Zijn werkgevers aansprakelijk voor schade door coronabesmetting op werkvloer? Geplaatst 12 september 2023 door Gastblogger Zijn werkgevers aansprakelijk voor schade als gevolg van een coronabesmetting op de werkvloer? Julie van Meeteren Door Julie van Meeteren, Marxman Advocaten Inmiddels ligt de coronapandemie alweer een tijdje achter ons, maar nog altijd zijn de gevolgen hiervan in onze maatschappij merkbaar. Niet alleen op financieel vlak door de aflopende coronasteunmaatregelen of vanwege een terugbetalingsverplichting van NOW-subsidie, ook worden er nog dagelijks nieuwe besmettingen opgelopen en is er bij een groot aantal mensen in Nederland long (langdurig) covid geconstateerd. Uit een advies van het Maatschappelijk Impact Team d.d. 19 juni 2023, dat ons kabinet adviseert over de maatschappelijke gevolgen van pandemieën en de aanpak hiervan, blijkt dat er naar schatting 1,3 miljoen mensen in Nederland long covid hebben opgelopen. Een groot gedeelte van deze personen kampt(e) met lichte klachten, maar een aantal van hen is langdurig ziek geworden en is niet in staat om te werken. Dit kan vergaande consequenties hebben en het was dan ook wachten op de eerste zaak die hierover aan de rechter zou worden voorgelegd. Als een werknemer een coronabesmetting heeft opgelopen op de werkvloer en als gevolg daarvan langdurig ziek is geworden, kan het namelijk zo zijn dat een werkgever aansprakelijk is voor de schade van die werknemer. De schade kan zich bijvoorbeeld uiten in inkomensschade doordat de klachten van long covid zo lang aanhouden dat een werknemer ook na de periode van (ten minste) twee jaar nog niet hersteld is en een beroep moet doen op een uitkering. Op 16 december 2022 heeft de rechtbank Amsterdam zich over deze materie uitgelaten. De rechtbank moest beoordelen of de werkgever op grond van artikel 7:658 BW aansprakelijk is voor de geleden en nog te lijden schade van een werkneemster als gevolg van een coronabesmetting op de werkvloer. De werkneemster in kwestie vond dat haar werkgever niet voldoende maatregelen had getroffen om deze besmetting te voorkomen en zodoende niet aan de zorgplicht had voldaan. Wanneer is een werkgever aansprakelijk voor schade van een werknemer? Een werkgever kan aansprakelijk worden gesteld voor schade die een werknemer heeft geleden in de uitoefening van de werkzaamheden. Een werkgever is op grond van artikel 7:658 BW verplicht om te zorgen voor een veilige werkomgeving. Dit houdt onder meer in dat er maatregelen genomen moeten worden die redelijkerwijs noodzakelijk zijn om te voorkomen dat een werknemer tijdens het werk schade lijdt. Gebeurt dat toch, dan is een werkgever aansprakelijk tenzij hij kan aantonen dat er voldaan is aan de zorgplicht of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer. De op de werkgever rustende zorgplicht is ruim waardoor het lastig is om hieraan te voldoen. Aansprakelijkheid voor schade die een werknemer oploopt tijdens de uitvoering van het werk, komt daardoor relatief snel voor rekening van de werkgever. Een belangrijke kanttekening is dat niet is bedoeld om een absolute waarborg tegen gevaar voor werknemers in het leven te roepen. Het hangt van de situatie en omstandigheden van het geval af welke maatregelen een werkgever moet nemen en welke instructies er nodig zijn. Wat speelde er in deze zaak? De werkneemster werkte als coördinerend verpleegkundige voor een woonzorginstelling met verschillende locaties. Zij werkte op een locatie voor ouderen met dementie of een andere beperking. Vanwege de coronapandemie was het vanaf 20 maart 2020 niet meer toegestaan om bezoek te ontvangen in deze zorginstelling. De werkgever maakte onderdeel uit van een groep, die al voor de coronapandemie een Infectie Preventie