Redactie FlexNieuws 7 juli 2025 0 reacties Print Aangepaste zzp-wet: meer focus op persoonlijk ondernemerschap, rechtsvermoeden van werknemerschap onder 36 euro per uurIn het aangepaste wetsvoorstel Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (VBAR) wegen criteria voor werknemerschap even zwaar als die voor ondernemerschap. In het nieuwe voorstel wordt ook duidelijk onder welk uurtarief een werknemer een dienstverband kan opeisen.Demissionair minister Eddy van Hijum (Sociale Zaken en Werkgelegenheid) publiceert een flink aangepaste versie van het wetsvoorstel Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (VBAR). Deze wet moet het duidelijker maken wanneer een werkgever een zzp’er mag inhuren. Criteria voor ondernemerschap zullen net zo zwaar wegen als criteria die wijzen op een dienstverband. De toets of iemand een opdracht als zelfstandige mag uitvoeren bestaat straks uit: 5 criteria die wijzen op werkinhoudelijke of organisatorische aansturing, bijvoorbeeld of de opdrachtgever bepaalt wanneer en hoe iemand het werk moet doen (criteria voor werknemerschap, W): De werkgevende is bevoegd om aanwijzingen en instructies te geven over de wijze waarop de werkende de werkzaamheden moet uitvoeren en de werkende moet deze ook opvolgen. De werkgevende heeft de mogelijkheid om de werkzaamheden van de werkende te controleren en is bevoegd om op basis daarvan in te grijpen. De werkzaamheden worden verricht binnen het organisatorisch kader van de organisatie van de werkgevende. De werkzaamheden hebben een structureel karakter binnen de organisatie. Werkzaamheden worden zij-aan-zij verricht met werknemers die soortgelijke werkzaamheden verrichten. 5 criteria die wijzen op werken voor eigen rekening en risico, bijvoorbeeld dat iemand zelfstandig mag werken, ondernemersrisico draagt en zich ook naar buiten toe als zelfstandig ondernemer gedraagt (criteria voor zelfstandig ondernemerschap, Z). De financiële risico’s en resultaten van de werkzaamheden liggen bij de werkende. De werkende zorgt voor een herkenbare en zelfstandige uitvoering van de werkzaamheden. De werkende is in het bezit van een specifieke opleiding, werkervaring, kennis of vaardigheden, die in de organisatie van de werkgevende niet structureel aanwezig is. Er is sprake van een korte duur van de opdracht en/of een beperkt aantal uren per week. Kenmerken die wijzen op ondernemerschap van de werkende (buiten de arbeidsrelatie gelegen) voor soortgelijke werkzaamheden (extern ondernemerschap) Rechtsvermoeden onder 36 euro Een tweede deel van het wetsvoorstel VBAR is een zogenaamd ‘rechtsvermoeden van werknemerschap’. Als een werkgever iemand inhuurt voor minder dan 36 euro per uur, dan kan deze werkende een arbeidsovereenkomst claimen. Het is dan aan de opdrachtgever om aan te tonen dat het weldegelijk gaat om een zzp-opdracht. Dit deel van het wetsvoorstel blijft ongewijzigd. Het uurtarief dat bij dit rechtsvermoeden hoort, stijgt jaarlijks mee met het minimumloon. Om het makkelijk te maken voor werkgevers is het altijd een rond bedrag, naar boven afgerond. Het bedrag van 35,43 euro (peildatum 1 januari 2025) wordt daarom naar boven afgerond op 36 euro. Er is breed draagvlak voor dit deel van het wetsvoorstel. Meerdere partijen hebben zelfs voorgesteld om dit deel van de wet los te knippen en versneld in te voeren. Van Hijum: ‘Duidelijker, maar inhoudelijk niet anders’ “Het wetsvoorstel verduidelijkt deze criteria, maar wijzigt ze inhoudelijk niet ten opzichte van de nu geldende gerechtelijke uitspraken”, schrijft minister Van Hijum. “Met dit wetsvoorstel maken we duidelijker wat het onderscheid is tussen werken als zelfstandige of als werknemer. Als je aangestuurd wordt in je werk en je loopt geen ondernemersrisico, dan ben je een werknemer en heb je recht op de zekerheid die daarbij hoort. En als je echt zelfstandig werkt en onderneemt, dan is daar