Redactie FlexNieuws 6 maart 2026 0 reacties Print Minister Aartsen wil in 2027 al het rechtsvermoeden werknemerschap bij tarief onder de 38 euro ingevoerd hebbenDe nieuwe minister van Werk en Participatie zet vaart achter de invoering van het rechtsvermoeden van werknemerschap voor schijnzelfstandigen met lage tarieven. Een voorstel voor wetswijziging is vrijdag goedgekeurd door de Ministerraad en wordt nu voorgelegd aan de Tweede Kamer. Zelfstandigen met een uurtarief van minder dan 38 à 39 euro kunnen straks eenvoudig bij de rechter claimen dat zij werknemer zijn. Zij hebben dan dezelfde rechten als werknemers in loondienst. Is de opdrachtgever het er niet mee eens? Dan moet hij bewijzen dat het toch gaat om zelfstandig ondernemerschap. De ministerraad ging vrijdag akkoord met dit voorstel van Thierry Aartsen, de nieuwe minister van Werk en Participatie. Aartsen laat hiermee zien dat hij zijn belofte wil waarmaken: snel aan de slag met nieuwe zzp-wetgeving. “Het is een eerste stap van een nieuwe koers”, zegt Aartsen. “Het is belangrijk om zelfstandigen en opdrachtgevers duidelijkheid te geven. En daarmee te zorgen voor rust onder zzp’ers en opdrachtgevers, zodat we voorkomen dat opdrachten onnodig wegvallen.” Wet VBAR opgeknipt Het rechtsvermoeden van werknemerschap was oorspronkelijk onderdeel van de wet Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (VBAR). In het regeerakkoord stond al dat het kabinet niet doorgaat met de VBAR, maar wel met het rechtsvermoeden. Aartsen ‘knipt’ dit R-onderdeel los van de rest, om het snel in te voeren. Volgende fase : de Zelfstandigenwet Over het VBA-deel was namelijk veel discussie. Dit gedeelte moet verduidelijken wanneer een opdrachtgever een zzp’er mag inhuren. Als Tweede Kamerlid ontwikkelde Aartsen (VVD) samen met D66, CDA en SGP een alternatief voor het VBA-deel: de Zelfstandigenwet. In het coalitieakkoord staat dat hij dit verder mag uitwerken en invoeren. Dit wordt zijn volgende stap, na de invoering van het rechtsvermoeden. “Voor een deel van het wetsvoorstel VBAR ontbrak het aan draagvlak”, zegt Aartsen. “Daarom haal ik dat deel van het wetsvoorstel van tafel. Hiermee is de weg vrij voor de Zelfstandigenwet.” Rechtsvermoeden: zo werkt het Het rechtsvermoeden van werknemerschap is bedoeld om kwetsbare werkenden te beschermen tegen schijnzelfstandigheid. Het is een ‘facultatief instrument’: dat betekent dat de werkende er gebruik van mag maken, maar het hoeft niet. Als hij tevreden is met zijn werk als zzp’er voor een lager tarief, dan hoeft hij niks te doen. Maar als hij vindt dat hij eigenlijk recht heeft op werknemersbescherming (ontslagrecht, loondoorbetaling bij ziekte, pensioenopbouw), dan kan hij een beroep doen op het rechtsvermoeden. Als hij inderdaad een lager uurtarief krijgt dan het drempelbedrag, kan hij bij de rechter eenvoudig werknemersrechten opeisen. Daartoe wordt het artikel 610 van Boek 7 BW aangepast (zie hier) Bewijstlast wordt omgekeerd Dit is heel anders dan dat het nu werkt. Op dit moment moet een schijnzelfstandige bewijs leveren dat hij eigenlijk werknemer is. Als straks het rechtsvermoeden is ingevoerd, hoeft dat niet meer. De rechter gaat uit van werknemerschap zodra het uurtarief minder is dan het drempelbedrag. Als een opdrachtgever toch vindt dat er sprake is van zzp-schap, dan moet hij dat bewijzen. Hoe hoog is het drempelbedrag? De tariefgrens is afgeleid van het minimumloon en wordt 38 à 39 euro per uur. Het tarief staat niet vast: als het minimumloon