Commissie (“IPC”) had opgericht. De IPC bracht adviezen uit, die gebaseerd werden op de richtlijnen en adviezen van de overheid. Deze adviezen werden vervolgens door een corona-stuurgroep omgezet in werkinstructies, die gehanteerd werden in de woonzorginstelling. De werkgever hield de werknemers regelmatig op de hoogte van wijzigingen in de werkinstructies door middel van nieuwsbrieven. Op de locatie waar de verpleegkundige werkte, waren in april 2020 meerdere bewoners positief getest op corona. Op 9 april 2020 heeft de verpleegkundige zonder extra persoonlijke beschermingsmaatregelen (“PBM”) de bloeddruk en temperatuur opgenomen (“triage”) bij één van de bewoners (‘Bewoner 1’). De verpleegkundige heeft gesteld (en dit is niet bestreden door de zorginstelling) dat zij voorafgaand aan het uitvoeren van de triage heeft verzocht om PBM te mogen gebruiken, maar dat de arts daarvoor geen toestemming had gegeven. Volgens een richtlijn van het RIVM van 20 maart 2020 wordt met ‘PBM’ bedoeld: “PBM bestaat uit tenminste een chirurgisch mondneusmasker en wegwerphandschoenen voor de medewerker. Het mondneusmasker kan 3 uur achtereen gedragen worden (bij verschillende patiënten). De handschoenen moeten per patiënt gewisseld worden.” Op 10 april 2020 kreeg Bewoner 1 corona gerelateerde klachten en op diezelfde dag heeft de verpleegkundige bij Bewoner 1 een coronatest afgenomen, die later positief bleek te zijn. In de dagen daarna zijn nog enkele andere bewoners positief getest op corona. Op 17 april 2020 kreeg de verpleegkundige zelf corona gerelateerde klachten en op 19 april 2020 bleek dat ook zij besmet was geraakt met het coronavirus. Is de coronabesmetting opgelopen tijdens het werk? Het eerste punt dat bewezen moet worden is waar de schade is ontstaan, oftewel waar is de werknemer besmet geraakt. In het geval van een bedrijfsongeval, bijvoorbeeld wanneer een schilder van de trap af is gevallen, is dit meestal eenvoudig aan te tonen. Bij een coronabesmetting is dat echter een lastige taak. Een werknemer kan namelijk overal in aanraking zijn gekomen met het virus; in het openbaar vervoer of tijdens het doen van boodschappen. Daardoor is de oorzaak vrijwel onmogelijk vast te stellen. De hoofdregel is dat een werknemer moet stellen en zo nodig moet bewijzen dat de schade is geleden tijdens de uitvoering van de werkzaamheden. Het is niet nodig om dit met 100% zekerheid vast te kunnen stellen, maar er moet sprake zijn van een ‘redelijke mate van zekerheid’ dat de schade is ontstaan in de uitoefening van de werkzaamheden. In sommige gevallen is het namelijk niet mogelijk om met honderd procent zekerheid te zeggen dat de klachten het directe gevolg zijn van de werkzaamheden. Volgens de werkneemster staat het vast dat zij tijdens het werk aan corona is blootgesteld en is het onaannemelijk dat de besmetting buiten haar werk is opgelopen. Ze heeft een triage uitgevoerd en een coronatest – zonder BPM – afgenomen bij een bewoner die besmet bleek te zijn met het coronavirus. En ook is zij op de werkdagen 10 en 12 april 2020 blootgesteld aan corona door reguliere zorg te verlenen aan en in contact te komen met twee andere bewoners die enkele dagen later positief testten op corona. Pas als bewoners waren getest op corona, moesten zij in hun eigen appartement blijven, maar tot dat moment mochten de bewoners overal op de afdeling komen. De verpleegkundigen droegen in eerste instantie in de gemeenschappelijke ruimten op de afdeling geen mondkapjes of andere PBM. Het ging om dementerende ouderen die hulpbehoevend waren en de coronaregels niet of zeer lastig konden onthouden. Dit maakte het houden van 1,5 meter afstand tijdens het werken lastig dan wel onmogelijk. De werkgever is het niet eens met het