit dat specifiek in de uitzendsector? Jurriën Koops, Algemeen Directeur ABU Visie van de ABU Wat betreft de DPA-uitspraak vindt de ABU dat de impact niet groter moet worden gemaakt dan dat deze is. “We kunnen niet concluderen dat detacheren niet meer onder de uitzend-cao valt. We kunnen wel concluderen dat de Minister opnieuw het besluit moet motiveren wat hij heeft genomen. De Raad van State heeft ook aangegeven dat DPA en Tentoo hun beroepsgrond onvoldoende hebben gemotiveerd. Het is niet meer dan dat.” Hoe werkt het aanvragen van dispensatie? De ABU licht het toe: “Ondernemingen kunnen een ondernemings-cao afsluiten. Het kan zo zijn dat deze ondernemingen ook onder de werkingssfeer van een algemeen verbindend verklaarde cao vallen. In dat geval hebben die ondernemingen dispensatie nodig van de algemeen verbindend verklaarde cao. Dispensatie kan op twee manieren worden bewerkstelligd. Voor de uitzendbranche werkt het als volgt: Dispensatie door cao-partijen In de eerste plaats kan dispensatie worden verzocht bij cao-partijen zelf. Hiervoor is noodzakelijk dat duidelijk in de cao is geregeld hoe dispensatie mogelijk is. Waar een dispensatiebeleid in een cao precies aan moet voldoen is bepaald in het Toetsingskader AVV. In de ABU CAO voor uitzendkrachten is in Bijlage VII opgenomen wat de criteria voor dispensatie zijn. De Dispensatiecommissie toetst een dispensatieverzoek aan de volgende criteria: Het dispensatieverzoek moet zijn ingediend door gezamenlijke partijen bij een andere rechtsgeldige cao. De partijen die om dispensatie verzoeken moeten voldoende onafhankelijk van elkaar zijn, zoals geformuleerd in het Toetsingskader Algemeen Verbindend Verklaring cao-bepaling, inwerkingtredingsdatum: 01-01-1999; zoals laatstelijk gewijzigd bij de Staatscourant 2010, 13489. De cao waarvoor dispensatie wordt verzocht, is aan werknemerszijde afgesloten met minimaal twee verschillende partijen die rechtstreeks betrokken zijn bij de ABU-CAO, dan wel twee verschillende partijen die zijn aangesloten bij dezelfde vakcentrales als die waarbij werknemersorganisaties betrokken bij de ABU-CAO zijn aangesloten. De cao waarvoor dispensatie wordt verzocht, mag niet strijdig zijn met het recht. De cao die voor dispensatie wordt voorgedragen, dient ten minste gelijkwaardig te zijn aan de CAO voor Uitzendkrachten. Het verzoek dient gemotiveerd te zijn. Een onderneming kan op ieder moment dit verzoek aan partijen doen. Dispensatie door de Minister Daarnaast kan dispensatie worden verzocht gedurende het proces van algemeenverbindendverklaring. Alvorens een cao algemeen verbindend wordt verklaard, ligt hij drie weken ter visie. Gedurende die drie weken kan een onderneming dispensatie verzoeken bij Sociale Zaken. Als de cao eenmaal algemeen verbindend is verklaard, kan SZW geen dispensatie meer verlenen. Het proces van dispensatieverlening op verzoek tijdens de tervisielegging start dus met het verzoek van de onderneming. De minister willigt het dispensatieverzoek in principe in wanneer partijen die om avv hebben verzocht ten aanzien van het dispensatieverzoek geen bezwarende zienswijze hebben ingediend, dan wel niet binnen de gestelde termijn een zienswijze hebben ingediend. Wanneer partijen bij de cao wel een bezwarende zienswijze indienen, beoordeelt SZW het verzoek op het hieronder opgenomen criterium: “Dispensatie van avv wordt alleen verleend indien vanwege zwaarwegende argumenten toepassing van de bedrijfstak-cao door middel van avv redelijkerwijze niet kan worden gevergd. Van zwaarwegende argumenten is met name sprake als de specifieke bedrijfskenmerken op essentiële punten verschillen van de ondernemingen die tot de werkingssfeer van de avv-cao gerekend kunnen worden. Weging van de afzonderlijke arbeidsvoorwaardenpakketten vindt in het kader van een dispensatieverzoek niet plaats.” Wanneer de Minister van mening is dat aan het bovenstaande criterium niet is voldaan, verleent hij geen dispensatie. Tevens geldt dat