Koolmees over TOFA, tegemoetkoming flexkrachten

0
543

Het ministerie van SZW bereidt de Tijdelijke Overbruggingsregeling voor Flexibele Arbeidskrachten (TOFA) voor.

Dit is een tegemoetkoming voor flexkrachten die door de coronacrisis werkloos zijn geworden, maar niet in aanmerking komen voor WW of bijstand. De Tweede Kamer had daar met steun voor de motie-Gijs van Dijk c.s. aandacht voor gevraagd.
Bovendien werd gevraagd of het mogelijk is bij dit vangnet ook studenten, artiesten, hybride ondernemers te betrekken.

Niet loongerelateerd
Een loongerelateerde tegemoetkoming is niet uitvoerbaar, zegt minister Koolmees in zijn brief, d.d. 20 mei, aan de Tweede Kamer. De tegemoetkoming zal een ruwe, ongenuanceerde schatting zijn. Daarom zal de hoogte van het bedrag (bruto 600 euro) voor sommigen te weinig en voor anderen teveel zijn.

In het voorstel voor een ‘corona-vangnet’, dat de Stichting van de Arbeid eerder heeft gedaan, werd gepleit voor een loongerelateerde tegemoetkoming. Dat voorstel is volgens de minister dus onuitvoerbaar.

Uitkering TOFA mogelijk vanaf juli?
Op zijn vroegst wordt de groep flexkrachten (dat willen zeggen: zij die hun tijdelijke werk hebben verloren, maar niet in aanmerking komen voor WW of bijstand) in de tweede helft van juli gecompenseerd. Het ministerie van SZW bereidt dit nu voor in samenwerking met het UWV. Minister Koolmees wil de vormgeving in de tussentijd ook bespreken met de Tweede Kamer.

Doelgroep flexwerkers zeer divers
De groep flexwerkers waar het hier om gaat is zeer divers en omvat jongeren met een bijbaan, volwassenen met een voltijds uitzendbaan, studenten met een oproepcontract, etc.

Hoeveel flexwerkers zijn er?
In Nederland werkten in 2019 545.000 mensen als oproep/-invalkracht en 266.000 als uitzendkracht. In totaal zijn dat dus ruim 800.000 flexwerkers. Van de oproep-, inval- en uitzendkrachten is 47% thuiswonend kind/ student, 10% uitwonende student en 43% overig uitwonend.

Hoeveel flexwerkers hebben recht op WW?
Startpunt voor het in kaart brengen van de groep is de vraag geweest wie recht heeft op WW bij werkloosheid. De meeste flexwerkers hebben bij ontslag recht op WW: 57% van de oproep- en uitzendkrachten geeft aan meer dan negen maanden bij de huidige werkgever te werken. Daarmee zouden zij vrijwel zeker voldoen aan de referte-eis van het UWV, die inhoudt dat een werknemer ten minste 26 van de laatste 36 weken gewerkt moet hebben om in aanmerking te komen voor de WW. Van de overige 43%, oftewel 350.000 mensen, zal nog steeds een groot deel recht hebben, bijvoorbeeld omdat zij meer dan zes maanden onafgebroken werken bij dezelfde werkgever (maar minder dan negen), of daarvoor bij een andere werkgever hebben gewerkt. Een veilige inschatting lijkt daarom dat maximaal één derde van de werknemers met een oproep- of uitzendcontract niet in aanmerking komt voor WW.

Wat kenmerkt de groep die bij ontslag geen recht heeft op WW of bijstand?
De groep werknemers met een oproep- of uitzendcontract die niet in aanmerking komt voor WW, is divers. Bij meer dan de helft (53%) gaat het om thuiswonende kinderen/ studenten, 9% gaat om uitwonende studenten, en in 38% gaat om andere situaties. De leefsituaties van deze groepen verschilt sterk. In het geval van thuiswonende kinderen/ studenten is vaak sprake van een hoog huishoudinkomen dat wordt verdiend door ouders. In het geval van uitwonende studenten is vaak sprake van alleenstaanden die niet op een partner terug kunnen vallen, maar wel op studiefinanciering. Studenten werken veelal in kleine baantjes. 55% van alle studenten werkt minder dan 12 uur, 23% werkt tussen de 12 en 19 uur en 22% werkt meer dan 20 uur. De meeste diversiteit is terug te vinden binnen de groep van 38%, of ongeveer 133 duizend mensen, die noch thuiswonend kind, noch student is. Van deze groep heeft ongeveer een derde een huishoudinkomen van minder dan 30.000 euro per jaar, maar ook ongeveer een derde heeft een huishoudinkomen van meer dan twee keer modaal.

Een deel van de mensen met een oproep- of uitzendcontract die bij baanverlies geen recht heeft op WW, kan onder voorwaarden aanspraak maken op de bijstand. Daarvoor moet in ieder geval sprake zijn van een laag vermogen en moet ook de partner geen of weinig inkomen hebben. Onderzoek naar flexwerkers tussen de 20 en 45 jaar suggereert dat oproep- en uitzendkrachten in ieder geval veel minder vermogen hebben dan mensen die op een andere manier werken. Zo’n 50% van de werknemers met een oproep- of uitzendcontract heeft minder dan 2.500 euro spaargeld, tegenover 24% van de vaste werknemers en 22% van de zzp‘ers. Van de flexwerkers (inclusief zelfstandigen, tijdelijke contracten) met minder dan 2.500 euro spaargeld heeft meer dan de helft geen partnerinkomen, omdat er geen partner is of omdat deze niet werkt. Hoewel de vermogensgrenzen voor de bijstand anders zijn, suggereert dit beeld dat een aanzienlijk deel van de flexwerkers bij ontslag, indien er geen recht bestaat op WW, aanspraak kan maken op de bijstand.

