loading
views

Slapende arbeidsovereenkomst

Slapende arbeidsovereenkomst

De slapende arbeidsovereenkomst van de zieke werknemer

Voorafgaande aan de wijziging van het ontslagrecht op grond van de Wet werk en zekerheid kon de werkgever het UWV om toestemming verzoeken om de arbeidsovereenkomst met een minstens twee jaar arbeidsongeschikte werknemer op te zeggen. Deze mogelijkheid is ongewijzigd na voornoemde wijziging van het ontslagrecht. De werkgever dient er evenwel rekening mee te houden, dat hij aan deze werknemer een transitievergoeding is verschuldigd, waar voorheen in beginsel geen vergoeding was verschuldigd.

Slapende arbeidsovereenkomst
Vanwege de verplichting om de transitievergoeding aan de langdurig arbeidsongeschikte werknemer te betalen, kan de werkgever ervoor kiezen de arbeidsovereenkomst niet te beëindigen. Ervan uitgaande dat zijn loondoorbetalingsverplichting (tijdens de eerste twee jaar van arbeidsongeschiktheid van de werknemer) is verstreken, zal de werkgever hieraan in beginsel geen kosten ondervinden. Hierbij wordt buiten beschouwing gelaten, dat de loonbetalingsverplichting mogelijk kan herleven (omdat de werknemer zich volledig hersteld meldt en beschikbaar stelt om arbeid te verrichten).

De vraag rijst of het ontlopen aan de verplichting om de transitievergoeding te betalen de werkgever kan worden verweten. Op grond van de beschikking van de kantonrechter te Gouda van 21 oktober 2015 (AR 2015-1095) kan niet worden uitgesloten, dat de werkgever een billijke vergoeding zal zijn verschuldigd wegens ernstig verwijtbaar handelen of nalaten, wanneer hij doelbewust een langdurig arbeidsongeschikte werknemer in dienst houdt.

Casus
De werknemer is langdurig arbeidsongeschikt, terwijl op de werkgever niet (langer) de loondoorbetalingsverplichting rust. Wegens het ontbreken – aan medewerking van de werknemer aan het opstellen van – een actueel oordeel van de bedrijfsarts omtrent de arbeidsgeschiktheid, heeft de werkgever niet het UWV toestemming verzocht om de arbeidsovereenkomst op te zeggen wegens langdurige arbeidsongeschiktheid, maar de kantonrechter verzocht om ontbinding wegens verwijtbaar handelen, dan wel nalaten van de werknemer.

Op grond van diens tegenverzoek heeft de werknemer (ogenschijnlijk alleen) verzocht om een schadevergoeding (gelijk aan de transitievergoeding) op grond van artikel 7:686 BW. Dit artikel bepaalt, dat de wettelijke beëindigings- en vergoedingsmogelijkheden niet de mogelijkheid voor een werkgever of een werknemer uitsluit om ontbinding van de arbeidsovereenkomst en een schadevergoeding te vorderen op grond van wanprestatie.

Afwijzing verzoek werkgever en tegenverzoek werknemer
Het ontbindingsverzoek van de werkgever wordt door de kantonrechter te Gouda afgewezen. In dit verband is overwogen, dat uit de huidige beleidsregels van het UWV niet volgt, dat een actueel oordeel van de bedrijfsarts als voorwaarde door het UWV is gesteld om een ontslagaanvraag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid in behandeling te nemen. Uit deze overweging kan worden afgeleid, dat het op het pad lag van de werkgever om – op grond van de wettelijk vastgestelde ontslagroute – het UWV om toestemming te verzoeken om de arbeidsovereenkomst op te zeggen, ondanks het ontbreken van het actueel oordeel van de bedrijfsarts. Daarnaast overweegt de kantonrechter, dat het niet ingaan op de oproep voor een afspraak met de bedrijfsarts ter zake geen verwijtbaar handelen of nalaten van werknemer oplevert, omdat deze afspraak dient om het actueel oordeel op te stellen en derhalve ziet op de voorbereiding van de ontslagprocedure bij het UWV. Met andere woorden, de kantonrechter te Gouda verwijt de werknemer niet, dat de werknemer niet heeft meegewerkt aan de beëindiging van het dienstverband door de werkgever.

Het tegenverzoek van de werknemer wordt eveneens afgewezen. De kantonrechter te Gouda overweegt dienaangaande, dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat de werkgever de arbeidsovereenkomst heeft voortgezet om te voorkomen, dat hij de transitievergoeding aan de werknemer dient te voldoen. De werkgever heeft immers wel geprobeerd de arbeidsovereenkomst te beëindigen. Voorts wijst de kantonrechter op de mogelijkheid, dat de werknemer om ontbinding verzoekt wegens ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, op grond waarvan ook kan worden verzocht om betaling van de transitievergoeding. De vordering op grond van wanprestatie lijkt zich hiervoor niet te lenen.

Conclusie
De kantonrechter te Gouda heeft in bovenbedoelde beschikking geen vergoeding toegewezen wegens het gepretendeerde in stand houden van de arbeidsovereenkomst van de langdurig arbeidsongeschikte werknemer. De indruk bestaat ook, dat de werknemer in de onderhavige zaak verstrikt is geraakt in diens eigen redenering, waarbij geen medewerking wordt verleend aan de beëindiging van het dienstverband (door geen medewerking te verlenen aan het opstellen van het actueel oordeel van de bedrijfsarts), maar de werkgever wel wordt verweten de arbeidsovereenkomst niet te willen beëindigen.

Daarentegen ziet het – op grond van de beschikking van de kantonrechter te Gouda – er naar uit, dat een billijke vergoeding kan worden toegewezen aan de langdurig arbeidsongeschikte werknemer, indien voldoende aannemelijk wordt gemaakt dat de werkgever de arbeidsovereenkomst doelbewust voortzet om de transitievergoeding niet te hoeven voldoen. Toekomstige rechtspraak zal hieromtrent uitsluitsel moeten geven.

Deze bijdrage is geschreven door mr. Remmelt Suir.

Voor meer informatie over de uitspraak of over Van Diepen van der Kroef Advocaten: stuur een email naar mw. mr. Babs Dubois – Van Kleef Van Diepen Van der Kroef Haarlem, tel. 023 542 42 92.

Gerelateerd nieuws


Meer uit deze rubriek