"Voor futureproof ondernemen in flex"
SLUIT MENU

Brancheverenigingen flexsector vrezen onbereikbaarheid zelfstandigenwet

Vijf brancheverenigingen, die de bureauwereld vertegenwoordigen, vrezen dat de veilige haven van de Zelfstandigenwet voor het merendeel van de zzp’ers onbereikbaar blijft. ABU, NBBU, Bovib, VvDN en RIM willen dat werken via een intermediair, in een sector met strenge regels of op uurbasis geen obstakel vormt.

De brancheverenigingen ABU, NBBU, Bovib, VvDN en RIM steunen de ambitie van de Zelfstandigenwet om zelfstandig ondernemerschap wettelijk te erkennen en opdrachtgevers en zzp’ers vooraf meer zekerheid te geven. Om die ambitie waar te maken, zijn wel aanpassingen nodig die beter aansluiten bij de praktijk. Dat schrijven ze in een gezamenlijke reactie op de internetconsultatie, die op 29 oktober sluit.

De coalitie betwijfelt of alle criteria haalbaar zijn voor het merendeel van de zelfstandigen. “Wanneer dat niet het geval is wordt in feite aan het merendeel van de zelfstandigen de veilige haven onthouden.”

De coalitie bestaat uit de uitzendbrancheorganisaties ABU en NBBU, Bovib (intermediairs en brokers), de Vereniging van Detacheerders Nederland (VvDN) en de Raad voor Interim Management (RIM). Samen hebben zij duizenden intermediairs, uitzendbureaus en detacheerders als lid. Hun belangrijkste wensen: laat bij tussenkomst van een intermediair de afzonderlijke eindopdrachtgevers meetellen, maak duidelijk dat noodzakelijke sectorregels en proportioneel toezicht zelfstandig werken niet zonder meer uitsluiten, en erken dat een inspanningsverplichting en een uurtarief kunnen samengaan met werken voor eigen rekening en risico.

Twee toetsen bepalen de veilige haven

Minister Thierry Aartsen (Werk en Participatie) zette het conceptwetsvoorstel op 1 oktober in consultatie. De wet moet duidelijk maken wanneer iemand in ieder geval als zelfstandige kan werken. Daarvoor introduceert het voorstel twee toetsen. De zelfstandigentoets, met drie criteria, kijkt naar het ondernemerschap van de zzp’er. Hij moet bijvoorbeeld in het afgelopen en lopende kalenderjaar samen minimaal drie opdrachtgevers hebben en jaarlijks een minimumbedrag besteden aan voorzieningen zoals een arbeidsongeschiktheidsverzekering en pensioen. De werkrelatietoets, met vier criteria, beoordeelt per opdracht of gezag ontbreekt. Een van die criteria is werken voor eigen rekening en risico.

Wie aan alle zeven criteria voldoet, en zich daar gedurende de opdracht ook aan houdt, zit in de veilige haven: dan is er geen sprake van een arbeidsovereenkomst. Wie er niet aan voldoet, valt terug op de bestaande holistische toets uit de rechtspraak.

De coalitie wil dat de memorie van toelichting bij de wet duidelijker maakt wie welk risico draagt. Blijven voldoen aan de zelfstandigentoets is volgens de brancheverenigingen een ondernemersrisico van de zelfstandige zelf, dat niet kan worden verlegd naar de opdrachtgever. Voor de werkrelatietoets blijven alle betrokken partijen wel verantwoordelijk.

Het criterium voor intermediairs en eindopdrachtgevers

Het grootste pijnpunt voor de intermediairs is het criterium van drie opdrachtgevers. Bij het bemiddelingsmodel contracteert de zzp’er rechtstreeks met de eindopdrachtgever, en dan tellen die eindopdrachtgevers gewoon afzonderlijk mee. Bij tussenkomstmodel zijn er twee overeenkomsten: tussen intermediair en eindopdrachtgever, en tussen zzp’er en intermediair. In dat geval ziet de memorie van toelichting de intermediair als enige opdrachtgever.