standpunt van de verpleegkundige en stelt dat de besmetting in de privésfeer is opgelopen. Volgens de kantonrechter is die kans echter verwaarloosbaar vanwege het volgende. De verpleegkundige is vanaf 10 april 2020 (toen de coronatest van Bewoner 1 positief was) in quarantaine gegaan, heeft alleen nog met haar eigen auto gereisd en heeft anderen boodschappen voor haar laten doen. Buiten het werk om en één bezoek aan haar ouders (waarbij afstand is gehouden), is de werkneemster niet met anderen in contact geweest. Gelet hierop en op de specifieke omstandigheden van die periode, Nederland bevond zich toen in de eerste lockdown met zeer strenge maatregelen waardoor de samenleving grotendeels op slot zat, acht de kantonrechter het niet waarschijnlijk dat de verpleegkundige besmet is geraakt in de privésfeer. Zij heeft dan ook voldoende aangetoond dat de coronabesmetting in de uitoefening van het werk is opgelopen. Heeft de werkgever de zorgplicht geschonden? In beginsel betekent dit dat de werkgever aansprakelijk is voor de schade, tenzij de werkgever kan aantonen dat er voldaan is aan de zorgplicht of dat er sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid aan de zijde van de verpleegkundige. Van dit laatste was geen sprake waardoor de zorgplicht de enige mogelijkheid was voor de werkgever om aansprakelijkheid voor de schade af te wenden. Het was daarom aan de werkgever om te stellen en te bewijzen dat er voldaan is aan de zorgplicht. Beoordeeld werd of de werkgever voldoende had gedaan om een coronabesmetting te voorkomen, binnen de grenzen van wat op dat moment van de zorginstelling kon worden gevraagd. In deze zaak werd gekeken naar de adviezen van het RIVM en naar de instructies die de werkgever had gegeven met betrekking tot het gebruik van PBM tijdens de uitvoering van het werk. De werkinstructie van de werkgever schreef voor dat het aan de dienstdoende arts was om een besluit te nemen over het gebruik van PBM. En dat besluit werd genomen als er sprake was van een verdenking op een coronabesmetting. De werkgever stelt in de procedure dat dit besluit niet alleen aan de arts werd overgelaten, maar dat de verpleegkundige ook zelf mocht besluiten om PBM te gebruiken als zij daar aanleiding toe zag. Hiervoor is de positie van een verpleegkundige ten opzichte van een arts relevant; de werkneemster voelde de ruimte namelijk niet – en die ruimte had zij formeel ook niet – om dit besluit zelf te nemen, in afwijking van deze werkinstructie. Ook is het relevant dat de werkgever kenbaar had gemaakt dat er geen tekort was aan PBM, maar wel dat deze schaars waren waardoor deze alleen conform de richtlijnen moesten worden gebruikt. Het is de taak en verantwoordelijkheid van een werkgever om duidelijke en specifieke instructies te geven én om erop toe te zien dat deze worden nageleefd. De onduidelijkheid die de werkgever heeft laten ontstaan over het gebruik van PBM kan haar worden aangerekend. Daar komt bij dat werkgever onvoldoende overige maatregelen had genomen om besmetting van haar personeel te voorkomen, waaronder het feit dat de verpleegkundigen tot 17 april 2020 zelf moesten besluiten of het dragen van mondkapjes en handschoenen noodzakelijk, wenselijk en praktisch gezien haalbaar was. Pas vanaf die datum besloot de zorginstelling dat de werknemers ook buiten de appartementen van de geteste bewoners met PBM moesten werken. Om voornoemde redenen is de werkgever volgens de kantonrechter tekortgeschoten in haar zorgplicht en is zij aansprakelijk voor de schade die de verpleegkundige heeft geleden en nog lijdt als gevolg van de coronabesmetting. Wat is het gevolg van deze uitspraak voor de praktijk? Vrijwel iedere werkgever zal te maken hebben gehad met een coronabesmetting van