loading
views

Aanzegverplichting

Van Diepen Van der Kroef Advocaten

 

Aanzegverplichting (sinds 1 januari 2015): Werkgever heeft niet voldaan aan de aanzegverplichting door werkneemster niet uiterlijk een maand voordat de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van rechtswege eindigt schriftelijk te informeren over het al dan niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst. Werkgever is een vergoeding verschuldigd ter hoogte van het loon over één maand.

Vordering
De arbeidsovereenkomst van werkneemster eindigt van rechtswege op 28 februari 2015. Werkgever heeft niet voldaan aan de aanzegverplichting ex artikel 7:668 BW. Werkneemster vordert bij verzoekschrift betaling van een vergoeding ter hoogte van het bruto equivalent van € 1.444, – netto ex artikel 7:668 BW ter zake de aanzegverplichting. Werkneemster heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat haar arbeidsovereenkomst van rechtswege is geëindigd op 28 februari 2015, zonder dat zij op voorhand is geïnformeerd over voortzetting dan wel beëindiging van het contract. Voorts heeft werkneemster gesteld dat sprake is van overgang van onderneming per 15 oktober 2014, ten gevolge waarvan zij per die datum in dienst is gekomen bij [b], zijnde rechtsopvolger van Aydin Market.

Feiten
Werkneemster is bij Aydin Market in dienst getreden tot 1 maart 2015 in de functie van kapster. Aydin Market heeft tot 15 oktober 2014 het loon voldaan. Werkneemster heeft een door Aydin Market ondertekende brief overgelegd van 10 oktober 2014 waarin wordt geschreven dat vanaf 15 oktober 2014 de zaak wordt overgenomen door de heer [b]. Aydin Market heeft een door werkneemster ondertekende brief van 10 oktober 2014 in het geding gebracht, waarin zij schrijft dat zij de arbeidsovereenkomst met Aydin Market wil beëindigen, omdat zij in dienst treedt bij [b].

Beoordeling van het geschil
De kantonrechter stelt voorop dat vanaf 1 januari 2015 op grond van artikel 7:668 lid 1 BW de aanzegplicht geldt, uit hoofde waarvan een werkgever verplicht is om de werknemer uiterlijk een maand voordat een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van rechtswege eindigt schriftelijk te informeren over het al dan niet voortzetten ervan. Indien de werknemer deze aanzegverplichting in het geheel niet is nagekomen, is de werkgever in beginsel ex artikel 7:668 lid 3 BW een vergoeding verschuldigd gelijk aan het bedrag van het loon voor één maand.

Eveneens per 1 januari 2015 is artikel 7:686a lid 4 onderdeel a BW in werking getreden waarin is bepaald dat de bevoegdheid om een verzoekschrift bij de kantonrechter in te dienen vervalt twee maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd indien het verzoek een vergoeding betreft zoals bedoeld in artikel 7:668 lid 3 BW. Echter, artikel 7:686a lid 2 BW waarin is geregeld dat – onder – gedingen zoals het onderhavige worden ingeleid met een verzoekschrift treedt eerst in werking per 1 juli 2015 en is derhalve nog niet van kracht. Dit brengt met zich dat de onderhavige vordering die strekt tot betaling van de aanzegvergoeding bij dagvaarding had moeten worden ingeleid.

De kantonrechter stelt vast dat beide gedaagden door betekening van de deurwaardersexploten correct, op de in de wet voorgeschreven wijze voor dagvaardingsprocedures, zijn opgeroepen door werkneemster. Daarmee is de kantonrechter van oordeel dat noch [b] noch Aydin Market in zijn of haar processuele belang is geschaad. Bovendien is Aydin Market met een verweerschrift in de procedure verschenen. De kantonrechter bepaalt ambtshalve dat, zoals ter zitting is meegedeeld, overeenkomstig artikel 69 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de procedure wordt voortgezet volgens de regels die gelden voor de dagvaardingsprocedure.