ieder dispensatieverzoek op zich wordt beoordeeld. Een onderneming kan in het verleden nog dispensatie hebben gekregen, maar in een daaropvolgend jaar bijvoorbeeld weer niet. Sociale zaken heeft vóór 2016 dispensatie verleend aan verschillende payrollondernemingen (Tentoo, Please, Connexie en Persoonality) en aan DPA. De ABU heeft nog voor die tijd, in 2011, dispensatie verleend aan DPA. Er is toen afgesproken dat DPA de ondernemings-cao zou omzetten naar een zogenaamde kop-cao. Dit houdt in dat de arbeidsvoorwaarden in de ondernemingscao beter zijn dan in de ABU-cao. In dat geval is de ondernemings-cao een aanvulling op de minimale ABU-cao en zou dispensatie niet meer nodig zijn. Dit is niet gebeurd waardoor dispensatie nog steeds nodig is. Er is geen dispensatie meer bij ABU cao-partijen gevraagd,” aldus de ABU. Erik Pentenga, FNV Flex Visie van FNV Ook Erik Pentenga, FNV-cao-onderhandelaar voor de uitzendsector, en vanuit die rol betrokken bij de CAO voor Uitzendkrachten ABU, denkt niet dat het verkrijgen van dispensatie nu makkelijker is geworden. “Wat deze RvS-uitspraken betekenen, daarover zijn wij ook nog in overleg met onze externe advocaat. Maar het betekent in ieder geval niet dat detacheringsbedrijven met een eigen ondernemings-cao nu gedispenseerd zijn van de algemeen verbindend verklaring van de ABU-CAO. Bedrijven mogen rechtstreeks aan partijen die betrokken zijn bij een sector-cao om dispensatie vragen als zij een eigen ondernemings-cao hebben. Er zijn nog altijd ondernemings-cao’s in diverse sectoren die op die manier dispensatie krijgen. Ze mogen ook rechtstreeks een aanvraag voor dispensatie doen bij de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Dispensatie is alleen nodig als je bijvoorbeeld op een of meer van de punten in de sector-cao minder goede arbeidsvoorwaarden aanbiedt in je ondernemings-cao. Gunstiger arbeidsvoorwaarden bieden dan vastgelegd in de sector-cao mag altijd bij minimum cao’s (wat de meeste sector-cao’s zijn). Er zijn vervolgens heel goede argumenten nodig om op een of meer onderdelen negatief van een sector-cao te mogen afwijken. In de afwijkende uitspraken van de Raad van State, Afdeling Rechtspraak, gaat het om Tentoo en DPA die ieder rechtstreeks bij de minister dispensatie hadden aangevraagd van de algemeen verbindend verklaarde ABU-CAO.” Historie van de situatie Pentenga schetst de historisch gegroeide situatie: “Tot 2016 werd aan deze bedrijven al meerdere keren door de Minister dispensatie verleend voor de AVV-CAO Uitzendkrachten (ABU). De betrokken ABU-CAO-partijen waren het niet eens met de beslissing van de Minister. Sinds 2007 is het zogenoemde ‘Toetsingskader AVV’ aangescherpt. Voorheen was het zo dat er per definitie dispensatie werd verleend als je een eigen ondernemings-cao had afgesloten. Naast de aanscherping van het Toetsingskader, heeft de minister ook opgeroepen in sector-cao’s vast te leggen dat en hoe ondernemingen dispensatie kunnen aanvragen bij de betrokken sector-cao-partijen. Dat is ook in de ABU-CAO opgenomen. In het verleden konden payrollorganisaties gebruik maken van een eigen sector-cao, de VPO-CAO. Als vakbonden wilden wij niet meer aan die cao meewerken, omdat we zagen dat vaste werknemers op deze manier in een goedkoper cao-regime gezet werden. Een aantal payrollbedrijven hebben vervolgens een andere vakbond gevonden om daarmee een ondernemings-cao te sluiten. Zij voerden diverse argumenten aan om te mogen worden gedispenseerd van de AVV ABU-CAO. Hun argumenten waren: ‘Wij doen niet aan werving en selectie, wij werken niet met intercedenten en wij maken gebruik van gespecialiseerde software’. Toch bleek dat in hun cao’s veelal dezelfde dingen werden verwoord die ook in de uitzend-cao stonden. Soms werkten deze payrollers niet met een fase A-periode (met uitzendbeding; als er geen werk is, is er geen loondoorbetaling), zoals gangbaar is in uitzenden, maar soms ook wel. Aanvankelijk zei de Minister: ‘Voor payrolling bestond ooit een eigen sector-cao. De bedrijfsvoering is anders bij payrolling, daarom moet dispensatie van de payrollondernemings-cao’s mogelijk zijn’. In 2016 is dat veranderd, mede doordat de Wet werk en zekerheid (Wwz) van kracht is geworden. De aanpassingen in de Wwz werden doorgevoerd in de ABU-CAO en zagen we ook terug in de payrollondernemings-cao’s. Tijdens de behandeling van dispensatieverzoeken vond de Minister in maart 2016 daarin grond om de dispensatieaanvragen af te wijzen. De payrollbedrijven die dispensatie aanvroegen konden op basis van een voorlopige voorziening gedurende de beroeps-procedure nog wel hun eigen cao toepassen. Het betrof Tentoo, DPA, Persoonality, Connexie, Please en Payned. Alle zes payrollers zijn in beroep gegaan tegen de beslissing van de minister. Dit leidde tot een lange procedure, die eerst bij het ministerie zelf diende en vervolgens bij de rechtbank. Voor de rechtbank steunden de CAO-partijen, ABU aan werkgeverszijde, FNV, CNV en De Unie aan werknemerszijde, de Minister in zijn besluitvorming. In januari 2019 werd in hoger beroep de zitting gehouden bij de afdeling Rechtspraak van de Raad van State en op 18 december 2019 volgden de uitspraken in deze zaak. (Please heeft zich gedurende de beroepszaak uit de procedure terug getrokken en is per 1 januari 2018 de AVV ABU-CAO gaan toepassen). Gedurende de loop van de procedure was er alweer een nieuwe ABU-CAO gesloten en zijn er dus twee periodes geweest waarin de ABU-CAO algemeen verbindend is verklaard. Ook de Raad van State heeft lopende de procedure een voorlopige voorziening toegekend, waarin de argumentatie werd gevolgd dat het voor DPA en Tentoo onredelijk in de kosten zou zijn tijdelijk de uitzend-cao te moeten volgen, mochten ze in hoger beroep uiteindelijk gelijk krijgen. Toch heeft Tentoo aan werkenden die werden verloond volgens hun eigen payroll-cao per 1 oktober 2019 een brief gestuurd dat zij voortaan via een andere bv volgens de NBBU-cao worden verloond. Ik concludeer hieruit dat het blijkbaar wel mee valt met de kosten om de uitzend-cao (in dit geval de NBBU-CAO) uit te voeren. De minister heeft op basis van het Toetsingskader AVV, niet kunnen vaststellen welke zwaarwegende argumenten (specifieke bedrijfskenmerken die op essentiële punten verschillen van andere bedrijven in de werkingssfeer van de cao) van de payrollbedrijven met zich mee brachten dat toepassing van AVV ABU-CAO redelijkerwijze niet gevergd kon worden en heeft in het voorjaar van 2016 gezegd dat hij geen dispensatie verleent. Als cao-partijen vinden wij de uitspraak van de Raad van State wel opmerkelijk, omdat de argumentering van het Ministerie in alle rechtszaken is onderschreven. Het Ministerie van SZW heeft dus in onze ogen terecht dispensatie geweigerd. De Raad van State zegt nu van Tentoo dat de Minister zijn besluit beter moet motiveren. Dat kan in mijn ogen niet tot een ander besluit van de Minister leiden. Inzake Tentoo is bij gebrek aan belang vanwege de al lang verlopen avv-periode m.b.t. het besluit van maart 2016 en de verkregen voorlopige voorziening, volgens de Raad van State niets nodig. Het beroep van DPA m.b.t. het besluit van april 2018 m.b.t. avv abu cao tm 1 juni 2019 ligt nog bij de Rechtbank en is geen onderdeel van de uitspraak van de Raad van State. Voorlopig concludeer ik daarom dat het nog geen slag makkelijker of moeilijker geworden is om met een eigen cao van de algemeen verbindend verklaarde CAO voor Uitzendkrachten af te wijken,” zo besluit Erik Pentenga. Bijdrage: Hinke Wever, FlexNieuws, in samenwerking met ABU en FNV Flex Geplaatst in Bedrijfsnieuws | Tags ABU, avv, CAO voor Uitzendkrachten, Dispensatie, FNV Flex, RvS | Reacties uitgeschakeld voor AVV-dispensatie van de CAO voor Uitzendkrachten ABU, hoe werkt het?
