Maandelijkse archieven: maart 2026

Welke zzp’ers werken voor minder dan 38 euro per uur en hoeveel zijn het er?

Minister Thierry Aartsen (Werk & Participatie) maakt vaart met nieuwe zzp-wetgeving. Afgelopen vrijdag ging de ministerraad akkoord met het wetsvoorstel voor een rechtsvermoeden van werknemerschap. De kern: zelfstandigen die minder dan 38 à 39 euro per uur verdienen, kunnen straks eenvoudig bij de rechter claimen dat zij eigenlijk werknemer zijn. De opdrachtgever moet dan bewijzen dat het wél om zelfstandig ondernemerschap gaat.

Het is een maatregel die bedoeld is om kwetsbare werkenden te beschermen tegen schijnzelfstandigheid. Daarbij hebben we in dit marktsegment de afgelopen flinke concurrentie gezien tussen uitzendarbeid en zzp. 

Maar wie zijn die zzp’ers die onder dat tarief werken? In welke sectoren zitten ze? En hoe groot is de groep eigenlijk? En zitten die zzp’ers er zelf wel op te wachten?

De omvang van de groep zzp’ers

Nederland kent momenteel zo’n 1,2 miljoen zzp’ers voor wie het zzp-schap het hoofdinkomen is. Dat is overigens een kleine 100.000 minder dan een jaar geleden. Daarnaast zijn er nog iets meer dan een half miljoen mensen die als zzp’er bijverdienen. Maar niet al deze 1,7 miljoen werkenden kunnen iets aan deze wet, die in 2027 van kracht zou moeten gaan, hebben.

Ten eerste geldt de wet niet voor zzp’ers die producten verkopen. Dat is een kleine 15 procent van alle zzp’ers. Ook zzp’ers die werken voor particulieren – wat bij ongeveer een op de vier zzp’ers het geval is – kunnen geen beroep doen op deze nieuwe wet.

Zo’n 60 procent van alle zzp’ers – dat zijn er ongeveer een miljoen – kunnen in theorie gebruikmaken van deze wet. Als ze natuurlijk ingehuurd worden voor een tarief onder de 38 euro per uur. Dat geldt voor 15 procent van deze groep, zo rekende het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid uit op basis van cijfers uit de Zelfstandigen Enquête Arbeid, het grote tweejaarlijkse onderzoek van TNO en CBS.

Grote verschillen tussen sectoren

Die 15 procent – oftewel 150.000 zzp’ers – is een algemeen gemiddelde. Per sector zijn er natuurlijk grote verschillen. Dat blijkt ook uit het onderstaande staatje. In de landbouw wordt 64 procent van alle zzp’ers ingehuurd voor een tarief onder de 36 euro. In de financiële sector niemand.

De sectoren waar relatief veel zzp’ers tegen een laag tarief werken zijn niet per se de grootste sectoren qua zzp’ers. Zo werkt maar 2 procent van alle zzp’ers in de landbouw, 2 procent in de horeca en 3 procent in de vervoerssector.

Kleine minderheid wil liever in loondienst

Wat verder ook opvalt: van al die zzp’ers met een laag tarief wil maar een relatief kleine groep liever in loondienst werken. Gemiddeld zegt 27 procent liever in loondienst te willen werken; in een aantal sectoren ligt dat nog fors lager. Van alle zzp’ers (hoog en laag tarief) zegt 12 procent liever in loondienst te werken. Zzp’ers met een laag tarief willen dus vaker in loondienst werken, maar het blijft een kleine minderheid. 

Daarbij is ook opvallend dat zzp’ers met lagere inkomens minder enthousiast zijn over dit wetsvoorstel dan zzp’ers met een hoog inkomen. Uit het ZiPconomy-verkiezingsonderzoek bleek dat 68 procent van de zzp’ers met een jaarinkomen boven de 80.000 euro achter dit voorstel staat. Onder zzp’ers met een inkomen onder de 40.000 euro per jaar is dat 46 procent.

Overigens zegt het wetsvoorstel niet dat zzp’ers niet onder de tariefsgrens mogen werken. Het biedt zzp’ers alleen maar de mogelijkheid om via een rechter eenvoudig rechten als werknemer op te eisen.

