Maandelijkse archieven: oktober 2026

Uw internationale medewerkers zijn verzekerd. Maar wie regelt de huisarts?

Goed verzekerd zijn is één ding. Maar kan een internationale medewerker ook zelfstandig een huisarts of andere medische hulp vinden? Als dit niet lukt, komt de hulpvraag vaak bij de intercedent terecht. Die is tijd kwijt aan het vinden van passende zorg, terwijl dat niet tot de kerntaken behoort. 

HollandZorg gaat daarom verder dan alleen verzekeren, met meertalige begeleiding en toegang tot huisartsenzorg. Zo vinden internationale medewerkers zelfstandiger hun weg naar zorg en hoeven uitzendorganisaties minder vaak bij te springen.

“De rol van het uitzendbureau zou wat ons betreft moeten stoppen waar de vraag naar zorg begint”, zegt Simone Mensink, directeur Klant en Operations bij HollandZorg. “We zien dat intercedenten en HR-medewerkers soms veel tijd steken in het helpen van medewerkers bij zorgvragen. Die verantwoordelijkheid hoort niet bij hen. Daarom nemen we juist die drempels naar zorg weg.” 

Voor de toegang tot huisartsenzorg werkt HollandZorg onder meer samen met H4i-Digital. Internationale medewerkers kunnen daarbij digitaal en in hun eigen taal een medische vraag stellen en, als dat nodig is, worden doorgeleid naar een fysieke huisarts.

Als de werkgever de huisarts moet regelen

Frank van Kemenade, huisarts en initiatiefnemer van H4i-Digital noemt het voorbeeld van een Poolse medewerker die al enkele dagen hevige buikpijn had. Hij sliep er niet van, maar wilde zijn werk niet missen. Zijn werkgever probeerde medische hulp voor hem te regelen, maar vond geen arts die hem kon helpen. Dus werkte de medewerker door met pijnstillers. 

Pas toen hij zelf via een digitaal consult zijn klachten controleerde, kwam er beweging in. Het advies was duidelijk: direct bellen. Een Pools sprekende assistent regelde diezelfde dag een afspraak bij een huisartsenpraktijk in de buurt. De medewerker bleek een acute blindedarmontsteking te hebben. Diezelfde avond werd hij geopereerd.

Toegang tot zorg raakt daarmee ook de bedrijfsvoering van uitzendorganisaties. Als medewerkers niet zelfstandig de juiste zorg vinden, vraagt dat tijd van de organisatie en kunnen klachten langer aanhouden, met mogelijk uitval tot gevolg.

De polis is geregeld, de zorg nog niet

Dat onderscheid wordt belangrijker nu de toegang tot huisartsenzorg in Nederland onder druk staat. Volgens de Algemene Rekenkamer zoeken honderdduizenden mensen een (andere) huisarts en had ongeveer zestig procent van de huisartsenpraktijken in 2024 op enig moment een patiëntenstop.

Voor arbeidsmigranten komt daar nog iets bij. Zij kennen het Nederlandse zorgstelsel niet altijd, spreken de taal onvoldoende of verhuizen voor hun werk naar een andere plek. Als er dan klachten ontstaan, moeten zij soms juist op dat moment nog uitzoeken waar ze terechtkunnen.

“Voor internationale medewerkers is het vaak lastig om een huisarts te vinden, zeker als ze regelmatig verhuizen”, zegt Van Kemenade. “Als praktijken geen nieuwe patiënten aannemen, moeten ze opnieuw op zoek. Juist dan is het belangrijk dat er een laagdrempelige route naar huisartsenzorg is.”

En een huisarts vinden is nog maar de eerste stap. Want ook als dat lukt, moet een medewerker zijn klachten kunnen uitleggen en begrijpen hoe de Nederlandse zorg werkt.

Taal is bij een huisarts geen detail

HollandZorg vroeg in december 2025 aan 180 Poolse en 135 Roemeense medewerkers onder meer welke drempels zij ervaren om in Nederland naar een dokter te gaan. 

Van de Poolse respondenten noemde 49 procent de taal als drempel. Onder Roemeense respondenten was dat 39 procent. Daarnaast gaf respectievelijk 24 en 33 procent aan onvoldoende te begrijpen hoe het Nederlandse zorgstelsel werkt. Volgens HollandZorg bevestigen die uitkomsten het beeld dat de organisatie al langer in de praktijk ziet: verzekerd zijn betekent nog niet automatisch dat iemand de weg naar zorg weet te vinden.