WRR-rapport pleit voor meer grip op inkomen, werk en leven Geplaatst 15 januari 2020 door Hinke Wever Op woensdag 15 januari heeft de WRR het rapport Het betere werk overhandigd aan Minister Koolmees van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Voor het event waren zo’n 250 belangstellenden naar Pakhuis De Zwijger gekomen in Amsterdam. De conclusie van de WRR is dat de kwaliteit van werk beter kan in Nederland. Om dit te bereiken is een brede, gecoördineerde aanpak nodig. Het hebben van werk is goed, zowel voor het inkomen en het zelfrespect van individuen als voor de samenleving. Maar dit geldt vooral als het werk ook goed werk is. 9 aanbevelingen om de kwaliteit van werk te verbeteren Voorkom oneerlijke concurrentie tussen werkenden met verschillende contractvormen. Ontwikkel een stelsel van contractneutrale basisverzekeringen en voorzieningen voor alle burgers, een stelsel dat past bij de nieuwe wereld van werk. Vernieuw het actief arbeidsmarktbeleid, onder andere door meer aandacht voor persoonlijke begeleiding. Geef mensen met een uitkering en weinig kans op de arbeidsmarkt een basisbaan. Ontwikkel een programmatische aanpak voor goed werk binnen bedrijven en instellingen. Versterk de positie van werkenden binnen arbeidsorganisaties Schep meer mogelijkheden om mensen de keuze te laten hoeveel uren ze willen werken, onder andere door goede kinderopvang en ouderenzorg te bieden en meer werken makkelijker afdwingbaar te maken. Zorg voor langdurige, collectief betaalde verlofregelingen voor zorg en meer zeggenschap over arbeidstijden. Maak de drie condities van goed werk (grip op geld, op werk en op leven) en de verdeling hiervan over de bevolking tot basis van overheidsbeleid en volg deze in de Monitor Brede Welvaart. Technologisering Drie ontwikkelingen staan centraal die verregaande gevolgen kunnen hebben voor de hoeveelheid werk, en vooral voor de aard van het werk. Ten eerste de technologisering van werk: robots, cobots en kunstmatige intelligentie (algoritmen). In ‘het tweede machinetijdperk’ is niet alleen fysieke arbeid te automatiseren, maar kunnen ook meer mentale taken door en met machines worden uitgevoerd. Een inzet op complementariteit is cruciaal: het bevorderen van samenwerking tussen mens en machine, zowel bij de ontwikkeling van toepassingen als bij de ‘implementatie’ ervan. Flexibilisering De tweede belangrijke ontwikkeling is de flexibilisering van werk. Nederland is een koploper in Europa op dit punt: inmiddels heeft 36 procent van de werkenden geen vast contract. De flexibilisering van werk is de afgelopen decennia meer dan verdubbeld, tot ruim 2 miljoen tijdelijk werkenden, oproepcontracten en uitzendwerkers, en 1,1 miljoen zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers). Flexibilisering; een tijdelijk contract, hoeft niet altijd een probleem te zijn als de werkgever maar voldoende investeert in ‘lerend werken’ en in het begeleiden van mensen naar ander werk. Intensivering van werk Intensivering van werk, oftewel de verandering van de snelheid en de aard van het werk, is de derde trend die de onderzoekers in dit rapport analyseren. Van de werkende mensen zegt 38 procent vaak of altijd snel te moeten werken om het werk af te kunnen krijgen. Vooral in de publieke sector, maar zeker niet alleen daar, is de als te hoog ervaren werkdruk de afgelopen tijd geagendeerd. Door de diensteneconomie is veel van ons werk mensenwerk. Een op de tien werkenden vindt het werk emotioneel zwaar. Intensivering kan mensen uit de arbeidsmarkt drukken die niet kunnen voldoen aan de hoogproductieve eisen die het werk stelt, bijvoorbeeld als zij een (mentale) arbeidsbeperking hebben, en kan de re-integratie van mensen met kanker of een burn-out ingewikkelder maken. Meer autonomie op het werk – meer vrijheid om het werk naar eigen inzicht in te vullen – is een buffer tegen intensivering. Deze drie ontwikkelingen zijn niet alleen medebepalend voor de hoeveelheid werk en voor wie werkt, maar ook voor de kwaliteit van werk. Bron: WRR, 15 januari 2020 Geplaatst in Nieuws | Tags WRR | Reacties uitgeschakeld voor WRR-rapport pleit voor meer grip op inkomen, werk en leven