Tarievenoverzicht zzp’ers per beroep

De cijfers op sectorniveau van het ministerie zijn natuurlijk vrij grof. Het is de standaardindeling van het CBS. In de groep informatie en communicatie zitten zowel de meestal goedbetaalde it’ers als de journalisten die het meestal voor een stuk minder moeten doen.

Goed dus om verder te kijken naar bronnen die iets zeggen over tarieven van zzp’ers. Zo maakt de ‘zzp-bank’ KNAB elk jaar een tarievenoverzicht, op basis van input van 20.000 rekeninghouders die aan het onderzoek hebben meegedaan. Uit het onderzoek over 2025 – met daarin 330 beroepen – komen 39 beroepen bovendrijven waarvan een deel aangeeft voor onder de 40 euro per uur te werken.

Dat geeft wat meer beeld over welke zzp’ers we het hebben. Daarbij wel aangetekend dat KNAB geen onderscheid maakt tussen zzp’ers die voor particulieren of voor bedrijven werken.

Ook komt de data van KNAB bij rekeninghouders vandaan. Dat betekent dat bepaalde groepen zzp’ers waarschijnlijk niet of minder vertegenwoordigd zijn in het onderzoek. Van arbeidsmigranten (de vragenlijst is ook in het Nederlands) tot studenten die via platforms als zzp’er in de horeca werken (gemiddeld tarief: 19 euro) en vast geen aparte zakelijke rekening openen.

Een lijst met tarieven van zzp’ers die iets meer diversiteit laat zien, is afkomstig van de WageIndicator Foundation. Een wereldwijde, onafhankelijke non-profitorganisatie die al vanaf 2000 gegevens over loon en inkomen verzamelt, ook onder freelancers.

In hun data wordt gewerkt met een laag, gemiddeld en hoog tarief per beroep. De onderstaande tabel geeft inzicht in welke beroepen volgens de WageIndicator met uurtarieven onder de 40 euro per uur werken.

Ook voor deze WageIndicator-cijfers geldt dat er geen onderscheid gemaakt wordt tussen werken voor particulieren (wet geldt niet) en voor bedrijven (wet geldt wel). En ook deze lijst is verre van volledig. Maar ook dit geeft een beeld, ook van de soms grote verschillen tussen een laag en hoog tarief.

Wat telt als uurtarief in het wetsvoorstel

Een licht complicerende factor is dat in het wetsvoorstel staat dat het uurtarief waarnaar gekeken wordt niet direct hetzelfde is als het gefactureerde tarief. Direct aan de opdracht toe te rekenen kosten moeten er eerst nog van afgetrokken worden. Dat zijn kosten of uren die een zzp’er maakt om de opdracht uit te kunnen voeren. Denk aan acquisitiekosten of voorbereidingskosten. Die zijn natuurlijk niet altijd even helder.

Mogelijke effecten van het rechtsvermoeden

Heel precieze cijfers over hoe die hele groep van 150.000 zzp’ers er nu precies uitziet, zijn er niet. Een beeld hebben we wel. Wat kunnen we nu verwachten aan effect en impact?

Eerst nog maar even herhalen: het rechtsvermoeden betekent geen wettelijk verbod op het inhuren van zzp’ers met een tarief onder de 38 euro. Het is ook voor zzp’ers niet verboden hun diensten aan te bieden voor een tarief onder het drempelbedrag. Er wordt ook niet op gecontroleerd. Het is aan de werkenden om eventueel gebruik te maken van deze mogelijkheid. Individueel of collectief. Dat kan overigens ook via belangenbehartigers.

Aan bovenstaande cijfers is te zien dat gemiddeld driekwart van alle zzp’ers met een laag tarief toch liever zzp’er blijft. Gaan ze nu wel of niet naar de rechter stappen? Willen ze dat? Weten ze de weg te vinden? Durven ze dat? Want voor een deel hebben we het hier ook over kwetsbare groepen werkenden. Dat blijft lastig in te schatten. De hoop van de beleidsmakers is in ieder geval dat er een preventieve werking uitgaat van het drempelbedrag.