Dat kan ook in de spreekkamer tot misverstanden leiden. Wie gewend is aan een ander zorgstelsel, heeft bijvoorbeeld andere verwachtingen over een verwijzing, scan of medicatie. “Door die verschillen in de eigen taal uit te leggen, voorkom je dat patiënten het gevoel krijgen dat ze worden afgescheept wanneer een verwijzing of scan medisch niet noodzakelijk wordt geacht”, zegt Van Kemenade.

Van zorgvraag naar zorg, zonder de intercedent ertussen

Voor uitzendorganisaties wordt de vraag daarmee heel praktisch: is de medewerker alleen verzekerd, of is ook geregeld wat er gebeurt als hij daadwerkelijk een dokter nodig heeft? HollandZorg wil de afhankelijkheid verkleinen door internationale medewerkers zelfstandig toegang te geven tot zorg en tegelijkertijd uitzendorganisaties te ontlasten.

De huisartsenzorgpilot die HollandZorg en H4i-Digital samen zijn gestart, brengt dat in de praktijk. De pilot ging van start voor ongeveer 30.000 verzekerde medewerkers in de regio’s Tilburg en Venlo. Vanaf het moment dat hun zorgverzekering ingaat,

kunnen zij in een van zestien talen een medische vraag stellen, zonder eerst zelf een huisartsenpraktijk te hoeven zoeken. Wie liever belt, kan dat ook doen.

Na de eerste beoordeling wordt gekeken welke zorg nodig is. Veel vragen kunnen direct digitaal worden behandeld, via een telefonisch of videoconsult met een zorgverlener. Is medicatie nodig, dan kan een recept naar een apotheek in de buurt worden gestuurd. En als lichamelijk onderzoek nodig is, wordt een afspraak geregeld bij een aangesloten huisarts. Digitaal is daarmee niet het eindpunt. Het is de ingang naar de juiste zorg.

Digitaal waar het kan, fysiek waar het moet

“Voor HollandZorg gaat het niet om digitaal óf fysiek. Het gaat erom dat internationale medewerkers snel bij passende zorg terechtkunnen, met een fysieke afspraak als dat medisch nodig is”, zegt Mensink.

Veel vragen kunnen op afstand worden beoordeeld. Bij de digitale huisartsendienst van HollandZorg is voor ongeveer zeventig procent van de digitale consulten geen fysiek bezoek nodig. Maar als lichamelijk onderzoek nodig is, moet die mogelijkheid er wel zijn. Daarom wordt ook het netwerk van fysieke huisartsenpraktijken verder uitgebreid. Op dit moment zijn praktijken in Zuid-Nederland aangesloten. Ieder kwartaal moeten daar nieuwe locaties bijkomen, met als doel landelijke dekking.

Voor Van Kemenade gaat het daarbij om meer dan gemak. Laagdrempelige toegang, zorg in de eigen taal (in zestien talen) en de mogelijkheid om fysiek naar een huisarts te gaan, kunnen volgens hem bijdragen aan vertrouwen in de zorg. “We zien dat onze manier van werken vertrouwen opbouwt bij patiënten. Daardoor zoeken mensen makkelijker hulp en komen ze eerder met hun klachten.”

Een andere vraag aan de zorgverzekeraar

Voor uitzendorganisaties verandert daarmee ook de vraag waarop zij een zorgverzekering voor arbeidsmigranten kunnen beoordelen. Premie en administratieve afhandeling blijven belangrijk. Maar een verzekeringspolis vertelt niet wat er gebeurt als een medewerker morgen wakker wordt met koorts, buikpijn of andere klachten.

Weet hij dan zelf waar hij terechtkan? Kan hij zijn medische vraag stellen in een taal waarin hij zich goed kan uitdrukken? Is er een route naar een fysieke huisarts als dat nodig is? En kan dat zonder dat de intercedent, planner of HR-medewerker eerst huisartsenpraktijken hoeft af te bellen?

Volgens HollandZorg is een zorgverzekering voor internationale medewerkers pas echt goed geregeld als zij niet alleen verzekerd zijn, maar ook zelfstandig hun weg naar de zorg kunnen vinden, begrijpen en gebruiken. Voor een uitzendorganisatie betekent dat: een medewerker die een dokter nodig heeft, hoeft niet eerst zijn intercedent te bellen.