Dat is volgens de coalitie onterecht. Voor elke opdracht sluit de zzp’er een nieuwe overeenkomst en beslist hij zelf of hij die aanneemt. Ook draagt hij het risico bij de uitvoering, en kijkt de werkrelatietoets wél naar de eindopdrachtgever. Daarnaast kiest vaak de opdrachtgever voor een intermediair, bijvoorbeeld via een aanbesteding. Die keuze mag de uitkomst van de zelfstandigentoets niet bepalen, vinden de brancheverenigingen. “De feitelijke opdrachten en de partijen voor wie het werk wordt verricht, moeten daarbij bepalend zijn, in plaats van de manier van contracteren.”

Los daarvan is het criterium volgens de coalitie voor langlopende opdrachten vaak niet haalbaar. Ze noemen een projectleider op een infrastructureel project van vier jaar of langer, een interim-manager die twee jaar een verandertraject leidt en een IT-professional die een nieuw IT-landschap implementeert.

Minister Aartsen lichtte de keuze vorige week toe in een speciale aflevering van de ZiPconomy-podcast. Het kabinet gaat uit van de contractuele relatie: “Als je de contractuele relatie met de intermediair hebt, dan telt dat als één opdrachtgever.” Hij zei ook dat het criterium van drie opdrachtgevers bovenaan de lijst staat van punten waarnaar hij na de consultatie opnieuw kijkt, en dat hij dit met de brancheorganisaties te wil bespreken.

Al deze zomer vroegen de vijf brancheverenigingen aandacht voor zzp’ers die via een intermediair werken. Toen pleitten ze er nog voor het criterium van het aantal opdrachtgevers helemaal los te laten.

De coalitie over sectorregels en uurtarief

In sectoren zoals de zorg, kinderopvang en beveiliging bepalen wet- en regelgeving deels hoe het werk wordt ingericht. Volgens de coalitie mogen zulke noodzakelijke regels de toegang tot de veilige haven niet zonder meer blokkeren. Toezicht dat voortkomt uit de eindverantwoordelijkheid van de opdrachtgever moet worden onderscheiden van aansturing van het dagelijkse werk. De brancheverenigingen wijzen op de bouw: daar noemt de memorie van toelichting veiligheidsvoorschriften juist als voorbeeld van regels die de vrijheid van werkorganisatie niet belemmeren. Ze zien geen reden om protocollen in de zorg anders te beoordelen.

Ook het de beperkingen om te werken op basis van een uurtarief zit de coalitie dwars. De toelichting op de wet sluit een vergoeding sec op basis van gewerkte uren categorisch uit. Volgens een SEO-onderzoek uit 2017, in opdracht van drie ministeries, rekent net iets meer dan de helft van de zelfstandigen af op basis van een uurtarief. De brancheverenigingen noemen de benadering daarom “onnodig beperkend” en vrezen dat die de markt opnieuw op slot zet. “Een urenvergoeding bewijst op zichzelf geen werkgeversgezag en kan samengaan met werken voor eigen rekening en risico.” Ze stellen voor de passage te schrappen waarin het kabinet dit moeilijk verenigbaar noemt.

Daarnaast missen ze indicatoren die duidelijk maken dat een zelfstandige risico’s loopt die een werknemer niet heeft, zoals eigen prijsstelling, beroepsaansprakelijkheid, onbetaald herstel van fouten, inkomstenverlies bij voortijdige beëindiging, investeringen in acquisitie en het zelf dragen van leegloop. Ook willen ze de formulering over ‘de mate waarin’ iemand risico loopt schrappen, zodat inspecteurs niet achteraf hoeven te beoordelen of iemand ‘voldoende’ risico droeg.

Hoe verder?

Na het sluiten van de consultatie verwerkt het ministerie de meer dan duizend reacties. Minister Aartsen heeft al aangekondigd dat het voorstel daarna mogelijk wordt aangepast. Vervolgens gaat het wetsvoorstel voor advies naar de Raad van State en worden komen er uitvoeringstoetsen, onder meer van de Belastingdienst. Daarna gaat de concept wet naar de Tweede Kamer, waar behandeling in 2027 is voorzien. De beoogde ingangsdatum is 1 januari 2028.

Redactie van Flexnieuws - interviews, artikelen, aankondigingen en persberichten.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *