loading
views

Terugkeer van kantonrechtersformule?

Terugkeer van kantonrechtersformule?

Terugkeer van de kantonrechtersformule?
In overeenstemming met de wetsgeschiedenis is in de rechtspraak onder de Wwz meermaals overwogen, dat een billijke vergoeding slechts kan worden toegekend, wanneer er sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Toekenning van een billijke vergoeding dient te zijn beperkt tot zeer uitzonderlijke situaties. In dit verband staat in de wetsgeschiedenis vermeld, dat het hanteren van een standaardformule (zoals de kantonrechtersformule onder oud recht) zich derhalve niet leent voor het berekenen van de omvang van de billijke vergoeding. Blijkens zijn beschikking van 29 januari 2016 (ECLI:NL:RBAMS:2016:400) volgt de kantonrechter Amsterdam de wetgever niet in voornoemde gevolgtrekking.

Casus
In bovenvermelde beschikking heeft de kantonrechter geoordeeld in de zaak waarin de werkgever heeft verzocht om ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens een verstoorde arbeidsverhouding ofwel de g-grond (artikel 7:669 lid 3 sub g BW). Middels zijn tegenverzoek heeft de werknemer onder meer verzocht om toekenning van de transitievergoeding en een billijke vergoeding van €42.228,- bruto. Partijen hebben op grond van de volgende omstandigheden hun respectievelijke verzoeken ingediend.

Kortweg heeft de werkgever toestemming van het UWV verzocht om de arbeidsovereenkomst op te zeggen wegens bedrijfseconomische redenen, nadat de werknemer enige tijd arbeidsongeschikt is geweest. De kantonrechter merkt op, dat de werknemer voordien goed heeft gefunctioneerd. Gedurende de ontslagprocedure bij het UWV heeft de werkgever de werknemer op non-actief gesteld. Naar wordt aangenomen, heeft de werknemer in een kort gedingprocedure wedertewerkstelling gevorderd. Deze vordering in kort geding is toegewezen, overwegende dat – enerzijds – geen, althans onvoldoende reden bestaat voor het besluit tot het non-actief stellen en – anderzijds – dat niet is gebleken dat de functie van de werknemer niet langer zou bestaan, nog afgezien van het recht van de werknemer om de bedongen arbeid te verrichten. De uitspraak in het kort geding heeft niet geleid tot werkhervatting. Partijen hebben meerdere gesprekken hieromtrent gevoerd, hetgeen niet tot een oplossing heeft geleid. Vervolgens heeft de werknemer zich (opnieuw) ziek gemeld, in welk verband de bedrijfsarts heeft overwogen, dat er sprake is van een arbeidsconflict. Daarnaast heeft het UWV in deze periode de toestemming om arbeidsovereenkomst op te zeggen aan de werkgever geweigerd. Als gevolg hiervan heeft de werkgever zich gewend tot de kantonrechter.

Geen vruchtbare samenwerking
De kantonrechter ontbindt de arbeidsovereenkomst, maar niet op grond van een verstoorde arbeidsverhouding. In dit verband overweegt de kantonrechter, dat de door de werkgever ervaren verstoring niet wordt gedeeld door de werknemer. Aangezien er geen sprake is van een wederzijdse verstoring van de arbeidsverhouding, komt de werkgever geen beroep toe op de g-grond.

De kantonrechter ontbindt de arbeidsovereenkomst onder – een ogenschijnlijke ambtshalve – verwijzing naar de h-grond, ofwel de restcategorie (artikel 7:669 lid 3 sub h BW). Hieromtrent wordt overwogen, dat de onderhavige omstandigheden er niet toe kunnen leiden dat de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden op grond van de andere wettelijke ontslaggronden, terwijl “op de realisatie van het ondernemersdoel gerichte arbeid door de werknemer niet meer mogelijk is”. De kantonrechter goed begrepen, zou onder oud recht zijn gesproken van (de mogelijkheid tot ontbinding wegens) een onvruchtbare samenwerking. In de onderhavige zaak is daarvan sprake, omdat de werknemer een unieke en onmisbare functie bekleedt in de relatief kleine onderneming van de werkgever, waarbij de werknemer regelmatig contact heeft met de leidinggevende, die niet langer met de werknemer wenst samen te werken. Omdat niet wordt verwacht dat de situatie op den duur zal veranderen, ziet de kantonrechter aanleiding om de arbeidsovereenkomst te ontbinden wegens overige omstandigheden, bestaande uit een onvruchtbare samenwerking (hetgeen ook zou kunnen worden omschreven als een onwerkbare situatie).

Billijke vergoeding onder verwijzing naar de kantonrechtersformule
Het staat tussen partijen niet ter discussie dat de werknemer aanspraak heeft op de transitievergoeding, die wordt bepaald op €19.554,96. In aanvulling op de transitievergoeding wijst de kantonrechter een billijke vergoeding toe aan de werknemer. De kantonrechter oordeelt, dat de werkgever zich ter zake ernstig verwijtbaar heeft gedragen, waarbij onder meer in aanmerking wordt genomen dat de werkgever: onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar het gepretendeerde verval van de functie van de werknemer (in het kader van de ontslagprocedure bij het UWV); de werknemer ten onrechte op non-actief heeft gesteld; en doelbewust een verstoorde arbeidsverhouding heeft willen realiseren met het oog op een beëindiging van de arbeidsovereenkomst. De werkgever zou geen blijk hebben gegeven van enige zelfkennis of de intentie de werknemer op redelijke wijze te willen behandelen, terwijl de werknemer geen verwijt treft voor het ontstaan van de (onwerkbare) situatie.

Ter bepaling van de hoogte van de billijke vergoeding overweegt de kantonrechter dat de maatstaf ‘ernstig verwijtbaar handelen’ niet toereikend is. Deze maatstaf kan mogelijk worden gehanteerd als verdeelsleutel (inzake de draagplicht van betrokkenen) wanneer de schadeomvang bekend is, maar niet ter bepaling van die omvang.
In tegenstelling tot hetgeen in de wetsgeschiedenis is bepaald en in rechtspraak is overwogen, betrekt de kantonrechter de gevolgen van het ontslag voor de werknemer (waaronder begrepen het inkomensverlies wegens de beëindiging van het dienstverband, de arbeidsmarktpositie van de werknemer en diens leeftijd) bij het bepalen van de billijke vergoeding; omstandigheden waarop de transitievergoeding mede dient te zien. Samenvattend overweegt de kantonrechter dat de – onder oud recht ontwikkelde – kantonrechtersformule in beginsel kan worden gehanteerd voor het bepalen van de billijke vergoeding. Vervolgens wijst de kantonrechter een billijke vergoeding toe ten bedrage van €60.000,- bruto, waarin de transitievergoeding wordt geacht te zijn verdisconteerd.

Conclusie
De (zeer lezenswaardige) beschikking van de kantonrechter Amsterdam is opvallend, mede omdat het nadere invulling tracht de geven aan de h-grond. Daarnaast kent de beschikking overwegingen inzake de billijke vergoeding, die niet in overeenstemming lijken te zijn met de wetgeschiedenis en recente rechtspraak. De vraag is dan ook in hoeverre deze beschikking navolging krijgt in de (hogere) rechtspraak. Het is daarentegen niet uitgesloten, dat met deze beschikking wordt beoogd een voor de rechtspraak en praktijk (thans ontbrekende) hanteerbare maatstaf te creëren voor het bepalen van de billijke vergoeding, althans daartoe een aanzet te geven. Mocht dit zo zijn, dan verdient dit complimenten, aangezien het kan leiden tot een (meer) inzichtelijke en duidelijke(re) toepassing van de Wwz.

Deze bijdrage is geschreven door mr. Remmelt Suir.

Voor meer informatie over de uitspraak of over Van Diepen van der Kroef Advocaten: stuur een email naar mw. mr. Babs Dubois – Van Kleef Van Diepen Van der Kroef Haarlem, tel. 023 542 42 92.

Gerelateerd nieuws


Meer uit deze rubriek