Werkneemster heeft onbetwist gesteld dat haar werkgever de aanzegverplichting van artikel 7:668 lid 1 BW in het geheel niet is nagekomen. Nu niet gesteld of gebleken is dat een van de uitzonderingsituaties van artikel 7:668 lid 2 BW (korter dan 6 maanden of het tijdstip van het eindigen van de arbeidsovereenkomst is niet op een kalenderdatum gesteld) zich voordoet en werkneemster haar vordering, gelet op artikel 7:686a lid 4 BW binnen twee maanden na beëindiging van rechtswege van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd heeft ingesteld, oordeelt de kantonrechter dan ook dat de werkgever ex artikel 7:668 lid 3 BW een vergoeding verschuldigd is gelijk aan het bedrag van het loon voor één maand, zoals gevorderd door werkneemster.

Volgens de kantonrechter dient [b] als werkgever te worden beschouwd. Daartoe overweegt de kantonrechter dat op grond van de feitelijke gang van zaken zoals voldoende onderbouwd gesteld door werkneemster – waaronder de overdracht van het gebouw, de inventaris, de klantenkring, het personeel en de in de onderneming verrichte activiteiten – de conclusie gerechtvaardigd is dat sprake is van overgang van onderneming in de zin van artikel 7:662 lid 2 BW, waarbij de onderneming vanaf 15 oktober 2014 door [b] is voortgezet.

De kantonrechter wijst de gevorderde hoofdsom jegens [b] ad het bruto equivalent van € 1.144, – toe.

Bron: Rechtbank Noord-Nederland, 13 mei 2015, ECLI:NL:RBNNE:2015:2325

Nb. In ECLI:NL:RBDHA:2015:5372 kwam een zelfde vordering aan de orde. De arbeidsovereenkomst tussen partijen eindigde van rechtswege op 1 februari 2015. In deze zaak verzocht de werknemer tot veroordeling van zijn werkgever om een aanzegboete, bedoeld in het nieuwe artikel 7:668 lid onder a van het Burgerlijk Wetboek. Werknemer legde hieraan ten grondslag dat zijn werkgever de aanzegplicht heeft geschonden, als gevolg waarvan werkgever hem een vergoeding is verschuldigd. Ook deze kwestie werd ingeleid met een verzoekschrift. De kantonrechter oordeelt hierover dat vorderingen tot betaling van de aanzegboete tot 1 juli 2015 ingeleid dienen te worden met een dagvaarding.

De kantonrechter wijst in deze zaak de vordering van werknemer af en overwoog hiertoe als volgt:

Voor de vraag of werkgever aan werknemer een aanzegboete verschuldigd is, is bepalend dat artikel XXIId van de Wet werk en zekerheid (hierna: Wwz) bepaalt dat artikel 7:668 leden 1 t/m 4, onderdeel a BW, zoals dat artikel komt te luiden na het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel M van de WWZ, niet van toepassing is op arbeidsovereenkomsten die eindigen binnen een maand na het tijdstip van inwerkingtreding van dit onderdeel. Artikel I, onderdeel M van de WWZ is met ingang van 1 januari 2015 in werking getreden. Dit brengt mee dat werkgevers pas een aanzegverplichting hebben indien de datum waarop de arbeidsovereenkomst eindigt op of na 1 februari 2015 is gelegen. Dit brengt naar het oordeel van de kantonrechter met zich mee dat er een aanzegverplichting voor de werkgever geldt, indien de laatste werkdag van de werknemer is gelegen op of na 1 februari 2015.

In het onderhavige geval staat tussen partijen vast dat 31 januari 2015 de laatste werkdag van werknemer is geweest. De arbeidsovereenkomst van werknemer heeft derhalve tot en met 31 januari 2015 bestaan. Vanaf 1 februari 2015 heeft werknemer geen arbeid meer voor werkgever verricht en is werkgever aan werknemer geen salaris meer verschuldigd. Dit leidt tot de conclusie dat de arbeidsovereenkomst van werknemer is geëindigd binnen een maand na het inwerkingtreden van het nieuwe artikel 7:668 BW. Op werkgever rustte dan ook, in het geval van werknemer, geen aanzegverplichting.

Deze bijdrage is geschreven door mr. Babs Dubois.

Voor meer informatie over de uitspraak of over Van Diepen van der Kroef Advocaten: stuur een email naar mw. mr. Babs Dubois – Van Kleef Van Diepen Van der Kroef Haarlem, tel. 023 542 42 92.

Gerelateerd nieuws


Meer uit deze rubriek