Maandelijkse archieven: juli 2018

HeadFirst Source Group neemt Myler over

HeadFirst Source Group neemt branchegenoot Myler over. De verkopende partij is o.a. H2 Equity Partners. Myler is actief in matchmaking, contractbeheer en global sourcing.

De nieuwe combinatie heeft een pro forma omzet van ruim 700 miljoen euro; de operationele EBITDA bedraagt 12,5 miljoen euro, aldus het persbericht.

Myler realiseert een jaaromzet van ongeveer 200 miljoen euro en bemiddelt gemiddeld circa 2.000 professionals, met name op IT gebied. Myler wordt als maatschappij toegevoegd aan HeadFirst Source Group NV, naast HeadFirst, Source, Proud Company en Designated Professionals. Met het samengaan verstevigt HeadFirst Source Group haar rol als marktleider op het gebied van bemiddeling en inhuur van externe professionals; matchmaking, contracting en payrolling.

Succesvolle fusie HeadFirst en Source
HeadFirst Source Group NV is eind 2016 tot stand gekomen door de fusie van HeadFirst en Source.
Anderhalf jaar na de totstandkoming van HeadFirst Source Group is de organisatie klaar voor een nieuwe belangrijke stap voorwaarts: de overname van Myler.

Myler toonaangevende speler
Myler is in 2009 opgericht met als doel inhuuroplossingen aan te bieden voor de flexibele IT-schil van organisaties. In 2015 werd Jenrick overgenomen. Myler is momenteel een toonaangevend bedrijf op het gebied van organiseren van externe inhuur. De jaaromzet over 2017 bedroeg 192 miljoen euro. Door autonome groei komt de omzet over geheel 2018 naar verwachting uit boven de 200 miljoen euro.

Het gemiddeld aantal ingezette professionals in 2017 bedroeg ongeveer 1.900, die qua totstandkoming ruwweg als volgt zijn verdeeld:
• Contractbeheer: 50%
• Matchmaking: 30%
• Global sourcing: 20%

Myler levert haar diensten aan diverse opdrachtgevers in zowel de profit als non-profit sector, waaronder ASML, Achmea, het CAK en het Ministerie van Defensie. Uniek in haar dienstenpakket is global sourcing, waarbij in samenwerking met partners over de hele wereld schaarse IT-specialisten worden geworven en gecontracteerd voor opdrachtgevers in Nederland. Dit toont het innovatieve karakter van het bedrijf.

Myler heeft de afgelopen jaren sterke financiële prestaties geleverd:
• Sterke balans met goede solvabiliteit;
• Goede winstgevendheid met EBITDA marge van 2,5 procent;
• Sterk positieve kasstroom.

Voordelen van de overname
De voordelen van de overname zijn:
• Versterking van de marktpositie van HeadFirst Source Group;
• Verbreding en versterking van de opdrachtgeverportefeuille;
• Synergievoordelen op omzet- en kostengebied;
• Goede winstbijdrage aan de groep;
• Mogelijkheden om additionele dienstverlening van HeadFirst (Premium) ook aan te bieden aan Myler-netwerk;
• Versterking van de internationale activiteiten van HeadFirst Source Group.

Closing verwacht uiterlijk 1 oktober 2018
De transactie zal plaatsvinden door middel van de overname van 100% van de aandelen van Myler Holding B.V. onder voorbehoud van akkoord van toezichthouder Autoriteit Consument & Markt (ACM). Hieromtrent worden geen bezwaren verwacht. HeadFirst Source Group heeft zich verzekerd van de benodigde financiering voor het realiseren van deze overname. De closing vindt naar verwachting uiterlijk 1 oktober 2018 plaats. Op basis daarvan wordt verwacht dat Myler in 2018 een kwartaal aan omzet bijdraagt. HeadFirst Source Group houdt een Bijzondere Algemene Vergadering van Aandeelhouders, die binnenkort gepland wordt, om aandeelhouders onder meer te informeren over de voorgenomen overname van Myler.

Nadere informatie over de transactie (koopsom en financiering) wordt verstrekt bij closing en in het kader van de te houden BAVA.

Bron: HeadFirst Source Group, persbericht 4 juli 2018

Geplaatst in Branchenieuws | Tags , , | Reacties uitgeschakeld voor HeadFirst Source Group neemt Myler over

SZW: meer werk voor mensen met beperking

Participatiewet » | Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten | Quotumwet


Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid meldt dat alle werkgevers samen meer banen voor mensen met een arbeidsbeperking hebben gerealiseerd dan is afgesproken.

Volgens de Banenafspraak uit 2013 moeten bedrijven en de overheid in 2026 samen 125.000 banen extra hebben gemaakt. Als onderdeel daarvan zijn er in 2017 37.000 in plaats van 33.000 extra banen gerealiseerd.

Bedrijven
Marktwerkgevers hebben hun doelstelling van 23.000 banen met ruim 7.000 banen overtroffen.

Overheid
Werkgevers van de overheid hebben hun doelstelling opnieuw niet gehaald. Wel hebben zij het aantal extra banen in een jaar tijd bijna weten te verdubbelen. Zij hebben 6.500 extra banen gecreëerd, in plaats van 10.000.

Heffing 5000 euro
Het vorige kabinet heeft besloten om over 2018 nog geen heffingen uit te delen, zodat er een inhaalslag kan worden gemaakt. Halen de overheidwerkgevers over 2019 de Banenafspraak weer niet, dan kan een heffing worden opgelegd van 5000 euro per niet-ingevulde baan.

Doelgroep groot genoeg
Er zijn verschillende onderzoeken uitgevoerd om de prestaties van overheidswerkgevers te verbeteren. De resultaten zijn samen met de cijfers van de banenafspraak naar de Tweede Kamer gestuurd. Er waren twijfels of de doelgroep groot genoeg is om de doelstelling uit de Banenafspraak te halen. Uit één van de onderzoeken blijkt dat dat geen probleem is. De handen moeten alleen uit de mouwen.

Vaste baan
Ruim viervijfde is al meer dan een jaar aan de slag, en tweederde op een vast contract. Het percentage mensen dat hun baan verliest is afgenomen van 10% naar 9%.

Enthousiasme
De kans van slagen wordt bepaald door de wil en het enthousiasme van de werkgever om iemand met een arbeidsbeperking aan te nemen. Overheidswerkgevers kampen daarnaast met het probleem dat extern ingehuurde arbeidsbeperkten niet meetellen. Ook blijkt dat zij veel mogelijkheden laten liggen.

Het kabinet benut de zomerperiode om acties uit te werken waarmee zij meer mensen met een arbeidsbeperking aan het werk kan helpen, vooral bij de overheid.

Bron: Ministerie SZW, 2 juli 2018

Geplaatst in Rechtspraak | Tags , , , | Reacties uitgeschakeld voor SZW: meer werk voor mensen met beperking

Onderhandelingsresultaat CAO Zorgverzekeraars 2018-2019



3 juli 2017

CAO-naam
CAO Zorgverzekeraars

Download Onderhandelingsresultaat CAO Zorgverzekeraars 2018-2019
> Onderhandelingsresultaat CAO Zorgverzekeraars 2018-2019 (25-06-18)

Looptijd
De cao is aangegaan voor een periode van 12 maanden: 1 juli 2018 tot 1 juli 2019.

Loonmutaties
– 2,0% loonsverhoging per 1 juli 2018

Bron: CNV Vakmensen, 2 juli 2018

Geplaatst in Wetten & CAO’s | Tags , , | Reacties uitgeschakeld voor Onderhandelingsresultaat CAO Zorgverzekeraars 2018-2019

Reiskostenvergoeding ABU-cao versus inleners-cao

Regeling reiskostenvergoeding uit de ABU-cao en inleners cao, soms net twee botsende auto’s
Iedere uitzendkracht heeft conform de inlenersbeloning uit de ABU-cao recht op de rechtens geldende beloning van de werknemer in dienst van de inlener, werkzaam in gelijke of gelijkwaardige functie als de uitzendkracht. Een van die arbeidsvoorwaarden is de zogenoemde reiskostenvergoeding. Een reiskostenvergoeding betreft een kostenvergoeding voor reizen woon-werkverkeer.