Verwachte gevolgen voor opdrachtgevers en zzp’ers

Het ligt voor de hand dat zowel opdrachtgevers als zzp’ers in het tariefsegment net onder het drempelbedrag pragmatisch zullen zijn en simpelweg het uurtarief gaan verhogen. Dat scheelt een boel mogelijke risico’s en gedoe. Let wel: alle andere regels rond de inhuur van zzp’ers blijven natuurlijk gewoon van kracht, ook als er meer dan het drempelbedrag betaald wordt.

Ook zullen er de nodige gesprekken gevoerd worden over het omzetten van bestaande opdrachtovereenkomsten naar arbeidsovereenkomsten. Mogelijk zullen sommige werkgevers het hierbij ook als drukmiddel gaan gebruiken om zzp’ers die dat eigenlijk zelf niet willen, toch te overtuigen om in loondienst te komen. Dat zagen we ook naar aanleiding van het aflopen van het handhavingsmoratorium, bijvoorbeeld in de zorg, kinderopvang en bouw.

Het omzetten van bestaande overeenkomsten naar een andere manier van werken, bijvoorbeeld met resultaatafspraken of op basis van een aanneemsom, ligt hier minder voor de hand. Het rechtsvermoeden geldt immers ook voor opdrachten die niet op urenbasis worden betaald.

Tot slot zal er ook simpelweg werk verdwijnen. Situaties waarin de aanbieder van werk, gezien mogelijke risico’s, hogere loonkosten en/of gebrek aan flexibiliteit binnen arbeidsovereenkomsten, simpelweg stopt met bepaalde activiteiten. In een recent onderzoek van werkgeversvereniging AWVN geeft 6 procent van de werkgevers aan te verwachten te gaan stoppen met bepaalde activiteiten vanwege de opstapeling van flexwetgeving.

Geplaatst in In de wet, Wetten & CAO’s | Tags , | 5s Reacties

Rechtsvermoeden werknemerschap geldt ook bij stuksprijs en totaalprijs. Maar bewijslast ligt bij de zzp’er

Minister Aartsen van Werk en Participatie wil vanaf 2027 een rechtsvermoeden van werknemerschap invoeren voor zzp’ers die werken voor een uurtarief onder de 38 à 39 euro. Wie ingehuurd wordt onder dat tarief kan eenvoudig rechten als werknemer opeisen via de rechter. Het is dan aan de werkgevende om te bewijzen dat iemand toch een zzp’er is. De bewijslast ligt dan dus bij de opdrachtgever.

Maar wat als er helemaal geen uurtarief is afgesproken? Denk aan een freelance fotograaf die per foto betaald krijgt, een koerier die per pakket verdient, een taxichauffeur die per rit betaald wordt, of iemand in de bouw die een opdracht aanneemt voor een vaste totaalprijs.

Ook voor hen kan het rechtsvermoeden gelden — maar de drempel om er een beroep op te doen ligt hoger. Dat zit zo. 

De wet geldt ook zonder uurtarief

Uit de memorie van toelichting op het wetsvoorstel blijkt dat de wetgever expliciet rekening houdt met situaties waarbij geen uurtarief is overeengekomen. Of het nu gaat om een totaalprijs voor een project of een stuksprijs per geleverd product: als de feitelijke vergoeding neerkomt op minder dan het drempelbedrag per uur, dan kan de werkende in principe aanspraak maken op werknemersrechten.

Het idee is eenvoudig: het rechtsvermoeden draait om de vraag of iemand feitelijk te weinig verdient om als echte zelfstandige te kunnen worden beschouwd. De betalingsvorm – per uur, per stuk of als vaste som – doet daar in principe niet aan af.

De werkende moet het bewijs leveren

Toch zit hier een belangrijke extra drempel. Bij een uurtarief is het meteen duidelijk of de grens van 38 euro wordt overschreden. Bij een stuksprijs of totaalprijs niet. In dat geval moet de werkende zelf aannemelijk maken hoeveel uur er feitelijk tegenover de betaling stond — zodat berekend kan worden of het impliciete uurtarief onder de drempelwaarde valt.

Concreet betekent dit dat een zzp’er die per stuk of voor een vaste som werkt, moet kunnen onderbouwen: “Voor dit bedrag heb ik zoveel uur gewerkt, en dat komt neer op minder dan 38 euro per uur.” Pas dan kan hij of zij bij de rechter met succes een beroep doen op het rechtsvermoeden.

Het kan daarom verstandig zijn om als werkende een urenadministratie bij te houden.

Zo’n urenadministratie is eigenlijk toch al verplicht voor zelfstandigen die aanspraak maken op de zelfstandigenaftrek. Immers, die krijg je alleen maar als je meer dan 1.225 uur per jaar als zelfstandige werkt. En bij een eventuele controle zal een zelfstandige dat moeten kunnen bewijzen.

Wet minimumloon

Een extra omstandigheid is dat sinds 2018 het werken met een overeenkomst van opdracht, waarin afspraken kunnen staan over stuksprijs, onder de Wet minimumloon (WML) valt. Die wet verplicht de opdrachtgever om aan te tonen dat ten minste het minimumloon wordt betaald. Daarvoor moet inzichtelijk zijn hoeveel uur er is gewerkt en wat er is betaald. In de praktijk betekent dit dat er al een urenadministratie bijgehouden moet worden — zowel door opdrachtgever als werkende.

Deze verplichting geldt dan weer niet als je met zzp’ers werkt. Zelfstandig ondernemers vallen immers niet onder de WML-verplichtingen.

Dit levert dus een zeker dilemma op voor werkgevenden/opdrachtgevers. Ga je een urenadministratie bijhouden om te kunnen bewijzen dat je aan het WML voldoet? Of laat je daarmee zien dat je eigenlijk twijfelt of iemand wel echt een zzp’er is en kan zo’n urenadministratie tegen je gebruikt worden?

Wat betekent dit voor de praktijk?

Ook voor opdrachtgevers die werken met zzp’ers op basis van stuksprijs of projectprijs kan er met de komst van het rechtsvermoeden dus het nodige veranderen.

Ze kunnen er niet van uitgaan dat de betalingsvorm hen beschermt tegen een mogelijk beroep op het rechtsvermoeden. Als de vergoeding feitelijk neerkomt op een laag uurtarief, loopt de opdrachtgever risico — ook al staat “uurtarief” nergens in het contract.

Voor zzp’ers betekent het dat ze, als ze ooit een beroep willen kunnen doen op het rechtsvermoeden, belang hebben bij het bijhouden van hun uren — ook als dat wettelijk niet verplicht is. Wie zijn uren niet registreert, zal het lastiger vinden om achteraf te bewijzen dat het impliciete tarief onder de grens lag.

De Tweede Kamer gaat naar verwachting nog voor de zomer het wetsvoorstel behandelen. Minister Aartsen hoopt op inwerkingtreding per begin 2027.

Geplaatst in In de wet, Wetten & CAO’s | 1 Reactie

Beweging als nieuwe realiteit in de flexbranche

Wetgeving verandert, technologie ontwikkelt zich in hoog tempo en de verwachtingen van professionals verschuiven zichtbaar. Tegelijkertijd blijft de krapte op de arbeidsmarkt voelbaar aanwezig. De context waarin de flexbranche opereert, is de afgelopen jaren merkbaar complexer geworden.

Verandering is geen uitzondering meer

De flexbranche is altijd in beweging geweest. Die beweging voelt allang niet meer tijdelijk; het is gewoon hoe onze branche vandaag de dag werkt. Verandering dient zich niet meer af en toe aan, maar vraagt continu om aandacht.

In gesprekken met klanten hoor ik regelmatig dezelfde vraag terugkomen. Er is ambitie en betrokkenheid, maar ook de behoefte om niet alleen te reageren op wat er gebeurt. Hoe blijf je vooruitkijken terwijl de operatie doordraait?

Ruimte maken voor ontwikkeling

Stilstand is bijna nooit een bewuste keuze. Het ontstaat meestal ongemerkt, door volle agenda’s en prioriteiten die verschuiven. Juist daarom vraagt deze fase om iets anders: bewust ruimte maken voor ontwikkeling, reflectie en het versterken van vakmanschap.

Organisaties die daarin investeren, bouwen aan veerkracht. Niet door alles om te gooien, maar door stap voor stap te blijven werken aan kennis, leiderschap en vaardigheden. Wat gisteren werkte, kan vandaag nog prima functioneren, maar is niet automatisch voldoende voor morgen.

Ontwikkeling als doorlopend proces

Wat mij telkens opvalt, is dat organisaties de ruimte nemen om eerlijk naar zichzelf te kijken. Ze durven te benoemen waar groei mogelijk is en erkennen dat ontwikkeling geen project is met een einddatum, maar een doorlopend proces.

Mijn belangrijkste inzicht in deze periode? In een branche die voortdurend in beweging is, vraagt toekomstbestendigheid om bewust blijven leren. Niet uit onrust, maar vanuit ambitie. Ik zie iedere dag hoeveel verschil het maakt wanneer organisaties die keuze bewust maken. Wanneer ze ontwikkeling niet uitstellen, maar verankeren in hoe ze werken en leidinggeven.

Geplaatst in Branchenieuws, In de branche | Tags , | Reacties uitgeschakeld voor Beweging als nieuwe realiteit in de flexbranche

Werkgevers willen vooral uitbreiden met finance-, IT- en HR-professionals

Nederlandse bedrijven voeren hun wervingsintenties begin 2026 verder op binnen finance en boekhouding, IT en administratie, HR en customer support. Uit nieuw onderzoek van HR-adviesbureau Robert Half blijkt dat ruim acht op de tien werkgevers van plan is het personeelsbestand uit te breiden met vaste of tijdelijke werknemers. Ook de vraag naar uitbreiding of behoud van personeel op projectbasis blijft hoog in alle functies, mede gedreven door lopende en geplande transformatieplannen.

Gericht zoeken

De positieve wervingsintenties sluiten aan bij de economische vooruitzichten voor Nederland. Voor 2026 wordt een economische groei van 1,4 procent verwacht, terwijl de werkloosheid stabiel blijft rond de 41 procent. Dit zorgt ervoor dat organisaties de ruimte voelen om gericht te investeren in talent. 

Meer dan de helft van de ondervraagde Nederlandse werkgevers is van plan om in de eerste helft van 2026 het aantal vaste medewerkers uit te breiden. Vooral binnen finance en boekhouding (59%) en IT (55%) is sprake van een sterke groei in vaste wervingsplannen. Ook binnen administratie, HR en customer support blijft de vraag naar vaste medewerkers positief: 44 procent van de werkgevers wil deze teams uitbreiden.

Uitbreiding flexwerkers

Naast vaste aanwervingen blijft flexibel talent een belangrijk onderdeel van personeelsstrategieën. Bijna vier op de tien werkgevers (39%) breidt het personeelsbestand op projectbasis uit, met de grootste vraag binnen finance en boekhouding (48%). Tegelijkertijd geeft bijna de helft van de werkgevers aan dit type inzet op peil te willen houden. Ook de wervingsintenties voor personeel op contractbasis blijven stabiel: 52 procent wil dit personeelsbestand gelijk houden en 32 procent is van plan het verder uit te breiden.

“Werkgevers nemen in 2026 bewust een voorsprong. Ze wachten niet af, maar investeren nu al in gespecialiseerde teams die hen helpen om verdere digitalisering en organisatiebrede transformaties te versnellen,” zegt Ricardo van Popering, Regional Director bij Robert Half. “Daarbij zien we dat flexibel en projectmatig talent binnen finance en boekhouding, IT en administratie, HR en customer support steeds vaker wordt ingezet als strategische aanvulling op vaste teams, in plaats van als tijdelijke oplossing.”

Belangrijke uitdagingen

De grootste uitdaging waar werkgevers rekening mee houden, blijft het tekort aan gekwalificeerde professionals, met name voor gespecialiseerde en niche functies. Zorgen over salarisverwachtingen en cultural fit nemen toe, vooral bij middelgrote en grote bedrijven. Ook het behouden van personeel wordt uitdagender. Ondertussen blijft er veel vraag naar talent, waarbij professionals actief worden benaderd door concurrerende werkgevers die aantrekkelijkere pakketten en tegenvoorstellen bieden.