een werknemer. Als die besmetting mogelijk in de uitoefening van het werk is opgelopen en de betreffende werknemer heeft als gevolg hiervan schade opgelopen, dan kan de werkgever geconfronteerd worden met een claim. Uit deze uitspraak volgt dat met name het bewijs dat partijen naar voren brengen, een cruciale rol speelt. In dit geval slaagde de verpleegkundige erin om aan te tonen dat de besmetting op de werkvloer was opgelopen, maar dat zal in de meeste gevallen een zware dobber zijn. Als werknemer is het belangrijk om zoveel mogelijk feiten en omstandigheden naar voren te brengen om aannemelijk te maken dat de coronabesmetting tijdens het werk is opgelopen. Als collega’s, patiënten of cliënten positief testten op corona vlak voordat de werknemer ziek werd, kan dat als bewijs worden gebruikt. Verklaringen van vrienden en familie over het feit dat er boodschappen zijn gedaan en er nauwelijks bezoek heeft plaatsgevonden, kunnen dit standpunt verder onderbouwen. Anderzijds is het de taak van de werkgever om aannemelijk te maken dat de besmetting juist in de privésfeer heeft plaatsgevonden. Bijvoorbeeld door aan te tonen dat een werknemer met het openbaar vervoer naar werk reisde, buiten werk veel contacten onderhield etc. Bovendien is het de vraag of deze uitspraak anders had geluid als Nederland op het moment waarop de verpleegkundige besmet raakte, niet in de eerste (en zeer strenge) lockdown had gezeten. Daarnaast speelt ook de thuissituatie een belangrijke rol. Het lijkt erop dat de verpleegkundige in deze kwestie alleen woonde, nu niet wordt gesproken over haar thuissituatie en het feit dat zij enkel op afstand contact heeft gehad met haar ouders. Als een werknemer echter samenwoont en bijvoorbeeld kinderen heeft, kan dat het risico op een coronabesmetting in de privésfeer verhogen. Tot slot kan een werkgever – om aansprakelijkheid te voorkomen – een beroep doen op opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer. Dat was in dit geval niet aan de orde, maar er zijn situaties denkbaar waarbij dit mogelijk een grond oplevert om aansprakelijkheid voor schade als werkgever af te wenden. Denk bijvoorbeeld aan werknemers die de coronaregels aan hun laars lapten of weigerden bepaalde instructies van de werkgever op te volgen. In dat geval is het mogelijk dat een werknemer aan het kortste eind trekt. Wilt u meer weten over de aansprakelijkheid van een werkgever voor schade als gevolg van een coronabesmetting en/of andere beroepsziekten? Neem dan contact met ons op, onze arbeidsrechtadvocaten staan voor u klaar! Uiteraard kunt u ook voor overige vragen een van de specialisten van Marxman raadplegen. Geplaatst in Branchenieuws | Tags beroepsziekten, jurisprudentie | Reacties uitgeschakeld voor Zijn werkgevers aansprakelijk voor schade door coronabesmetting op werkvloer?
Nieuwe CEO bij detacheerder Trinamics Geplaatst 11 september 2023 door Redactie FlexNieuws Advies- en detacheringsbureau Trinamics verwelkomt Mohamed Boussoufi als nieuwe CEO. Trinamics, een advies- en detacheringsbureau gespecialiseerd in de bemiddeling van technisch personeel, kondigt de benoeming aan van zijn nieuwe CEO Mohamed Boussoufi. De directie zal naast Boussoufi bestaan uit Rolf Demoet (CFO) en Philippe Claassen (CCO). Het bedrijf, opgericht in 2005, levert gespecialiseerde detacheringsdiensten aan Nederlandse blue chip technologiebedrijven zoals ASML, VDL, DAF en Siemens. De detacheerder legt zich toe op het werven en opleiden van talenten in binnen- en buitenland voor de technologische industrie, vooral binnen de deelsectoren automotive, hightech, software/IT en (grove) machinebouw. Daarbij voorziet het in de invulling van complexe rollen op diverse niveaus, met thema’s als de groeiende digitalisering, noodzakelijke inhaalslag in de chipindustrie en de achterstand in toelevering bij technologie producenten. Met een bewezen staat van dienst in leidinggevende rollen binnen diverse branches, brengt Mohamed Boussoufi ervaring en expertise mee naar zijn nieuwe rol. Philippe Claassen: “Mohamed is de juiste aanvulling om Trinamics door het volgende hoofdstuk te leiden. Zijn strategische denkwijze en toewijding aan excellentie maken hem de perfecte match om onze groei en succes samen voort te zetten met ons ondernemend en betrokken team.” Mohamed Boussoufi: “Ik ben meer dan verheugd om me aan te sluiten bij het uitzonderlijke team van Trinamics en bij te mogen dragen aan het voortdurende succes van het bedrijf. Onze focus zal liggen op het blijven leveren van een ongeëvenaarde waarde aan onze partners, het handhaven van onze toewijding om technische professionals van over de hele wereld te helpen aan hun droombaan en het omarmen van innovatie om voorop te blijven in het voortdurend veranderende landschap van technische werving en detachering.” Geplaatst in Bedrijfsnieuws | Tags detachering | Reacties uitgeschakeld voor Nieuwe CEO bij detacheerder Trinamics
Feestdagen 2024 Geplaatst 11 september 2023 door Redactie FlexNieuws Feestdagen 2024 Een overzicht van de officiële feestdagen in Nederland in 2024: Nieuwjaarsdag: maandag 1 januari 2024 Goede Vrijdag: vrijdag 29 maart 2024 Pasen (eerste en tweede paasdag): zondag 31 maart en maandag 1 april 2024 Koningsdag: zaterdag 27 april 2024 Bevrijdingsdag: vrijdag 5 mei 2024 (zie ook: Waar heeft uitzendkracht recht op?) Hemelvaartsdag: donderdag 9 mei 2024 Pinksteren (eerste en tweede pinksterdag): zondag 19 en maandag 20 mei 2024 Kerstmis (eerste en tweede kerstdag): woensdag 25 en donderdag 26 december 2024 Zie ook Feestdagen 2023 | Download Algemene termijnenwet | Atw » | | Download Zondagswet » | Algemeen erkende feestdagen Algemeen erkende feestdagen in de zin van de wet (Burgerlijk Wetboek) zijn: de Nieuwjaarsdag, de Christelijke tweede Paas- en Pinksterdag, de beide Kerstdagen, de Hemelvaartsdag, de dag waarop de verjaardag van de Koning wordt gevierd en de vijfde mei. Van die wettelijke, algemeen erkende feestdagen worden alleen de christelijke feestdagen gezien als ‘zondag’. Dus alleen de christelijke feestdagen gelden als verplichte vrije dag. Op deze dagen zijn zowel overheidsinstellingen als het bedrijfsleven vrij en draaien publieke instellingen als ziekenhuizen en de spoorwegen meestal zondagsdiensten. Koningsdag en Bevrijdingsdag Koningsdag (27 april) is naast Bevrijdingsdag (5 mei) een nationale feestdag in Nederland. Koningsdag is een verplichte vrije dag. Bevrijdingsdag is sinds 1990 aangewezen als een jaarlijkse nationale feestdag. Maar werkgevers hoeven alleen in lustrumjaren (2015, 2020, 2025 etc.) werknemers een vrije dag te geven. In de cao mag hiervan afgeweken worden. De uitzend-cao’s van de ABU en NBBU volgen de feestdagen van het Burgerlijk Wetboek, behalve dat er geen recht is op doorbetaling als de feestdag op een zondag valt. Goede Vrijdag Goede Vrijdag is soms een (verplichte) vrije dag, afhankelijk van de CAO die van toepassing is. Afspraken in de CAO In de CAO staan de afspraken over de feestdagen en andere verplichte vrije dagen. In een CAO kunnen ook andere vrije dagen worden benoemd, bijvoorbeeld de vrijdag na Hemelvaartsdag. Dat is dus geen feestdag, maar een collectieve vrije dag. Hiervoor moet een werknemer dan een vakantie- of ADV dag inleveren. Feestdagen voor uitzendkrachten Uitzendkrachten die altijd op een zondag werken, krijgen die dag dan toch niet doorbetaald. Goede Vrijdag is géén feestdag volgens de Uitzend-CAO’s. Vrije dagen bij ABU en NBBU CAO De uitzend-cao’s kennen geen verplichte vrije dagen. Als een uitzendkracht niet kan werken op de vrijdag na Hemelvaart, omdat de opdrachtgever gesloten is, zijn er verschillende mogelijkheden. Heeft de uitzendkracht een contract met uitzendbeding, dan hoeft hij niet te worden doorbetaald. Hij kan natuurlijk wel vakantiedagreserveringen opnemen. Voor contracten zonder uitzendbeding en zonder loondoorbetalingsverplichting geldt hetzelfde. Voor contracten met een loondoorbetalingsverplichting moet het uitzendbureau in principe ander werk aanbieden voor die ene dag als de uitzendkracht zich beschikbaar stelt voor arbeid. Heeft het bureau dat niet en wil de uitzendkracht geen vakantiedag opnemen, dan moet het loon die dag worden doorbetaald. Biedt het bureau wel passend ander werk aan, maar de uitzendkracht weigert dit, dan vervalt deze verplichting weer. Bepaling vakantiereglement Een oplossing voor dit soort discussies is het opnemen van een bepaling in het vakantiereglement dat volgens de CAO mag worden opgesteld. In deze bepaling moet dan vermeld worden dat de uitzendkracht geacht wordt een vakantiedag op te nemen als hij bij zijn reguliere opdrachtgever wegens bedrijfssluiting niet kan werken. Hiermee is dan ook gelijk het probleem opgelost van de bouwvakvakantie. Geplaatst in Nieuws | Tags feestdagen | Reacties uitgeschakeld voor Feestdagen 2024
Veranderingen in flexcontracten: een goede voorbereiding is het halve werk Geplaatst 9 september 2023 door Redactie FlexNieuws Op de Nederlandse arbeidsmarkt maakt men veelvuldig gebruik van tijdelijke dienstverbanden, zoals voor seizoenarbeiders en oproepkrachten. Deze flexwerkers zijn vandaag de dag steeds vaker op zoek naar zekerheid. Gedurende de coronacrisis werd namelijk duidelijk dat deze groep kwetsbaar is. Ze zijn immers niet verzekerd van een vast inkomen en dat is in het huidige economisch klimaat gevaarlijk. Uit ons onderzoek in aanloop naar Prinsjesdag blijkt dan ook dat een derde van de flexwerkers (33%) het spannend vindt om in deze tijden als oproepkracht te werken. Veranderingen op de arbeidsmarkt Demissionair minister van Gennip van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wilde met een nieuw wetsvoorstel – de Wet voor meer zekerheid voor flexwerkers – inspelen op deze behoefte aan meer zekerheid. Met deze nieuwe wet moeten flexwerkers beter beschermd worden tegen onverwachte veranderingen. In het voorstel staat onder meer dat werkgevers een basiscontract als uitgangspunt moeten nemen. Door het gevallen kabinet is het niet duidelijk of dit wetsvoorstel er in deze vorm gaat komen, maar het moge duidelijk zijn dat een wet als deze er in de toekomst in zit. Voor bedrijven is het nu de perfecte tijd om zich alvast voor te bereiden op de verwachte veranderingen. Maar welke obstakels komen HR-professionals hierbij tegen? En hoe kunnen ze nu al de beste voorbereidingen treffen? Basiscontract leidt tot administratieve last De mogelijke wijzigingen brengen een administratieve last met zich mee. Bijna twee op de vijf HR-professionals (37%) maakt zich hier zorgen over. Dit komt voornamelijk doordat het nulurencontract vervangen moet worden door een basiscontract. Het aanbieden van dit basiscontract met een minimum- en maximumaantal uren is voor een derde van de HR-professionals (31%) een knelpunt. Het basiscontract bestaat uit een aantal vaste uren die een flexwerker per maand moet werken. Dit betekent dat de werkgever ervoor moet zorgen dat hij voldoende werk aanbiedt om deze uren te vervullen. Werkt een flexwerker namelijk minder uren, dan moet hij wel betaald krijgen voor het aantal uur dat is vastgelegd in het basiscontract. Bovendien is het voor werkgevers niet voordelig om een flexwerker met een basiscontract meer dan dertig procent van de contracturen te