In de praktijk bestaat vaak onduidelijkheid over wanneer de uitzendkracht recht heeft op een reiskostenvergoeding. In de eerste plaats omdat de uitzendonderneming veelal afhankelijk is van de correcte informatieverstrekking van de inlener. In de tweede plaats omdat sommige inleners-cao’s een reiskostenvergoeding kennen (niet altijd heel duidelijk) en andere weer niet. In de derde plaats komt het ook wel eens voor dat de inleners-cao geen reiskostenvergoeding kent, maar de inlener nog wel een interne regeling kent waarin een reiskostenvergoeding is opgenomen. Tot slot als de inlener een reiskostenvergoeding kent, komt het ook wel eens voor dat die niet goed aansluit op hetgeen in de ABU-cao is bepaald. In een uitspraak van de kantonrechter te Dordrecht was dat aan de orde.

Recht op een reiskostenvergoeding op grond van de ABU-cao

De uitzendkracht heeft op grond van de ABU-cao recht op een reiskostenvergoeding, indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

1. de werknemer in dienst van de inlener is werkzaam in gelijke of gelijkwaardige functie en heeft recht op een reiskostenvergoeding (artikel 1 onder j en 20 lid 2 ABU-cao) en de uitzendkracht voldoet aan de voorwaarden van zo’n reiskostenvergoeding; en
2. indien de uitzendonderneming deze kan uitbetalen vrij van loonheffingen en premies.

Reiskostenvergoeding bij arbeidsmigranten
Voor arbeidsmigranten, oftewel de uitzendkracht die niet permanent in Nederland woonachtig is, gelden nog aanvullende regels (artikel 67 lid 5 ABU-cao). Afhankelijk van waar de uitzendkracht gebruik van maakt, heeft de uitzendkracht al dan niet recht op een reiskostenvergoeding.
a. Er is een reiskostenvergoeding bij de inlener en de uitzendkracht maakt gebruik van eigen vervoer:
In dit geval heeft de uitzendkracht recht op een reiskostenvergoeding, indien hij voldoet aan de voorwaarden zoals hiervoor uiteengezet.
b. Er is geen reiskostenvergoeding bij de inlener en de uitzendkracht maakt gebruik van de door de uitzendonderneming georganiseerd vervoer:
Indien de uitzendkracht gebruikmaakt van het vervoer dat door de uitzendonderneming is georganiseerd, kan een redelijke eigen bijdrage voor het vervoer overeengekomen worden tussen de uitzendonderneming en de uitzendkracht, indien er geen sprake is van een reiskostenvergoeding.
c. Er is een reiskostenvergoeding bij de inlener en de uitzendkracht maakt gebruik van het vervoer dat door de uitzendonderneming is georganiseerd:
Als de uitzendkracht gebruikmaakt van het door de uitzendonderneming georganiseerd vervoer terwijl er een reiskostenvergoeding geldt bij de inlener, is het georganiseerd vervoer gratis.

Uitspraak kantonrechter Dordrecht 20 april 2017
De kantonrechter te Dordrecht heeft bij tussenvonnis op 20 april 2017 uitspraak gedaan over reiskostenvergoeding in de Cao Glastuinbouw. Tot 1 juli 2015 was in artikel 20 lid 2 en 4 Cao Glastuinbouw bepaald:
“2. De werknemer ontvangt een reiskostenvergoeding voor de afstand boven de 10 km van zijn woning tot de plaats van aanvang van de werkzaamheden volgens de volgende tabel. De vergoeding geldt per gewerkte dag.
(…)
4. De werknemer maakt geen aanspraak op de vergoeding woon-werk wanneer de werkgever voor zijn rekening voor bedrijfsvervoer zorgt.”