stijgt, groeit het drempelbedrag automatisch mee. Het bedrag wordt altijd naar boven afgerond. In de tabel hieronder zie je hoe dat werkt. Het drempeltarief van het rechtsvermoeden van werknemerschap stijgt mee met het minimumloon. Bron: ZiPconomy. Het voorstel is al een paar jaar oud. Je ziet nu dus al hoe het meestijgt met het minimumloon: van 33 euro in 2023 naar waarschijnlijk 39 euro in 2027. Wat is het niet? Het rechtsvermoeden van werknemerschap is nadrukkelijk geen verbod om onder het drempeltarief te werken. Daarnaast kunnen alleen werkenden zelf of hun vertegenwoordigers er een beroep op doen. Instanties zoals de Belastingdienst of de Nederlandse Arbeidsinspectie kunnen er niets mee. Tot slot kunnen alleen mensen die werken voor zakelijke opdrachtgevers (bedrijven of organisaties) het rechtsvermoeden inroepen. Zzp’ers die producten verkopen (de bakker, de webshophouder) of die werken voor particulieren (de thuiskapper, de bijlesleraar), kunnen er niks mee. Welk effect heeft dit? Opdrachtgevers die werken met zelfstandigen tegen tarieven lager dan het grensbedrag, lopen risico. De zzp’ers kunnen later namelijk eenvoudig naar de rechter gaan en werknemersrechten opeisen. Dit kan de werkgever – voorheen opdrachtgever van de zzp’er – flink geld kosten. Als hij het er niet mee eens is, moet hij voldoende bewijs hebben dat er sprake was van zzp-schap. Vanzelfsprekend geldt dit ook voor bureaus en platformen die zzp’ers bemiddelen, althans indien ze werken als tussenkomstbureau. Het effect van het rechtsvermoeden kan zijn dat opdrachtgevers tarieven structureel verhogen. Het is officieel geen ‘minimumtarief’, maar kan in de praktijk dus wel zo uitpakken. Verder hoopt het kabinet dat het zorgt dat werkgevers bewuster nadenken over de contractvorm. Kiezen voor zzp-inhuur alleen omdat het goedkoper is, moet afgelopen zijn. Onder meer vanuit de uitzendsector is stevig druk uitgeoefend voor deze maatregel. Dit vanuit het idee dat de combinatie van lage tarieven en vaak meer uitvoerend werk oneigenlijke concurrentie vormt voor uitzendwerk. Politieke discussie De ministerraad is akkoord, nu de Tweede Kamer nog. Aarsten hoopt dit snel voor elkaar te krijgen, zodat het rechtsvermoeden vanaf begin 2027 kan gelden. In principe steunen veel partijen het rechtsvermoeden, maar er zijn nog wel wat discussiepunten en twijfels. 1. Geen handhaving, dus een papieren tijger? Het rechtsvermoeden is momenteel een ‘privaatrechtelijk’ instrument. Dat betekent dat Belastingdienst en Arbeidsinspectie het niet kunnen handhaven. Kamerlid Mariëtte Patijn (GroenLinks-PvdA) noemde dit eerder een ‘gemiste kans’ en vreest dat het weinig effect zal hebben zonder publiekrechtelijke handhaving. Dat vinden ook vakbond FNV en de BBB. “Zodra je zegt dat mensen zelf naar de rechter moeten stappen om hun recht te halen, geef je eigenlijk al aan dat de wetgeving aan de basis niet goed in elkaar zit”, zei BBB-Kamerlid Henk Vermeer. 2. Beperking van ondernemerschap? Partijen op rechts worstelen juist met de inbreuk op de markt. Hoewel het geen minimumtarief is, kan het in de praktijk wel zo uitwerken. Uit peilingen van brancheorganisaties zoals ABU, Bovib en RIM blijkt dat er brede steun is voor de plannen, maar dat wil niet zeggen dat alle zelfstandigen voorstander zijn. Minister Aartsen, rechtsvermoeden bij laag tarief Print Over de auteur Over Redactie FlexNieuws Redactie van Flexnieuws - interviews, artikelen, aankondigingen en persberichten. Bekijk alle berichten van Redactie FlexNieuws