Om deze uitdagingen aan te gaan, ondernemen bedrijven in het eerste halfjaar acties zoals het verbeteren van de wervingservaring door snellere processen, betere arbeidsvoorwaarden en hogere startsalarissen. Bovendien worden ‘Learning & Development’-programma’s en hybride werkopties standaard ingezet om talent aan te trekken en vast te houden. Deze aanpak moet organisaties helpen om talent niet alleen aan te trekken, maar ook duurzaam aan zich te binden in een steeds competitievere arbeidsmarkt.

Geplaatst in Arbeidsmarktdata, In de wereld | Tags , , | Reacties uitgeschakeld voor Werkgevers willen vooral uitbreiden met finance-, IT- en HR-professionals

AWVN: Loonafspraken voor het eerst weer onder 3 procent

Dat meldt AWVN als arbeidsvoorwaarden­adviseur van Nederlandse werkgevers in het maandelijkse cao-bericht over februari.

De februari-cao’s gelden voor slechts 12.000 werknemers. Afgelopen maand werden 9 cao’s afgesloten, ruim onder het normale aantal van 24 voor een februarimaand. Verder zijn er afgelopen maand een aantal cao’s afgesproken met loonafspraken die gekoppeld zijn aan inflatie. Voor die cao’s is het exacte stijgingspercentage (nog) niet met zekerheid vast te stellen. Met het oog op de kleine aantallen en genoemde inflatie-complicatie waarschuwt AWVN er voor grote conclusies te verbinden aan de februaricijfers.

Het februari-gemiddelde past wel in het beeld van het afgelopen jaar. Na uitzonderlijk hoge loonafspraken in de jaren ’22, ’23 en ’24 komen sinds april 2025 de maandgemiddelden uit onder de 4% in een langzaam dalende trend. Het gemiddelde over heel 2025 kwam uit op 3,8%. Het gemiddelde over 2026 (januari en februari) is 3,1%.

Economische onzekerheid

Ondanks de dalende trend blijft AWVN zich grote zorgen maken over de ontwikkeling van de lonen en de loonkosten. De cao-loonafspraken reageren nog steeds erg langzaam op verslechterende economische omstandigheden en geopolitieke onzekerheid. AWVN waarschuwt dat door de Iran-oorlog en de daardoor stijgende brandstofprijzen de economische onzekerheid en de inflatie zelfs weer toenemen. Daarmee komen de toch al niet heel gunstige economische voorspellingen onder druk te staan. Dat maakt behoedzaam opereren aan de cao-tafel extra noodzakelijk.

De hoge loonafspraken vanaf 2022 – onder meer vanwege oplopende prijzen van gas – en de daardoor sterk gestegen loonkosten, werken vertraagd door in de economie. De werkgeversvereniging bevestigt uitspraken van andere instanties, zoals het UWV, over het toenemende aantal reorganisaties in het bedrijfsleven. AWVN ziet een sterke toename van het aantal werkgevers dat het personeelsbestand gaat inkrimpen. Oplopende kosten (lonen, energie) en economische onzekerheid zijn de voornaamste oorzaken.

Kerncijfers

Loonafspraken februari, gemiddeld 2,6%
Loonafspraken kalenderjaar 2026, gemiddeld 3,1%
Loonafspraken kalenderjaar 2025, gemiddeld 3,8%
Hoogste maandgemiddelde afgelopen jaren 8,0% in september 2023
Laagste maandgemiddelde afgelopen jaren 1,6% in oktober 2020
Aantal nieuwe cao-akkoorden in februari 2026 9 voor 12.000 werknemers
Gemiddeld aantal nieuwe cao-akkoorden in maand februari 24
Aantal aflopende cao’s in 2026 417 voor 2,9 mln. werknemers
Aantal vernieuwde cao’s die in 2026 ingaan 101 voor 931.000 werknemers
Aantal openstaande cao’s op dit moment (expiratie in 2025) 46 voor 31.000 werknemers

Het cao-seizoen in één oogopslag

Aantal afgesloten akkoorden en gemiddelde afgesproken cao-loonstijging per afsluitmaand (exclusief incidentele loonsverhogingen).

Geplaatst in In de wet, Wetten & CAO’s | Tags , | Reacties uitgeschakeld voor AWVN: Loonafspraken voor het eerst weer onder 3 procent