Over HollandZorg

HollandZorg is specialist in zorgverzekeringen voor internationale medewerkers en ondersteunt werkgevers en uitzendorganisaties. Naast de zorgverzekering biedt HollandZorg meertalige begeleiding en ondersteuning bij het vinden en gebruiken van zorg. Met initiatieven zoals de samenwerking met H4i-Digital investeert HollandZorg in laagdrempelige toegang tot huisartsenzorg, digitaal en fysiek. Zo helpt HollandZorg uitzendorganisaties om zorg voor internationale medewerkers breder te regelen dan met een verzekeringspolis alleen.

Geplaatst in In de wereld, Werken 4.0 | Tags , , , | Laat een reactie achter

Minder zzp’ers, maar ook minder uitzendwerk: waar blijven flexkrachten?

In zes kwartalen tijd daalde het aantal zzp’ers dat eigen arbeid aanbiedt met 12,5 procent. Dat zijn 138.000 mensen die volgens het CBS niet langer zelfstandig aan het werk zijn. Ander dan wellicht verwacht of gehoopt: die personen hebben nu vaak geen vaste baan en werken ook niet via uitzendbureaus of detacheerders. Ze hebben vooral kortlopende contracten of werken via een oproepcontract. Dat blijkt uit het rapport ‘De nieuwe werkelijkheid van de zzp. De impact van handhaving, beleid en arbeidsmarktontwikkelingen in cijfers’ dat op 5 oktober is uitgebracht door ZiPconomy, HeadFirst en ONL voor Ondernemers.

Het doel van de reeks is volgens Sem Overduin, lead corporate en public affairs bij HeadFirst, om het debat te voeden met feiten in plaats van onderbuikgevoelens. Data van onder meer het CBS, TNO, de Kamer van Koophandel en Intelligence Group worden bij elkaar gebracht. “Het is niet aan ons om die afwegingen te maken”, benadrukt hij. “Dat is aan de politiek.” De cijfers laten wel een duidelijke conclusie toe: minder zzp betekent niet automatisch meer vast.

Een trendbreuk na dertig jaar groei

Hugo-Jan Ruts, oprichter van ZiPconomy en samen met Flexnieuws-hoofdredacteur Wim Davidse verantwoordelijk voor het onderzoek, zet eerst de verhoudingen recht. De zzp’er waar het politieke debat over gaat, de zelfstandige die eigen arbeid levert aan organisaties in langere opdrachten, vormt slechts 2,6 procent van alle werkenden in Nederland. De arbeidsmarkt is veel breder dan vast en flex, en ook andere groepen zelfstandigen merken de gevolgen van het beleid.

Sinds 1996 groeide het aantal zzp’ers eigen arbeid vrijwel onafgebroken met zo’n vijf procent per jaar, ook vóór het stimuleringsbeleid dat vanaf 2004 op gang kwam. Ook tijdens de financiële crisis en na het afbouwen van fiscale voordelen bleef de groei overeind. Met het opheffen van het handhavingsmoratorium op 1 januari 2025 kantelde dat beeld abrupt. Het Centraal Planbureau rekende eerder op 130.000 zzp’ers minder over 2025 en 2026 samen. Dat aantal is in het tweede kwartaal van 2026 al overschreden, toen waren er 138.000 zelfstandigen minder dan zes kwartalen eerder.

Bron: De nieuwe werkelijkheid van de zzp. De impact van handhaving, beleid en arbeidsmarktontwikkelingen in cijfers (2026)

Flexibiliteit verdwijnt niet, maar verschuift

De totale werkgelegenheid groeide sinds eind 2024 met slechts 37.000 werkenden. Daarachter gaat een forse verschuiving schuil:

  • Het aantal werknemers met een vast contract steeg met 2,1 procent.
  • De interne flexschil groeide ruim twee keer zo hard (+4,9 procent). Daaronder vallen tijdelijke werknemers, oproepkrachten en invalkrachten.
  • Het aantal uitzendkrachten en gedetacheerden nam juist af, met 29.000. Hun aandeel in de arbeidsmarkt is met 3,4 procent het laagste van deze eeuw.

CBS-cijfers over overstappen tussen arbeidsposities bevestigen dit beeld. Van de stoppende zelfstandigen die aan het werk blijven, komt een groter deel in een flexibel dienstverband terecht dan in een vaste baan. Tegelijkertijd bleef de totale flexschil met 37,6 procent van de werkzame beroepsbevolking vrijwel gelijk.

“De externe flexschil is duidelijk kleiner geworden, maar de totale behoefte aan flexibiliteit is nauwelijks veranderd,” zegt Wim Davidse, hoofdredacteur van Flexnieuws en een van de opstellers van het rapport. “Werkgevers halen die flexibiliteit nu vooral in huis via tijdelijke contracten en oproepkrachten.” De cijfers laten volgens Davidse ook zien dat, anders dan wellicht verwacht, uitzendwerk en detachering niet zijn toegenomen.

Niet naar vast, maar naar onzekere flex

De belangrijkste vraag in het rapport is waar die 138.000 zelfstandigen zijn gebleven. Niet in vaste banen, blijkt uit de CBS-cijfers. Ook niet in tijdelijke contracten met uitzicht op vast werk. En zelfs uitzenden en detacheren daalt. De groei zit in twee andere categorieën: korte tijdelijke contracten van drie tot zes maanden zonder uitzicht op vast en oproepcontracten. “Dat zijn ook wel de categorieën die we onzekere flex noemen”, zegt Ruts. Als het de bedoeling van beleidsmakers was om mensen meer vastigheid te bieden, “dan zie je dat in ieder geval nu niet in die cijfers terug”.

Bron: De nieuwe werkelijkheid van de zzp. De impact van handhaving, beleid en arbeidsmarktontwikkelingen in cijfers (2026)

Overduin ziet hetzelfde patroon in de overstapcijfers. De stap van zelfstandige naar een flexibel dienstverband piekte richting het eerste kwartaal van 2025 en loopt nu opnieuw op. De overstap naar een vast contract groeit veel minder hard. “De afname van het aantal zzp’ers vertaalt zich niet direct in een toename van vaste arbeidsovereenkomsten”, vat hij samen. Volgens hem laat dat zien dat de vraag naar flexibiliteit niet verdwijnt, maar verschuift van extern naar intern. “Organisaties en opdrachtgevers hebben echt behoefte aan die interne flexibiliteit.”

Maatschappelijk dilemma

De daling is niet overal even groot. Kijk je naar de gewerkte uren van zelfstandigen per sector, dan zette de krimp in onderwijs en zorg al eerder in dan januari 2025. Overduin wijst erop dat juist die sectoren politiek en maatschappelijk onder een vergrootglas lagen, net als de kinderopvang. In de bouw volgde de afname vanaf het eerste kwartaal van 2025. De zakelijke dienstverlening laat een stabieler beeld zien, omdat veel bedrijven daar eerder werk maakten van compliant inhuren.

Opvallend is ook waar de krimp naar beroepsniveau het hardst is: bij het eenvoudigere, praktische werk. Het gaat om een kleine groep, ongeveer twee procent van de zzp’ers eigen arbeid, terwijl twee derde op de hogere beroepsniveaus werkt. Toch is juist in deze groep (denk aan horecapersoneel, schoonmakers en glazenwassers) de schaarste groot. Overduin vermoedt dat deze groep vaker behoefte heeft aan zekerheid en nu een arbeidsovereenkomst krijgt aangeboden.

Ruts ziet daarin een maatschappelijk dilemma. De wens om zelfstandig te zijn is in deze groep niet kleiner dan bij hoogopgeleiden, en met het rechtsvermoeden bij een laag tarief komt er nog een maatregel aan die hen raakt. Hij waarschuwt voor een situatie waarin het ‘een privilege wordt om zzp’er te kunnen zijn’, alleen weggelegd voor de lucky few. 

Jonge zzp’ers haken af, 55-plussers niet

Ook naar leeftijd lopen de cijfers sterk uiteen. Bij jongere zzp’ers zit een duidelijke krimp, terwijl het aantal zelfstandigen van 55 jaar en ouder nog steeds groeit. Dat sluit aan bij onderzoek van Intelligence Group: van de zzp’ers onder de dertig jaar zegt zo’n 17 tot 18 procent liever in loondienst te werken. Bij 55-plussers ligt dat aandeel veel lager.