Het is aannemelijk dat met name veel arbeidsmigranten geen recht zullen hebben op WW. Veel van hen hebben sinds het uitbreken van de coronacrisis hun inkomen in Nederland verloren en zijn teruggekeerd naar het land van herkomst. Een steekproef van ongeveer 20.000 personen die mogelijk in aanmerking zouden kunnen komen voor TOFA, laat zien dat een aanzienlijk deel uit arbeidsmigranten zal bestaan.

Voor wie zou de tegemoetkoming bedoeld zijn?
Voor flexwerkers die niet in aanmerking komen voor WW of bijstand, maar wel van hun inkomen afhankelijk waren om hun vaste lasten te betalen of hun gezin te onderhouden, moeten deze bijzondere tijd kunnen overbruggen. Omwille van eenvoud zou de tegemoetkoming echter beschikbaar zijn voor een bredere groep dan alleen flexwerkers. Het gaat om mensen die:
1. een substantieel inkomen hadden;
2. sinds 1 maart 2020 – de maand waarin de coronacrisis in volle hevigheid uitbrak – substantieel inkomensverlies hebben geleden;
3. daardoor sindsdien geen substantieel inkomen meer hebben en;
4. ten behoeve van dat levensonderhoud geen aanspraak hebben gemaakt op een andere inkomensvoorziening.

Motivering hoogte tegemoetkoming
Geredeneerd vanuit de gedachte dat het gaat om mensen die niet voldoen aan de referte-eis van de WW vanwege hun geringe arbeidsverleden als flexkracht, wil de minister aansluiten bij het gemiddelde loon van een oproepkracht. De gemiddelde oproepkracht verdient volgens CBS-cijfers 825 euro bruto per maand. Uitgaande van een tegemoetkoming van 70% van dat gemiddelde bedrag, is de hoogte van de TOFA (afgerond naar boven op een honderdtal) dan 600 euro bruto per maand.

Welke andere voorwaarden kunnen worden gehanteerd?
Gezien de hoogte van de tegemoetkoming, zou het redelijk zijn te vereisen dat er in februari – de laatste volledige maand voordat de coronamaatregelen werden ingevoerd – minimaal 500 euro bruto werd verdiend. In de Wet arbeidsmarkt in balans wordt een grens van 12 uur per week gehanteerd om te bepalen of de arbeid van bijkomstige aard is. Uitgaande van het wettelijk minimumloon en arbeid van 12 uur per week, wordt met arbeid van bijkomstige aard circa 500 euro bruto per maand verdiend.

Het lijkt de minister redelijk als voorwaarde te stellen dat in de maand april ten opzichte van februari ten minste 50% inkomstenverlies moet hebben plaatsgevonden. Heeft de aanvrager in april nog meer dan 600 euro inkomsten, dan ontvangt men geen tegemoetkoming. Er is dan immers nog sprake van een inkomen waarmee in belangrijke mate in het levensonderhoud kan worden voorzien. Ook mag de aanvrager geen aanspraak hebben gemaakt op een andere inkomensvoorziening, zoals bijstand.

Deze voorwaarden betekenen dat mensen die TOFA krijgen, niet per se werkloos hoeven te zijn. Ook oproepkrachten die in thuisquarantaine zaten vanwege een zieke huisgenoot kunnen bijvoorbeeld TOFA krijgen.

Een substantieel deel van de werknemers met een oproep- of uitzendcontract is minderjarig. Ouders hebben voor hen een zorgplicht. Daarom komen werknemers onder de 18 jaar niet in aanmerking voor de tegemoetkoming. Ook werknemers die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt, komen niet in aanmerking. Zij komen in aanmerking voor AOW.

Iemand die pas in mei of juni minder inkomsten heeft, komt niet in aanmerking voor de TOFA, omdat er alleen naar inkomstenverlies in april gekeken kan worden.

Maatregel is fraudegevoelig
Of iemand ook inkomen ontvangt uit het buitenland kan niet worden meegenomen in de beoordeling van TOFA-aanvragen, omdat zulke inkomens niet in de UWV-polisadministratie staan. Ook de simpele vormgeving van de regeling maakt de selectie van mensen die in aanmerking zouden kunnen komen, tamelijk willekeurig.

Bron: TweedeKamer.nl, 20 mei 2020

Uit de eerste monitor van de SZW-onderdelen van het noodpakket blijkt dat tot en met 30 april er ongeveer 114.000 aanvragen zijn ingediend voor de NOW en naar schatting ongeveer 343.000 aanvragen voor de Tozo.

Sinds het begin van de coronacrisis zijn tienduizenden mensen ontslagen. Voor werknemers (die voldoen aan de voorwaarden) bestaat er al een goed regulier stelsel voor sociale zekerheid met recht op WW of bijstand.