Redactie FlexNieuws 31 augustus 2026 0 reacties Print Rechter: niet wervingsmail maar uitzendovereenkomst leidend bij bepaling recht om werkWat is doorslaggevend als een wervingsmail iets anders belooft dan de arbeidsovereenkomst die de werknemer vervolgens ondertekent? En wat betekent dat voor uitzendkrachten die zich achteraf op de oorspronkelijke advertentie beroepen? Een kantonrechter gaf uitsluitsel. “Arbeidsperiode: 6 maanden met mogelijkheid tot verlenging.” Dat stond er in een Poolse wervingsmail van het uitzendbureau. Een man reageerde en ging via het bureau aan de slag bij een distributiecentrum van een grote supermarktketen. Na twee en een halve maand eindigde die inzet echter. Contractbreuk vond de uitzendkracht. De mail schepte de verwachting van een halfjaar werk van 140 uur per maand. Toen de inzet na twee en een halve maand eindigde, voelde hij zich benadeeld en stelde hij dat zijn werkgever en de inlener zich niet aan de toegezegde termijn hadden gehouden. Hij stapte naar de rechter en eiste ruim 11.000 euro als schadevergoeding en billijke vergoeding over de resterende periode. Het verweer De uitzender en supermarkketen stelden dat niet de wervingsmail, maar de daadwerkelijk getekende arbeidsovereenkomst bepalend was. De uitzender voerde aan dat het daadwerkelijk getekende contract een uitzendovereenkomst fase A voor de duur van één kalendermaand was, telkens stilzwijgend verlengbaar, met een vaste arbeidsduur van slechts 8 uur per 4 weken. Van een toezegging van zes maanden werk of 140 uur per maand was volgens de uitzendonderneming geen sprake. Aan het einde van de periode van inzet ontving de uitzendkracht een transitievergoeding van €232,51. De inlenende supermarkt wees erop dat de beëindiging van de inzet een eigen bedrijfsmatige keuze van de inlener was, waarover de kantonrechter zich volgens haar niet hoefde uit te spreken. De afweging van de rechter Volgens de kantonrechter wekte de wervingsmail weliswaar de suggestie van een halfjaar werk, maar was dit een aanbod om in onderhandeling te treden en geen bindende toezegging. Beslissend was het contract dat de werknemer daarna ondertekende. Dat was aantoonbaar een overeenkomst voor één maand, met alleen de mogelijkheid, niet de zekerheid, van verlenging. De werknemer verklaarde bovendien zelf dat hij hierover vragen had gesteld voordat hij tekende, waardoor hij zich volgens de rechter bewust was van de werkelijke duur. De uitspraak De kantonrechter wees de gevraagde vaststelling van een arbeidshorizon van zes maanden en een arbeidsomvang van 140 uur per maand af. Omdat daarmee de basis onder de gefixeerde schadevergoeding en de billijke vergoeding wegviel, werden ook die vorderingen afgewezen. De werknemer hield alleen recht op een klein bedrag aan achterstallig loon. Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant, zaaknummer 11968457 rechtszaak Print Over de auteur Over Redactie FlexNieuws Redactie van Flexnieuws - interviews, artikelen, aankondigingen en persberichten. Bekijk alle berichten van Redactie FlexNieuws