Bron: De nieuwe werkelijkheid van de zzp. De impact van handhaving, beleid en arbeidsmarktontwikkelingen in cijfers (2026)

Overduin verklaart het verschil onder meer door de levensfase. Oudere zelfstandigen kiezen vaak heel bewust voor het ondernemerschap. “Die hebben misschien al een carrière in loondienst achter de rug”, met een financiële buffer en lagere woonlasten. Zij kunnen het zich mogelijk ook permitteren om even de kat uit de boom te kijken. Ruts voegt daar een minder rooskleurige verklaring aan toe. Voor 55-plussers is het lastiger om een vaste of zelfs tijdelijke baan te vinden. “Arbeidsmarktdiscriminatie op leeftijd is de grootste arbeidsmarktdiscriminatie die er is.” 

De geest is nog niet terug in de fles

Tegenover de dalende CBS-cijfers staat een opvallend gegeven: het aantal zzp’ers dat staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel blijft netto groeien. Dat lijkt tegenstrijdig, maar de bronnen meten iets anders. Het CBS legt vast in welke contractvorm iemand op dit moment werkt. Wie een eenmanszaak heeft maar nu in loondienst werkt, telt daar als werknemer terwijl de inschrijving bij de KvK gewoon blijft staan.

Ook in de afgelopen zomermaanden kwamen er volgens de KVK netto 7.000 tot 9.000 zzp’ers bij, met elke maand bijna 20.000 nieuwe inschrijvingen. Ruts leest daarin dat de wens om zelfstandig te werken overeind blijft. “De geest is wat dat betreft nog niet terug in de fles.” Wie blij is met een nieuwe vaste baan, schrijft zijn eenmanszaak uit, redeneert hij. Dat dit niet massaal gebeurt, suggereert dat veel tijdelijke werknemers denken: “Mijn tijd komt wel weer.”

De cijfers van Intelligence Group wijzen dezelfde kant op. Het aandeel zzp’ers dat liever een baan zou hebben, schommelt al jaren rond de elf procent, in lijn met onderzoek van TNO. Zouden de vertrokken zelfstandigen tevreden zijn met hun nieuwe dienstverband, dan had dat aandeel fors moeten dalen. Dat gebeurt niet. Ruts trekt er een scherpe conclusie uit: “Vroeger hadden we het over gedwongen zzp’ers. We hebben het nu over gedwongen werknemers.” 

Wat Den Haag met de cijfers zou moeten doen

Hoewel de opstellers benadrukken dat de afweging aan de politiek is, geven beiden duidelijke signalen mee. Overduin vraagt beleidsmakers te toetsen of hun maatregelen het beoogde doel wel bereiken. Organisaties blijven flexibiliteit nodig hebben, en als die niet via zzp’ers kan, verschuift ze naar onzekere contracten. “Den Haag moet dat altijd wel in ogenschouw nemen”, aldus Overduin.

Overduin verwijst naar onderzoek van SEO Economisch Onderzoek uit 2024. Daaruit bleek dat ervaren zelfstandig professionals eerder stoppen als flexibel doorwerken moeilijk wordt, terwijl de krappe arbeidsmarkt hen hard nodig heeft. “Men wil ook graag. Dat is misschien nog wel het belangrijkste.”

Tot slot pleiten de sprekers voor beter onderbouwd beleid en een logische volgorde. De zachte landing van de handhaving vervalt per 1 januari 2027, terwijl de Zelfstandigenwet, nu nog in internetconsultatie, mogelijk per 1 januari 2028 ingaat. Overduin verwacht dat de nieuwe cijfers het debat in de Tweede Kamer over het gelijktrekken van die data kunnen aanwakkeren. Ruts plaatst er nog een kanttekening bij: of de 138.000 ‘verdwenen’ zzp’ers terugkeren met de Zelfstandigenwet, “dat vraag ik me wel een beetje af”. Daarvoor ligt de lat van de zelfstandigenwet – zeven vinkjes noemt Ruts dat – toch best hoog. 

In Den Haag is het volgens Ruts nog relatief stil rond de zzp-markt; direct na Prinsjesdag ligt de aandacht bij grotere politieke dossiers. Maar met de Zelfstandigenwet in aantocht verwacht hij dat de discussie snel losbarst. Overduin gaat het rapport persoonlijk langs politici en beleidsmedewerkers brengen. Zijn boodschap: “Lees het vooral.”

