loading
views

Platformeconomie, hoe werkt het voor alle deelnemers?

Platformeconomie, hoe werkt het voor alle deelnemers?

Platformeconomie, hoe werkt het voor alle deelnemers?

Interview met Martijn Arets

Martijn Arets is onderzoeker bij de Universiteit Utrecht en trendwatcher van de platformeconomie. Hij spreekt op events en adviseert overheidsorganisaties die zich beraden op beleid voor platformen, deelt de laatste platform updates via zijn wekelijkse nieuwsbrief en ging in gesprek met meer dan 400 ondernemers en experts in 13 landen over de platformrevolutie.

Dit interview is onderdeel van een serie over het werken via platforms.

Trendwatcher
“Ik ben van oorsprong marketeer. In 2011 heb ik als eerste ter wereld via aandelen crowdfunding de Engelse vertaling en uitgave gerealiseerd van mijn boek, getiteld ‘Brand Expedition’. Voor de verhalen in dat boek ben ik met een VW-bus door Europa gaan reizen en heb met de leiders van 20 grote Europese merken gesproken. Voor het financieren van de Engelse vertaling van mijn boek leek crowdfunding een mooie oplossing, maar het heeft mij per saldo veel geld gekost. Daar heb ik van geleerd en ik besefte hierdoor dat elke markt binnenkort gebruik zou maken van platformen voor vraag en aanbod, maar dat er nog veel moet gebeuren om het model kloppend te maken. Of het nu gaat om het ophalen van geld, het verkopen van kennis, arbeid of spullen, uiteindelijk werkt een platform pas goed als alle stakeholders er de juiste waarde uit halen.

Vanaf dat moment ben ik sinds 2012 de ontwikkelingen van platformen gaan onderzoeken, onder de door mij bedachte term ‘collaberative economy’. Tegenwoordig gebruik ik ‘platformeconomie’ als parapluterm. Dat het model niet perfect was, dat had ik met mijn crowdfunding campagne ondervonden. De discussie rondom platformen komt nu pas echt goed op gang, door de platformen die vraag en aanbod van werk bijeen brengen. Dit omdat deze activiteiten het individu en de samenleving het meest beïnvloeden en de pijn van fouten in het model het meest zichtbaar is.”

Het Nederlandse deeleconomie landschap, beeld door Martijn Arets

Gigs
Platformen die vraag en aanbod van werk bij elkaar brengen worden geschaard onder de klusjeseconomie, in het buitenland ook wel gig economy genoemd. Het woord verklaart het al: het werk is in hapklare brokken geknipt, meestal zijn het kleine klusjes, repeterende werkzaamheden. Als je dit als ‘worker’ zelf zou organiseren zouden de transactiekosten, de kosten van het werven van klanten, planning en administratie, niet opwegen tegen het geld wat je ermee verdient. Het kan pas uit, omdat het platform het op grote schaal aanbiedt en via slimme algoritmen automatiseert. Daarmee is het platform in het voordeel en heeft het platform ook een bepaalde macht.

Platformen zeggen veelal dat ze mensen een additionele inkomstenbron bieden, maar uiteindelijk is hun businessmodel pas rendabel en waar te maken richting de klanten, als het platform voor haar klanten continuïteit kan bieden en er dus zoveel mogelijk dezelfde mensen via het platform werken. In principe kan iedereen auto rijden (werken via bijvoorbeeld Uber) en schoonmaken (werken via bijvoorbeeld Helpling). Je kunt je wel ontwikkelen binnen die gig, maar dat geeft weinig voorsprong. Daarnaast bouw je op veel platformen geen klantrelatie op en zijn de door jou opgebouwde reputatiescores aan het platform gebonden. Dit heet een ‘lock in’. Het platform heeft geïnvesteerd om jou binnen te halen en doet er alles aan om jou te behouden. Het verdienmodel is veelal een marge op de transactie. Handel je buiten het platform om, dan loopt het platform inkomsten mis.

Vaak gaat het om laagopgeleide mensen, die voor hun inkomen afhankelijk zijn van dit werk. De meeste mensen hebben dat werk voorheen niet gedaan, ze hebben dus ook geen trackrecord. Dat ligt anders bij een platform zoals Werkspot, waar je vakmensen kunt vinden die tegelijkertijd al eigen klanten hebben. Dat geeft hen een onafhankelijker positie en daarom staan dit soort modellen ook minder ter discussie.”

