SLUIT MENU

ABU en NBBU vragen duidelijkheid over reikwijdte Wet Platformwerk

De internetconsultatie over de Wet Platformwerk leverde 86 reacties op. Vooral de brede definitie van digitale arbeidsplatforms roept vragen op bij de flexbranche. Onder andere ABU en NBBU vrezen dat de wet ook gewone uitzendbureaus raakt die helemaal geen platform zijn.

De internetconsultatie over de Wet Platformwerk is eind augustus gesloten. Er kwamen 86 reacties binnen, van individuele taxichauffeurs tot brancheorganisaties.

De Wet Platformwerk is de Nederlandse vertaling van de Europese Platformwerk-richtlijn (2024/2831), die platformwerkers beter moet beschermen en meer transparantie moet brengen in algoritmisch management. Zoals we eerder uitlegden op ZiPconomy, kent de wet drie doelen: 

  1. het makkelijker maken om de juiste arbeidsrelatie van platformwerkers vast te stellen (via een rechtsvermoeden van werknemerschap), 
  2. meer transparantie en menselijk toezicht bij algoritmisch beheer,  
  3. betere informatievoorziening over platformwerk, ook grensoverschrijdend.

Een bedrijf valt onder de wet zodra het aan vier voorwaarden voldoet: de dienst wordt (deels) digitaal verleend, op verzoek van een afnemer, met de organisatie van werk als noodzakelijk en essentieel onderdeel én met gebruik van geautomatiseerde monitoring of besluitvorming. 

Voor de uitzend- en bemiddelingssector is vooral één vraag relevant: hoe ver reikt de definitie van een digitaal arbeidsplatform? Valt straks een uitzendbureau met een planningsapp of matchingsysteem straks ook onder de nieuwe regels? 

ABU: bang voor onnodige regeldruk

De ABU steunt het doel van de wet, maar vindt de definitie van een geautomatiseerd monitoring of besluitvormingssysteem te ruim. Volgens de brancheorganisatie moet niet de inzet van technologie bepalend zijn, maar de feitelijke rol van de onderneming binnen de arbeidsrelatie.

De ABU vraagt om een scherpere afbakening tussen klassiek uitzenden en platformwerk en om duidelijkheid over de samenloop tussen het rechtsvermoeden uit deze wet en het aparte rechtsvermoeden op basis van een uurtarief. Ook wil de ABU dat de verplichting tot een apart communicatiekanaal voor intermediairs wordt geschrapt en dat de nieuwe meldplicht niet overlapt met bestaande registratieverplichtingen.

NBBU: onduidelijke definitie raakt vrijwel elke intermediair

De NBBU, met 1.400 mkb-leden in de flexbranche, is kritischer. De organisatie geeft vier praktijkvoorbeelden, zoals digitale urenregistratie en wifi-tracking op de werkvloer, waarbij het volgens haar onduidelijk blijft of dit kwalificeert als geautomatiseerde monitoring. Daardoor kan volgens de NBBU vrijwel elke intermediair die software gebruikt onder de wet gaan vallen.

De NBBU waarschuwt ook voor stapeling van regels. Per 1 januari 2027 treedt de Wtta in werking, en daarnaast komt er dus een tweede rechtsvermoeden bij een laag uurtarief. Voor de regeldrukberekening van het ministerie, uitgaand van 17.000 euro structurele kosten per platform per jaar, verwijst de NBBU naar de eigen inventarisatie van NBBU-lid Maqqie.

Maqqie: regeldruk kan negen keer hoger uitvallen

HR-platform voor payroll, uitzenden en zzp-dienstverlening Maqqie heeft  becijfert dat de structurele nalevingskosten voor een platform kunnen oplopen tot negen keer de inschatting van het ministerie. Vooral doordat elke nieuwe digitaliseringsstap opnieuw een privacytoets kan triggeren.

Maqqie vraagt daarnaast om expliciet vast te leggen dat de vier definitiecriteria voor een digitaal arbeidsplatform allemaal tegelijk moeten gelden en om een duidelijke uitleg van de uitzondering voor prikbordfuncties: diensten die alleen vraag en aanbod bij elkaar brengen, zonder de arbeid verder te organiseren.

Platformcoalitie: Temper en YoungOnes trekken samen op met Bolt en Uber

Zes platforms dienden een gezamenlijke reactie in: Bolt, Roamler, Temper, Thuisbezorgd.nl, Uber en YoungOnes. Deze coalitie vraagt om de kerncriteria van het rechtsvermoeden in de wet zelf op te nemen in plaats van in een uitvoeringsbesluit en om een drempel tegen misbruik van het herzieningsrecht, zodat platforms niet worden overspoeld met geautomatiseerde bezwaarschriften. Verder willen de platforms dat de moderatieplicht bij het verplichte communicatiekanaal wordt geschrapt, omdat die volgens hen botst met de Digital Services Act.

FNV: het moet juist verder, niet minder

Tegenover deze roep om verduidelijking en beperking staat een ander geluid. FNV wil het rechtsvermoeden juist steviger maken. De bewijslast moet volgens de vakbond direct bij het platform beginnen in plaats van bij de werkende en het vermoeden moet ook toepasbaar zijn door UWV en de Belastingdienst.

FNV pleit er verder voor om het rechtsvermoeden in het Burgerlijk Wetboek te regelen in plaats van in een aparte wet en om ook opdrachtovereenkomsten beter te beschermen tegen eenzijdige opzegging. Tot slot wil de vakbond de wet al na drie jaar evalueren in plaats van na vijf jaar.

Wat nu?

Het kabinet gaat na een beoordeling van de reacties een definitief wetsvoorstel opstellen, waarna de Raad van State advies uitbrengt. Vervolgens is de Tweede Kamer, en daarna de Eerste Kamer, aan zet. Bovengenoemde punten van kritiek zullen dan ongetwijfeld onderdeel worden van de politieke discussie. De exacte ingangsdatum van de nieuwe wet hangt onder andere af van de snelheid van behandeling in het parlement. De Europese deadline van 2 december 2026 wordt sowieso niet gehaald.

Redactie van Flexnieuws - interviews, artikelen, aankondigingen en persberichten.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *