Maandelijkse archieven: oktober 2022

Waar is het werkelijke benul van de arbeidsmarkt?

Column door Aart van der Gaag, commissaris van het project Op naar de 100.000 banen

De politiek en het kabinet hebben veel invloed op het functioneren van de arbeidsmarkt. Als je bijvoorbeeld op uitvoeringsorganen als UWV en Belastingdienst ernstig bespaart, kan je daarna klagen dat het niet goed gaat, maar was het wel jouw schuld.

En nu staan we weer op een moment dat er weer allerlei ‘flinke’ beslissingen op stapel staan, die grotendeels achter bureaus zijn bedacht, en geen of een tegengesteld effect zullen sorteren. Toch holt de politiek er kamerbreed achteraan.

Vanuit mijn rol als ambassadeur van banen voor mensen met een arbeidsbeperking en mijn lange ervaring in de uitzendsector, wind ik me op over de narratieven en de voorgenomen maatregelen.

Het eerste wat nu aandacht trekt is wat mij betreft de ‘voltijdsbonus’. Bijna kamerbreed werd die motie van VVD en D66 aangenomen. Grotere onzin kan je in mijn ogen bijna niet bedenken, maar GroenLinks en PvdA stemden ook voor. Weten ze wel waar ze het over hebben?

Ongeveer de helft van de mensen werkt al voltijds, die krijgen dus een douceurtje van vijf miljard (daar moet wel voor betaald worden) terwijl ze geen uur extra gaan werken. En wat dacht je van mensen die helemaal niet voltijds kunnen werken, met een arbeidsbeperking bijvoorbeeld, of die mantelzorg doen, of die echt onbetaald en betaald werk moeten combineren. Deze mensen geven heel veel aan de maatschappij, maar nee, niet via een ouderwetse voltijdsbaan.

Dan zijn er heel veel werkgevers die zelf door de organisatie van het werk niet meewerken aan de voltijdsbaan. Hup, straf die medewerker die daar werkt dan maar. Velen verdienen trouwens door het belastingstelsel nauwelijks meer als ze meer gaan verdienen (soms zelfs minder). Dat weten we al jaren en er is nooit wat aan gedaan. Blijkbaar is het niet sexy of te moeilijk voor de politiek. Dus we kiezen de voltijdsbonus, dat bekt lekker en trekt veel publiciteit. Nou, ik ben er klaar mee. Ik hoop dat alle adviesorganen het de grond inboren en we er daarna nooit meer iets van horen.

En dan de plannen en gevaren die er dreigen voor het uitzenden. Er is ooit een tijd geweest, ik denk van 1996 tot 2010 ongeveer, dat uitzenden mede gezien werd als oplossing voor veel problemen op de arbeidsmarkt. Allerlei groepen, ver weg van de arbeidsmarkt, konden worden teruggebracht via uitzenden, intersectoraal werken werd er door bevorderd, discriminatie door bestreden, flexibiliteit werd als goed gezien.

Nu gelden andere narratieven. Flex is niet meer goed. De vaste baan is weer heilig. Met welke cijfers je ook komt, in de Tweede Kamer denken ze nog steeds dat uitzenden het grootste deel van de flex (en het kwaad) is. Het is notabene nog geen 10% van al het flexwerk. Dus we gaan uitzenden weer beknotten, het waterbed dreigt: nog meer zzp en andere minder gereguleerde vorm van flex.

En ik ben niet eens tegen alle maatregelen. De verplichte certificering hebben we als uitzendbrancheorganisatie zelf al 15 jaar geleden voorgesteld, maar minister Donner wou er toen niet aan. Zijn huidige opvolger wel. Of het echt nodig is? Qua aantallen boeven op de arbeidsmarkt wel.

In alle eerlijkheid: er ligt allang een instrumentarium wat effectief ingezet zou kunnen worden. De inspectie kan handhaven, rechters en belastingdienst kunnen beboeten, maar Nederland houdt niet van handhaven en we verzinnen liever iets nieuws dan het oude goed te doen.