De kantonrechter oordeelde dat deze bepaling geen ruimte biedt voor de uitzendonderneming om geen reiskostenvergoeding aan werknemers te betalen en tegelijkertijd van uitzendkrachten een vergoeding te vragen voor het door werkgever geregelde vervoer. De Cao Glastuinbouw spreekt immers over bedrijfsvervoer “voor rekening van de werkgever”. Tekst noch strekking van de Cao Glastuinbouw geeft volgens de kantonrechter aanleiding om aan te nemen dat daarmee is bedoeld dat de uitzendonderneming de kosten van het vervoer grotendeels voor zijn rekening dient te nemen. Daaraan voegt de kantonrechter toe dat de uitzendonderneming weliswaar in strijd met de Cao Glastuinbouw een vergoeding heeft gerekend voor het door haar geregelde vervoer, maar dit betekende echter niet dat zij daarom nu de in de Cao Glastuinbouw genoemde reiskostenvergoeding verschuldigd is. Dat zou er immers toe leiden dat de uitzendkrachten een volledige reiskostenvergoeding krijgen, terwijl zij gebruik hebben kunnen maken van grotendeels door de uitzendonderneming betaald vervoer. De uitzendonderneming werd daarom veroordeeld om de kosten die zij voor vervoer bij de uitzendkracht in rekening had gebracht terug te betalen aan de uitzendkracht.

Kritische noot bij deze uitspraak
Blijkens de inleners-cao (Cao Glastuinbouw) bestond in beginsel geen recht op een reiskostenvergoeding, indien de werkgever voor zijn rekening bedrijfsvervoer verzorgt. In het licht van artikel 67 lid 5 onder b ABU-cao zou geconcludeerd kunnen worden dat geen recht op een reiskostenvergoeding bestaat, indien de uitzendonderneming voor zijn rekening bedrijfsvervoer regelt. Feit blijft echter dat in het licht van de ABU-cao de uitzendonderneming in dat geval wel een eigen bijdrage zou mogen vragen aan de uitzendkracht. De uitspraak van de kantonrechter strookt naar mijn mening niet geheel met hetgeen cao-partijen zijn overeengekomen in de ABU-cao. Dit betekent dat de uitzendonderneming wel gerechtigd was om een eigen bijdrage in rekening te brengen bij de uitzendkracht voor het door de uitzendonderneming georganiseerd vervoer, een en ander op grond van de ABU-cao. Ervan uitgaande dat er in beginsel geen reiskostenvergoeding geldt op grond van de inleners-cao. Daar valt naar mijn mening wat voor te zeggen, indien de bepaling uit de Cao Glastuinbouw wordt gelezen. Bovendien valt voor deze conclusie juist wat te zeggen, omdat in de nieuwe Cao Glastuinbouw (thans artikel 36 lid 3) de volgende zin expliciet is toegevoegd en tot die tijd dit er niet in stond: “De werkgever brengt voor dit vervoer geen kosten bij de werknemer in rekening”. Pas toen is expliciet bepaald dat er geen kosten voor het georganiseerd vervoer bij de werknemer in rekening mochten worden gebracht.

Het blijft lastig om altijd een correcte reiskostenvergoeding toe te passen. Niet alleen omdat beschikbare informatie nog wel eens schaars is, maar bovenal doordat de inleners-cao’s en de ABU-cao niet altijd goed op elkaar zijn afgestemd. De voornoemde uitspraak is daar een goed voorbeeld van. De uitzendkracht dient correct beloond te worden, echter is het net zo belangrijk dat de uitzendonderneming en de inlener weten waar ze aan toe zijn.

Hendarin Mouselli, VRF Advocaten

Geplaatst in Branchenieuws | Tags , , , , | Reacties uitgeschakeld voor Reiskostenvergoeding ABU-cao versus inleners-cao