alle ruimte voor.” Verandering: extern ondernemerschap van belang De grote verandering zit in het eerste deel van het wetsvoorstel: de manier om te bepalen wanneer iemand een opdracht als zelfstandig ondernemer mag uitvoeren. In het vorige wetsvoorstel waren de criteria die gaan over (extern) ondernemerschap (OP) aparte categorieën. De OP-criteria zouden pas een rol spelen in de beoordeling als de criteria die wijzen op werknemerschap (W) en criteria die erop wijzen dat iemand zelfstandig kan werken (Z) in evenwicht zijn. Dit is aangepast na een recente uitspraak van de Hoge Raad in de zaak Uber/FNV. De Hoge Raad benadrukte daarin dat de kwalificatie van een arbeidsrelatie afhangt van een ‘holistische weging’ van negen gezichtspunten. Een van die gezichtspunten is het ondernemerschap van de persoon, oftewel extern ondernemerschap. Dat weegt volgens de Hoge Raad dus net zo volwaardig en gelijkwaardig mee als alle andere omstandigheden. Daarom heeft de minister zijn wetsvoorstel aangepast. W wordt afgewogen tegen Z en OP. Oftewel: ondernemerschap binnen de opdracht en ondernemerschap van de persoon zijn één categorie. Geen invloed op handhaving De minister benadrukte eerder dat dit wetsvoorstel geen invloed heeft op de huidige handhaving op schijnzelfstandigheid. De Belastingdienst kijkt namelijk nu al holistisch naar alle criteria. Wat nu? Demissionair minister Van Hijum hoopt dat de wet per 1 januari 2026 van kracht wordt, zonder overgangsrecht. Dan zou Nederland namelijk voldoen aan het tijdspad om in aanmerking te komen voor gelden uit het Herstel- en Veerkrachtplan van de Europese Unie. Maar het is twijfelachtig of dat gaat lukken. Uitvoeringsinstanties UWV en de Belastingdienst zijn positief over de nieuwe wet, maar het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) niet. Het ATR oordeelde eerder al negatief en deed voorstellen tot aanpassing. Die zijn ‘niet of niet voldoende’ opgevolgd, schrijft het adviescollege. Al met al zal de Kamerbehandeling waarschijnlijk pas na de nieuwe verkiezingen op 29 oktober plaatsvinden. Het is dus aan de nieuwe Kamer om te oordelen over het wetsvoorstel. Het kan ook zijn dat VBAR onderdeel wordt van nieuwe coalitieonderhandelingen. VBAR of Zelfstandigenwet? Ondertussen werken partijen VVD, D66, SGP en CDA aan een alternatief wetsvoorstel: de Zelfstandigenwet. Daarmee introduceren ze een nieuwe manier om te bepalen wanneer iemand als zzp’er mag werken voor een zakelijke opdrachtgever. Die bestaat uit drie toetsen: een zelfstandigentoets, een werkrelatietoets en een sectorale toets. Uiteindelijk moet de politiek dus kiezen: VBAR, de Zelfstandigenwet of geen van beide? Die keuze hangt af van wie er na de verkiezingen in de Tweede Kamer zitten en of er genoeg partijen samen een meerderheid hebben. Grote werkgevers- en werknemersorganisaties zijn over geen van beide enthousiast. Volgens de sociale partners is er geen nieuwe zzp-wet nodig, maar moet handhaving van de beoordeling arbeidsrelatie zijn werk doen. Kritiek: extern ondernemerschap lastiger te bepalen voor werkgever Gaat de aangepaste VBAR leiden tot meer duidelijkheid? Arbeidsjurist Niels van der Neut (Universiteit van Amsterdam) doet onderzoek naar de zzp-wetgeving. Hij is kritisch op het nieuwe wetsvoorstel. “Het is begrijpelijk dat extern ondernemerschap nu wordt meegewogen”, zegt hij. “De praktijk vraagt erom en het sluit aan bij het Deliveroo-arrest. Maar hij heeft een flink nadeel, namelijk dat het voor opdrachtgevers en de Belastingdienst moeilijk is te bepalen of iemand echt zelfstandig ondernemer is. We willen helderheid, maar moeten ook erkennen dat absolute duidelijkheid misschien een illusie is.” Van Hijum, VBAR, zelfstandigenwet Print Over de auteur Over Redactie FlexNieuws Redactie van Flexnieuws - interviews, artikelen, aankondigingen en persberichten. Bekijk alle berichten van Redactie FlexNieuws