laten werken. Dan moet de werkgever namelijk een hogere WW-premie betalen. Om de uitwerking van het basiscontract goed te organiseren is een adequate tijdsregistratie en een goed salarissysteem belangrijk. Tevens is het verstandig voor HR-professionals om nu al de flexibele schil inzichtelijk te maken. Hoeveel flexwerkers heb je nu rondlopen, hoeveel uur werken ze gemiddeld, op welke momenten werken ze en in welke situaties zijn ze het meest nodig? Denk daarnaast ook na over hoe je je flexwerkerbeleid wil inrichten: wat is de langetermijnvisie, hoeveel vaste contracten kan je opmaken en hoeveel uur werk is er? Met deze vragen kan je in kaart brengen wat voor soort basiscontracten je moet gaan aanbieden. Seizoenarbeiders, studenten en scholieren hebben een speciale positie in dit wetsvoorstel. Zij kunnen namelijk nog wel ingezet worden als flexwerker. Er zijn wel een aantal criteria waar werkgevers dan rekening mee moeten houden. De studenten moeten bijvoorbeeld als hoofdtaak studeren hebben. Dit betekent dat werkgevers een extra controle moeten uitvoeren wat weer extra werk voor de HR-afdeling oplevert. Flexwerkers informeren over veranderingen De veranderingen hebben natuurlijk ook impact op de flexwerkers zelf. Werkgevers moeten hen dan ook voldoende informeren over de wijzigingen. En dat is soms lastig. Dertig procent van de HR-professionals betwijfelt of het hun organisatie gaat lukken om flexibel personeel goed te informeren. Om ervoor te zorgen dat flexwerkers voldoende worden ingelicht, is het belangrijk om nu al de dialoog aan te gaan over het basiscontract. Dan kan je vroegtijdig duidelijk hebben of het basiscontract voor beide partijen aanvaardbaar is. Een adequate voorbereiding De wenselijkheid van flexibele contracten wordt al jarenlang bediscussieerd. Nu lijkt er eindelijk een einde aan te komen. En dat is fijn voor de flexwerkers die steeds meer behoefte aan zekerheid hebben. De kans is groot dat de wet er gaat komen, ondanks de val van het kabinet. Het is raadzaam voor HR-professionals om dit intermezzo te gebruiken om voorbereidingen te treffen. Dan is het, tegen de tijd dat de wet in werking treedt, een stuk makkelijker om aan de gestelde eisen te voldoen. Auteur: Joke van der Velpen, Manager wet- en regelgeving bij Visma | Raet Geplaatst in Compliance | Tags arbeidsmarkt, basiscontract, flexcontracten, flexwerkers | Reacties uitgeschakeld voor Veranderingen in flexcontracten: een goede voorbereiding is het halve werk
Gedifferentieerde premie Werkhervattingskas 2024 Geplaatst 6 september 2023 door Redactie FlexNieuws De sectorale premie Werkhervattingskas voor 2024 is bekendgemaakt. De Werkhervattingskas (Whk) bestaat uit WGA-lasten en Ziektewet premie. Voor sector 52 (uitzendbedrijven) stijgt de WGA van 2,4 naar 2,42% en de ZW-flex daalt van 4,73 naar 4,13%. In de Staatscourant is het Besluit gedifferentieerde premie Whk 2024 gepubliceerd. Gemiddelde premieplichtig loon € 37.700 Grens kleine/middelgrote werkgever € 942.500 Grens middelgrote/grote werkgever € 3.770.000 Sector 52 Voor de sector Uitzendbedrijven (sector 52) gelden de volgende premiepercentages: WGA: 2,42 ZW: 4,13 Dit zijn alle sectorale premies voor 2024 Kostprijs De sectorale premie Werkhervattingskas (Whk) is traditioneel de eerste premie die bekend wordt gemaakt voor het nieuwe jaar. De overige premies worden op Prinsjesdag duidelijk, maar zijn dan nog voorlopig. In de maanden erna worden ze gepubliceerd in de Staatscourant en pas dan zijn ze definitief. De premies zijn relevant voor het berekenen van de kostprijs. Geplaatst in Nieuws | Tags Gedifferentieerde premie Werkhervattingskas 2024, Kostprijs, Kostprijs 2024 | Reacties uitgeschakeld voor Gedifferentieerde premie Werkhervattingskas 2024