Het beperken van de oude mogelijkheden van de flexwet vind ik onnodig. De eisen van de vakbeweging om uitzenden nog meer in te krimpen gevaarlijk.
We wachten nog op de definitieve uitspraak van de Hoge Raad over het oordeel van de Advocaat Generaal over de vraag of ziekte het einde van een uitzendcontract kan betekenen en welke gevolgen dat dan heeft voor de toepassing van de no-riskpolis. Of het technisch juist zou zijn, waag ik niet te beoordelen. Maar zo’n uitspraak kan dramatische gevolgen hebben.

Mensen met arbeidsbeperking, mensen terugkomend van ziekte, mensen met kanker of MS, allen konden uitgezonden worden, velen lukte het zo weer aan de slag te gaan en als de ziekte terugkwam of toch teveel beperkend werd, was er de terugvaloptie op het UWV. Breek je die mogelijkheid af, dan zal selectie aan de poort gaan plaatsvinden. Met ons ridicule regime van twee jaar doorbetaling en 10 jaar WGA verplichting, kan je voor je bedrijf dat risico niet gaan lopen.

De beste re-integratiemogelijkheid wordt dus straks met open ogen sterk beknot in mogelijkheden. En dan over een paar jaar in de Kamer gaan klagen en geschrokken zijn dat zo weinig mensen terugkeren uit WW, WWB of ziekte naar de arbeidsmarkt. Politiek: bedankt!

Aart van der Gaag
Twitter: @aartgaag

Lees ook
Wel of geen no-riskpolis in de uitzendbranche bij toepassing uitzendbeding?
De 50.000 voorbeelden van de uitzendsector
Investeer in mensen voor de toekomst van arbeid

Geplaatst in Bedrijfsnieuws | Tags , | Reacties uitgeschakeld voor Waar is het werkelijke benul van de arbeidsmarkt?

Nieuwe editie van campagne De Proeftijd Tempo-Team

Om zoveel mogelijk werkzoekenden een plezierige baan te bezorgen, herhaalt Tempo-Team de succesvolle YouTube serie De Proeftijd.

De Proeftijd, Tempo-Team campagne

De serie behaalde vorig seizoen ruim 600.000 kijkers. Een werkzoekende draait telkens proef bij twee verschillende werkgevers die hoog scoren op werkplezier, omdat ze het nèt even iets anders doen. Dit leidt tot mooie ontmoetingen en (werk)avonturen. YouTubers Nesim & Qucee helpen werkgevers dat werkplezier te laten zien om op die manier kandidaten te inspireren.
Verschillende organisaties gaan met elkaar de strijd aan om een werkzoekende aan een baan te helpen waar het meeste plezier te halen valt en die het beste bij ze past. Werkzoekenden krijgen een verrassend kijkje in de keuken van diverse bedrijven en hun ‘proeftijd’ wordt vastgelegd op video. Bedrijven halen werkelijk alles uit de kast om de aandacht te vestigen op werkplezier door middel van bijvoorbeeld dansworkshops, haka workshops, lasergamen, lachcursus, karikatuur tekenen.

Denise Kenter, Experience marketeer Tempo – Team: “Dagelijks komen we bij opdrachtgevers over de vloer. We zien veel bedrijven dingen net even iets anders doen dan anderen en dat inspireert ons. Vaak leidt die eigentijdse aanpak tot vreugde op de werkvloer. Bedrijven die van onze medewerkers een acht of hoger scoren op werkplezier, geven we via De Proeftijd een podium. Dat zijn onze ‘Baanraders’. Via de campagne maken we het belang van werkplezier zichtbaar. Voor werkgevers en werknemers.”

Proeftijd XL en regionale tours langs bedrijven
Naast de reguliere YouTube afleveringen, wordt de Proeftijd uitgebreid met een evenement. Op 18 oktober reist Tempo-Team met een groep werkzoekenden en Nesim en Qucee langs bedrijven om ze kennis te laten maken met en sfeer te proeven bij werkgevers in Noord-Brabant. Ook in andere regio’s worden tussen 10 oktober en 4 november tours georganiseerd.

Campagne uitingen
De eerste Proeftijd aflevering staat sinds 29 september live op het YouTube kanaal van Qucee. Elke twee weken volgt een nieuwe aflevering. De campagne loopt tot en met medio december en wordt onder de aandacht gebracht via radio, online video, buitenreclame (zoals de ‘Tempo-Tram’ (bestickerde tram) in Amsterdam en Rotterdam) en commercials in de bioscoop.

Bekijk de eerste aflevering van De Proeftijd.

Bron: Tempo-Team, 18 oktober 2022

Geplaatst in Bedrijfsnieuws | Tags , | Reacties uitgeschakeld voor Nieuwe editie van campagne De Proeftijd Tempo-Team

Steeds meer hoogopgeleiden: wat voor beroep hebben ze?

Steeds meer mensen in Nederland zijn hoogopgeleid. Waren in 1981 laagopgeleiden nog in de meerderheid, in 2021 was het grootste deel van de 15- tot 75-jarigen middelbaar opgeleid, gevolgd door hoogopgeleiden.

Het aandeel hoogopgeleiden nam niet alleen toe onder mensen die werken in beroepen met zeer complexe gespecialiseerde taken, maar ook in de andere beroepsniveaus.

Dat blijkt uit een nieuwe analyse van de beroepsbevolking die het CBS vandaag publiceert onder de titel ‘Steeds meer hoogopgeleiden in Nederland: wat voor beroep hebben ze?’.

Onderwijsniveau van 15- tot 75-jarigen
Het aandeel mensen met een hbo- of universitair diploma in Nederland is de afgelopen veertig jaar gestaag toegenomen. Van elke 9 mensen tussen de 15 en 75 jaar was er 1 hoogopgeleid in 1981. In 2021 waren dat er meer dan drie keer zoveel: ruim 1 op de 3. Het aandeel laagopgeleiden — mensen met alleen basisonderwijs, een vmbo-diploma of een mbo-diploma op niveau 1 — maakte in diezelfde periode een omgekeerde ontwikkeling door, van bijna 58 procent naar bijna 26 procent.
beroepsniveau werkzame beroepsbevolking, 15 tot 75 jaar
Het grootste deel van de bevolking van 15 tot 75 jaar is nog steeds middelbaar opgeleid (bijna 38 procent). Dat is ruim 7 procentpunt meer dan in 1981. De laatste jaren nam het aandeel middelbaar opgeleiden iets af. Het aandeel hoogopgeleiden lag daar in 2021 met bijna 36 procent niet ver onder.

Meer beroepen met complexe en gespecialiseerde taken
Het CBS onderscheidt vier beroepsniveaus, van eenvoudige routinematige taken waarvoor weinig onderwijs nodig is (niveau 1), tot zeer complexe, gespecialiseerde taken (niveau 4). Tussen 2013 en 2020 is het aandeel van beroepsniveaus 3 en 4 toegenomen, dat van beroepsniveau 2 is kleiner geworden.

Werkenden naar onderwijs- en beroepsniveau, 15 tot 75 jaar

De toename van het aandeel hoogopgeleiden vertaalt zich in een toename van het percentage hoogopgeleiden in beroepen waarin men zeer complexe gespecialiseerde taken moet uitvoeren (beroepsniveau 4): van 73 procent in 2013 naar 78 procent in 2020. Dit zijn beroepen waarvoor volgens de internationale beroepenclassificatie een hoger of wetenschappelijk onderwijsniveau nodig is. Het ligt dus voor de hand dat daarin veelal hoogopgeleiden werkzaam zijn. Voor beroepen op de andere beroepsniveaus geldt echter ook dat sprake is van een toename van het percentage hoogopgeleiden.

Vooral meer hoogopgeleide software- en applicatieontwikkelaars
Binnen de beroepen met zeer complexe gespecialiseerde taken (niveau 4) kwamen er tussen 2013 en 2020 vooral meer hoogopgeleide software- en applicatieontwikkelaars bij. In 2013 waren dat er 119 duizend en dat aantal nam toe tot 199 duizend in 2020. Ook het aantal bedrijfskundigen en organisatieadviseurs nam toe (+ 46 duizend), net als het aantal artsen (+ 40 duizend).

Middelbaar en hoogopgeleiden (15 tot 75 jaar) naar beroepsgroep

Binnen de beroepen op niveau 3, met complexe taken waarvoor een middelbaar of hoger onderwijsniveau wordt gevraagd, blijkt vooral een toename van hoogopgeleiden bij sociaal werkers, groeps- en woonbegeleiders; van 80 duizend in 2013 naar 118 duizend in 2020. In deze beroepen zijn meer middelbaar opgeleiden werkzaam, maar vooral het aantal hoogopgeleiden is toegenomen. Ook het aantal hoogopgeleide boekhouders groeide ten opzichte van 2013. In deze beroepsgroep was daardoor in 2020 het aantal hoogopgeleiden groter dan het aantal middelbaar opgeleiden, terwijl dat in 2013 nog andersom was.

De toename van de hoogopgeleiden in beroepen met weinig tot middelmatig complexe taken, waarvoor een lager of middelbaar onderwijsniveau wordt vereist (beroepsniveau 2) blijkt onder andere uit een toename van het aantal winkeliers en teamleiders detailhandel en administratief medewerkers. In deze laatste beroepsgroep nam bovendien het aantal laag- en middelbaar opgeleiden af ten opzichte van 2013.

Verschuiving van middelbaar naar hoog bij drie beroepsklassen
Van de 13 beroepsklassen zijn er drie waar middelbaar opgeleiden in 2013 nog de grootste groep vormden en in 2020 hoogopgeleiden. Dat zijn de beroepsklassen bedrijfseconomisch en administratief; zorg en welzijn; en openbaar bestuur, veiligheid en juridisch. Voor de laatstgenoemde beroepsklasse gaat dit het sterkst op. Vooral in de beroepsgroep overheidsambtenaren, die in deze beroepsklasse valt, werken steeds vaker hoogopgeleiden.

Ook komen er binnen beroepsklassen beroepsgroepen voor waar het aantal hoogopgeleiden toeneemt, zonder dat er een afname is van het aantal middelbaar of laagopgeleiden. Een voorbeeld hiervan is de beroepsklasse techniek, waar er sinds 2013 in de beroepsgroep ingenieurs veel hoogopgeleiden bij kwamen, terwijl het aantal middelbaar en laagopgeleide hulpkrachten in de beroepsgroepen bouw en industrie; schilders en metaalspuiters; en productieleiders industrie en bouw juist afnam.

Overigens is op basis van de beschikbare data niet na te gaan of hoogopgeleiden, bijvoorbeeld omdat ze geen werk kunnen vinden op beroepsniveau 4, uitwijken naar beroepen van een lager niveau en daar middelbaar opgeleiden verdringen. Het kan ook zijn dat het werk in bepaalde beroepen complexer is geworden, zodat er meer hoogopgeleiden worden gevraagd.

Bron: CBS, 18 oktober 2022

Lees ook
In 2030 is 1 op 10 op Nederlandse arbeidsmarkt IT’er

Geplaatst in Nieuws | Tags , | Reacties uitgeschakeld voor Steeds meer hoogopgeleiden: wat voor beroep hebben ze?

In 2030: 1 op 10 op Nederlandse arbeidsmarkt IT’er

In 2030: 1 op 10 op Nederlandse arbeidsmarkt IT’er

Op dit moment is één op de zeventien personen op de Nederlandse arbeidsmarkt IT’er. In tien jaar tijd is dit nagenoeg verdubbeld. Met het huidige groeitempo van bijna zeven procent per jaar, is in 2030 één op de tien van de beroepsbevolking IT’er. Dat neemt niet weg dat de strijd om IT’ers in loondienst en tijdelijke IT-professionals, zelfstandig en in dienst van detacheerders, in volle gang is. De sourcingsdruk – het percentage dat minimaal eens per kwartaal wordt benaderd – is met bijna 65 procent ongekend hoog, zeker gezien het gemiddelde van 37,6 procent voor de hele beroepsbevolking.

IT’ers mainstream geworden
Uit analyse van HR-techdienstverlener HeadFirst Group en arbeidsmarktdata specialist Intelligence Group blijkt dat de vraag naar IT’ers in loondienst (25.000) in september 2022 bijna acht keer zo groot is als de vraag naar IT-professionals (3.000). Geert-Jan Waasdorp, directeur en oprichter van Intelligence Group, zegt hierover: “IT’ers zijn hun speciale plek op de arbeidsmarkt kwijt. Niet omdat ze niet speciaal of relevant zijn. Integendeel. Het vakgebied is alleen geen niche meer, maar een integraal onderdeel van de bedrijfsvoering. Om IT-kennis goed ingebed te hebben in de organisatie, zijn meer IT’ers in vaste dienst nodig. Aangevuld met tijdelijke IT-professionals, die specifieke IT-kennis meebrengen.”

Als gevolg van deze stijgende vraag wordt de beroepsgroep in de spanningsindicator van het UWV – het aantal openstaande vacatures, gedeeld door het aantal mensen dat korter dan zes maanden WW ontvangt – geclassificeerd als de meest krappe. Ondanks dat het aantal IT’ers jaar op jaar met 6,9 procent stijgt.

IT’ers werven blijft moeilijk
Op dit moment werken 580 duizend mensen binnen IT-beroepen. Het deel dat werkzaam is in loondienst kent een uitermate lage arbeidsmarktactiviteit, namelijk 6,8 procent. In vergelijking met de gehele Nederlandse beroepsbevolking is dat ongeveer de helft (11,5 procent). Het aandeel IT’ers met een vaste baan dat in het tweede kwartaal van 2022 helemaal niet op zoek is naar nieuw werk, is 42,7 procent. Net iets meer dan de helft (50,5 procent) is latent – oftewel niet actief – op zoek en slechts 6,8 procent is actief op zoek. De arbeidsmarktactiviteit van IT-professionals is bewegelijker: het aantal actieve opdrachtzoekers is 22,4 procent, 46,9 procent is latent op zoek en 30,7 helemaal niet.

Marion van Happen, CEO HeadFirst Group, licht toe: “Er is steeds meer concurrentie tussen organisaties om de aandacht te krijgen van latente baan- en opdrachtzoekers. Met de inzet van arbeidsmarktcommunicatie wordt de nadruk gelegd op het verkopen van de vacature of opdracht en de werk- of opdrachtgever. Salaris en andere arbeidsvoorwaarden zijn hygiëne factoren geworden, de inhoud en relevantie van het werk zijn nu de kritische wervingsfactoren.”

Op dinsdag 18 oktober om 10.00 uur worden de bevindingen van het onderzoek gedeeld in een webinar. Aanmelden kan via de website van Intelligence Group. Daarna wordt de volledige Talent Monitor beschikbaar gesteld op headfirst.group.

Bron: IG en HeadFirst, 17 oktober 2022

Geplaatst in Bedrijfsnieuws | Tags , , | Reacties uitgeschakeld voor In 2030: 1 op 10 op Nederlandse arbeidsmarkt IT’er

Onderzoek: platformwerk vermindert welzijn

Ervaringen van platformwerkers, zoals maaltijdbezorgers of Uber-chauffeurs, zijn vaker negatief dan van mensen met andere arbeidsovereenkomsten. De balans tussen werk en thuis is minder goed, de baanonzekerheid is groter, ze voelen zich eerder uitgeput en de bevlogenheid is niet groot. De overheid kan een grote rol spelen bij het verbeteren van de werkomstandigheden en het welzijn van platformwerkers.

Dit blijkt uit onderzoek van de Erasmus Universiteit Rotterdam onder 3620 werkenden, waaronder mensen met een vast, tijdelijk of nul-urencontract, zzp’ers, ondernemers en platformwerkers. Een kwart van de deelnemers had meerdere contracten.

Spanning en uitputting
Platformwerk is een mogelijkheid om bij te verdienen, bijvoorbeeld naast een tijdelijk contract of om een financieel mindere periode te overbruggen. De platformwerkers zijn over het algemeen jonge mannen en vrouwen zonder kinderen. Zij geven aan dat ze moeite hebben om een goede balans tussen werk en privéleven te vinden, dat ze spanning ervaren omdat hun werk ieder moment afgelopen kan zijn, dat ze zich behoorlijk uitgeput voelen en dat ze minder enthousiast over hun werk zijn dan mensen die geen platformwerk verrichten.

Afhankelijkheid en evaluaties
Bij het platformwerk spelen algoritmes een grote rol. Vaak regelen ze werk dat fysiek op een locatie uitgevoerd wordt, zoals bij schoonmaakwerk of bij het bezorgen van maaltijden. Daarnaast worden platforms ook gebruikt voor bijvoorbeeld codeerwerk, ontwerpen of copywriting. Het werken voor een platform geeft vaak een gevoel van afhankelijkheid, blijkt uit het onderzoek. Dat komt omdat bij veel platforms de hoeveelheid werk die een platformwerker aangeboden krijgt afhangt van de snelheid waarmee gewerkt wordt en van de evaluaties van klanten. Er zijn voor hen weinig mogelijkheden om zelf werk te plannen en uit te voeren.

Onzeker en minder bevlogen
Daarnaast ervaren platformwerkers dat de belasting behoorlijk hoog is en het werk monotoon. Bovendien hebben ze weinig of geen emotionele steun van collega’s, omdat de traditionele verhoudingen tussen werkgever en werknemer niet van toepassing zijn op platformwerk. Deze negatieve werkomstandigheden werken door op het welzijn van platformwerkers. Ze ervaren onzekerheid over hun werk, uitputting, gebrek aan bevlogenheid en geen goede werk-privé-balans.

Betere regulering
De onderzoekers vinden dat platformwerk beter gereguleerd moet worden, en dat daarbij rekening wordt gehouden met de unieke werkomstandigheden en de verschillende behoeftes van platformwerkers. Zowel de overheid en werkgevers als de platformen én mensen die via een platform werken kunnen bijdragen aan een betere positie, meer werkplezier en interessanter en beter betaald platformwerk. Platformwerkers kunnen de negatieve gevolgen bijvoorbeeld verminderen door playful work design.

Aanbevelingen

  • maak werkgevers van aanbieders zodat platformwerkers meer rechten krijgen
  • laat de overheid online of offline ontmoetingen organiseren waar platformwerkers steun en informatie krijgen
  • lanceer een voorlichtingscampagne over de voordelen van vakbonden
  • leg uit hoe platformwerkers complexer en beter betaald platformwerk kunnen doen
  • geef platformwerkers gratis e-trainingen in playful work zodat hun motivatie en welzijn gestimuleerd worden

Het onderzoek naar de impact van platformwerk wordt in 2022 drie keer gedaan. Deze uitkomsten gaan over de eerste meting. Naar verwachting zijn eind 2022 de resultaten van de drie metingen beschikbaar. Het onderzoek is een samenwerking van de gemeente Rotterdam, de kenniswerkplaats Organisaties in een Slimme StadOpent extern, Erasmus TrustfondsOpent extern, Govlab010Opent extern en de strategiegroep van Erasmus School of Social and Behavioural Sciences (ESSB) van Erasmus Universiteit Rotterdam.

Bron: Erasmus University Rotterdam, 27 september 2022

Geplaatst in Branchenieuws | Tags , , | Reacties uitgeschakeld voor Onderzoek: platformwerk vermindert welzijn