 

Lees het volledige rapport

Het volledige rapport ‘De nieuwe werkelijkheid van de zzp’ is hier  te downloaden. Wie het hele gesprek wil zien, inclusief de vragen uit het publiek over de omzetting van eenmanszaak naar bv en de verschillen tussen CBS- en KvK-cijfers, kan onderstaande webinar terugkijken.

 

 

 

 

Bekijk hieronder het webinar waarin Sem Overduin en Hugo-Jan Ruts de hoofdpunten uit het rapport ‘De nieuwe werkelijkheid van zzp. De impact van handhaving, beleid en arbeidsmarktontwikkelingen in cijfers’ bespreken.

 

Geplaatst in Arbeidsmarktdata, In de wereld | Tags , , | Laat een reactie achter

Van cultuurmatch naar teamkracht: waarom verschillen organisaties sterker maken

Je wordt gebeld door een opdrachtgever. Ze hebben snel een professional nodig. Tijdens het gesprek valt de bekende opmerking: ‘We zoeken iemand die bij het team past.’

Een logische wens, maar als detacheerder kun je jezelf afvragen of dit wel de juiste vraag is. Want gaat het echt om een cultuurmatch? Of heeft het team nu juist iemand nodig die iets toevoegt wat ontbreekt? 

Als uitzender heb je de kans om verder te kijken dan de eerste vraag van de opdrachtgever. Door samen te onderzoeken wat het team nodig heeft om sterker te worden, vergroot je niet alleen de kans op een succesvolle plaatsing, maar bouw je ook aan een duurzame samenwerking.

Waarom vragen opdrachtgevers vaak om een cultuurmatch?

Wanneer een opdrachtgever vraagt om iemand die ‘goed bij het team past’, gaat het meestal niet letterlijk over de organisatiecultuur. Vaak zit er een praktische behoefte achter. Ze zoeken een professional die snel zelfstandig aan de slag kan, prettig samenwerkt en weinig begeleiding nodig heeft. Zeker bij uitzenden, waar snelheid vaak belangrijk is, is dat een begrijpelijke wens.

Toch wordt cultuur regelmatig verward met persoonlijkheid. Een rustige professional kan uitstekend functioneren in een energiek team. Net zoals een extraverte kandidaat prima past binnen een analytische organisatie. Uiteindelijk gaat het minder om iemands karakter en meer om gedeelde verwachtingen, professioneel gedrag en de manier waarop mensen samenwerken.

De vraag is daarom niet alleen of iemand bij het team past, maar vooral of die professional het team verder helpt.

De vraag achter de vraag: welk probleem moet deze professional oplossen? 

Als uitzender vraag jij daarom door en zoek jij de vraag achter de vraag. Want de opmerking ‘de kandidaat moet goed bij het team passen’ zegt nog weinig over wat een organisatie echt nodig heeft.

Stel daarom vragen als: waarom is deze opdracht ontstaan? Waar loopt het team op vast? Welke kennis of ervaring ontbreekt? En welke kwaliteiten zijn juist ondervertegenwoordigd? 

De antwoorden geven vaak een goed beeld van wat de opdrachtgever zoekt. Misschien zoeken ze geen extraverte teamspeler, maar iemand die structuur aanbrengt. Of geen kandidaat die precies in het bestaande team past, maar juist een professional die nieuwe ideeën inbrengt of kritische vragen durft te stellen.

Juist daar verschuift jouw rol. Je bent niet alleen bezig met het invullen van een opdracht, maar helpt een opdrachtgever scherper te krijgen welke professional werkelijk waarde toevoegt.

Waarom maken verschillen teams sterker?

Een team waarin iedereen op dezelfde manier denkt en werkt, voelt vaak prettig. Er is weinig discussie, besluiten worden snel genomen en de samenwerking verloopt soepel. Maar juist daarin schuilt ook een risico. 

Wanneer teamleden dezelfde aannames maken en problemen vanuit hetzelfde perspectief bekijken, worden blinde vlekken minder snel ontdekt. Nieuwe ideeën blijven vaker uit en kritische vragen worden minder snel gesteld. Dit verschijnsel staat ook wel bekend als groepsdenken: de neiging om het met elkaar eens te zijn, waardoor alternatieve inzichten minder aandacht krijgen.

Sterke teams bestaan daarom niet uit mensen die allemaal hetzelfde zijn. Ze bestaan uit professionals die dezelfde doelen nastreven, maar verschillende kennis, ervaringen en perspectieven meenemen. Juist die verschillen zorgen voor betere afwegingen, creatievere oplossingen en meer veerkracht. 

Een cultuurmatch zorgt vaak voor comfort. Een aanvulling zorgt voor ontwikkeling.

De uitzender als adviseur

Opdrachtgevers verwachten steeds vaker meer dan alleen een snelle invulling van een vacature. Ze zoeken een partner die meedenkt, kritische vragen stelt en helpt om de juiste keuze te maken. 

Dat betekent soms ook dat je een opdrachtgever uitdaagt. Niet door tegen te spreken, maar door nieuwsgierige vragen te stellen. Wanneer een opdrachtgever zegt dat een kandidaat ‘goed bij het team moet passen’, kun jij helpen onderzoeken welke kwaliteiten het team nog mist.

Juist daarin onderscheidt een adviseur zich van een leverancier. Je kijkt niet alleen naar het cv of de persoonlijkheid van een kandidaat, maar naar de bijdrage die iemand kan leveren aan het succes van het hele team.

5 vragen die het gesprek veranderen

Een opdrachtgever weet vaak al welke kandidaat prettig voelt. Als uitzender help jij ontdekken welke kandidaat daadwerkelijk waarde toevoegt.

Stel bijvoorbeeld deze vragen:

  • Welke kennis of expertise ontbreekt op dit moment in het team?
  • Welke kwaliteiten zijn juist al sterk vertegenwoordigd?
  • Bij welke vraagstukken loopt het team het vaakst vast?
  • Welke kwaliteit zou het huidige team aanvullen in plaats van versterken wat er al is?
  • Waar willen jullie als team over een jaar in gegroeid zijn?

Met deze vragen verschuift het gesprek van ‘wie past erbij?’ naar ‘wie maakt het team sterker?’ . Dat leidt niet alleen tot een betere plaatsing, maar ook tot een team dat zich blijft ontwikkelen.

De beste plaatsing is niet altijd de meest herkenbare

Een kandidaat die direct lijkt aan te sluiten bij het team voelt vaak als de veiligste keuze. Maar de professional die nét een ander perspectief, aanvullende expertise of nieuwe kwaliteiten meebrengt, kan op de lange termijn veel meer waarde toevoegen.

Uiteindelijk draait een succesvolle plaatsing daarom niet om de vraag of iemand op het huidige team lijkt. Het draait om de vraag of die professional het team verder brengt.

Voor jou als uitzender ligt daar een mooie kans. Niet alleen door opdrachten succesvol in te vullen, maar door opdrachtgevers te helpen betere keuzes te maken. Want wie verder kijkt dan een cultuurmatch, bouwt niet alleen aan een goede plaatsing, maar ook aan sterkere teams en duurzamere samenwerkingen.

Geplaatst in Branchenieuws, In de branche | Tags , | Laat een reactie achter

Normenkader gelijkwaardig belonen Wtta bekend gemaakt.

Welke beloningselementen moet een uitlener straks aantoonbaar overnemen van de inlener? Wat moet je laten zien als je kiest voor gelijkwaardig belonen in plaats van gelijk belonen? En schuift het toelatingsstelsel nu op?

Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft vandaag de ontwerpregeling gepubliceerd die de beloningseisen in het normenkader van de Wet toelating terbeschikkingstelling van arbeidskrachten (Wtta) vastlegt.

Naar het aanvullend kader werd met spanning uitgekeken: elke uitlener die een toelating wil, moet hieraan gaan voldoen. Definitief is het niet het nog niet. Tot en met 22 oktober kan iedereen via een internetconsultatie reageren.

Waarom een nieuwe normeis?

De Wtta schrijft voor dat het normenkader een eis bevat over gelijke behandeling van uitzendkrachten, zoals vastgelegd in artikel 8 van de Waadi. Die eis moet nu worden aangepast, omdat de Wet meer zekerheid flexwerkers gelijkwaardig belonen mogelijk maakt. Volgens de toelichting bij de regeling treedt dat onderdeel per 1 januari 2027 in werking.

In de cao voor uitzendkrachten is gelijkwaardig belonen al sinds januari 2026 opgenomen. Het normenkader moest daarop worden afgestemd.

Twaalf beloningselementen

De kern van de controle draait om een vaste, limitatieve lijst van beloningselementen. Die lijst is uitgebreid met vakantiedagen en de dertiende maand en telt nu twaalf elementen. De uitlener moet bij de inlener informatie ophalen over deze arbeidsvoorwaarden en over de pensioenregeling.

Vervolgens hangt het ervan af welke route de uitlener kiest.

  • Route 1: de waarde van de inlener volgen. Dat is aan de orde als de cao voor uitzendkrachten niet van toepassing is, of als de uitlener ervoor kiest niet af te wijken. De uitlener moet dan aan de inspectie-instelling laten zien dat de waardes zoals opgegeven door de inlener zijn overgenomen en ook daadwerkelijk zijn verloond.
  • Route 2: afwijken via gelijkwaardig belonen. Wijkt de uitlener af van de waarde van een of meer van de twaalf elementen, omdat ze onderdeel zijn van een gelijkwaardige beloning? Dan moet hij inzichtelijk maken:
  1. hoe iedere gewijzigde arbeidsvoorwaarde is gecompenseerd;
  2. welke waardes wél zijn overgenomen;
  3. dat het totale arbeidsvoorwaardenpakket ten minste gelijkwaardig is.

Het derde punt volgt al uit de Wet meer zekerheid flexwerkers. Het eerste punt is nieuw: de compensatie per afzonderlijke arbeidsvoorwaarde aantonen gaat verder dan wat artikel 8 Waadi vereist. De inspecteur controleert bovendien of de arbeidsvoorwaarden van de lijst, en de eventuele compensatie daarvoor, ook echt zijn uitbetaald.

Ook de uitzendkracht moet het weten

Het is niet genoeg om alleen de inspectie-instelling te laten zien welke elementen zijn overgenomen en welke zijn gecompenseerd. Ook de uitzendkracht moet die informatie ontvangen, en wel vóór de terbeschikkingstelling. Daarmee wordt de informatieplicht van de uitlener uitgebreid.

Volgens de toelichting is het doel dat de uitzendkracht zelf kan nagaan of hij de juiste beloning heeft gekregen.

Wanneer gaat dit in?

De nieuwe beloningsverplichtingen gaan in op 1 juli 2027. Omdat de normeis pas eind dit jaar definitief wordt vastgesteld, krijgen uitleners zo een implementatietermijn van zes maanden.

Let op: dat betekent geen uitstel van het toelatingsstelsel. De rest van het normenkader gaat gewoon in op 1 januari 2027. De datum van 1 juli 2027 geldt alleen voor de nieuwe beloningsregels.

Zoeken naar balans

In de toelichting schrijft het ministerie dat is gezocht naar een balans tussen de doelen van de wet en de uitvoerbaarheid voor de Nederlandse Autoriteit Uitleenmarkt (NAU), inspectie-instellingen en uitleners. Een te gesloten norm raakt snel achterhaald in het steeds veranderende arbeidsrecht. Een te open norm laat juist te veel ruimte voor interpretatie en is moeilijk te controleren.

Het ministerie erkent dat in de praktijk interpretatievragen kunnen ontstaan. De NAU en de aangewezen inspectie-instellingen gaan die na de inwerkingtreding samen afstemmen en vastleggen in werkinstructies.

ABU: onvoldoende uitvoerbaar

De ABU reageert kritisch. “De ABU heeft een zwaarwegende adviesrol in het toelatingsstelsel. Vanuit die rol hebben wij de afgelopen maanden achter de schermen hierover meegedacht en gesproken”, zegt Tugba Karabulut namens de brancheorganisatie.

“De uitwerking die nu voorligt is naar onze mening onvoldoende uitvoerbaar en werpt een onwenselijke drempel op voor gelijkwaardig belonen. Daarom zullen wij dit keer ook een bijdrage leveren aan de internetconsultatie.”

De volledige ontwerpregeling is hier te vinden. Wie inhoudelijk wil reageren op, kan dat tot en met 22 oktober doen op de internetconsultatie, via dezelfde pagina.

Geplaatst in Nieuws | Laat een reactie achter