Beroep op technologie
Platformen zoals Airbnb of Uber noemen zichzelf bewust geen hotelbedrijf of taxibedrijf, maar een techbedrijf dat een marktplaats voor vraag en aanbod faciliteert. Daardoor kunnen ze zich vrij bewegen op de as van verantwoordelijkheid versus schaalbaarheid.
Om het verdienmodel houdbaar te maken én om de grote investeringen terug te verdienen, is het nodig dat ze snel opschalen. Daarnaast hebben platformmarkten de neiging om uit te monden tot een ‘winner takes all’ markt. Teveel verantwoordelijkheid en risico jegens de werkenden staat de schaalbaarheid in de weg.

Het terugschroeven van transactiekosten is overigens ook maar relatief. Uiteindelijk hebben immers ook platformen personeel nodig om hun business te laten groeien en draaien. Bij Uber werken bijvoorbeeld wereldwijd 15.000 eigen mensen, waaronder veel juristen. Uber kan de transactiekosten van het platformwerk verlagen, maar heeft tegelijk een enorme legacy aan personeel en zo’n 15 miljard aan investeringskapitaal. Dat moet ook worden terugverdiend. Ze kunnen nu goedkoper opereren dan bestaande aanbieders, al voorspel ik dat ze de belofte in de toekomst naar hun aandeelhouders te enthousiast hebben ingeschat. Daarnaast worden nu regelmatig ritten onder kostprijs verkocht om een markt te kunnen veroveren. Dat is geen houdbare propositie.

Sommige platformen willen meer doen voor de mensen die via hen werken, met het risico dat ze al snel aangemerkt worden als werkgever met alle verantwoordelijkheden die daarbij horen. Hun businessmodel is dan al snel onhoudbaar. Hierdoor zitten zij in een spagaat. Dit soort uitdagingen zijn niet klusjeseconomie specifiek, maar vragen een hervorming van de arbeidsmarkt waar de balans tussen flexibiliteit en zekerheden van (flexibele) werknemers en een aanvaardbaar risico voor werkgevers moet worden gevonden.”

Martijn Arets, foto gemaakt door Sebastiaan ter Burg

Gewenning aan service geeft rek in de prijs
“Met de service van platformen is overigens niets mis. De service en ‘user experience’ die Uber biedt is ongekend. De grootste Uber-haters die ik ken in Amerika, gebruiken Uber, omdat het zo makkelijk is. Daarom verwacht ik dat er nog veel rek in het tarief zit. Na drie klikken op je telefoon staat er een auto voor je klaar. Ik ben daar nu aan gewend. Als het duurder wordt, wil ik dat gemak wel houden. Platformen als Uber hebben ons gedrag en onze verwachtingen veranderd naar ‘mobility as a service’. Dat is een onomkeerbare trend.

Het is voor Uber nog wel een uitdaging om de algoritmes op grond waarvan het systeem keuzes maakt, transparanter te maken. Een optie zou zijn dat een derde partij toezicht heeft op de algoritmen. Dit omdat we niet naïef moeten zijn en denken dat algoritmen neutraal zijn en alleen zijn ontworpen voor de best mogelijke ervaring. Hier ligt ook een belangrijke rol en taak voor de overheid, die uiteindelijk een platform onafhankelijk beleid moet maken.”

Reguleren of nog een tijdje aankijken?
“Het is goed om verschillende smaken van regulering te bieden. Het is niet altijd nodig en verstandig meteen alles dicht te timmeren. Bij UberPop heeft de nationale overheid kordaat opgetreden en deze illegale dienst verboden. Dit had zeker ook te maken met de houding van het bedrijf en de lobbykracht van de bestaande markt. Bij Airbnb heeft de Gemeente Amsterdam er voor gekozen om de dialoog aan te gaan en samen te ontdekken wat een werkbare strategie is. Wat je vaak ziet is dat doordat platformen transactiekosten verlagen, activiteiten die zich eerst in een grijs gebeid bevonden in potentie schaalbaar zijn geworden en daarmee onderwerp van discussie. Een interessant voorbeeld is ShareDnD: een platform dat drempels rigoureus verlaagd om thuisrestaurants met een publiek te verbinden. Die activiteit gebeurde al sinds mensenheugenis, maar was te kleinschalig en gefragmenteerd om er iets van te hoeven vinden. Door platformen als ShareDnD is deze activiteit in potentie schaalbaar. En dat leidt tot interessante reacties en discussies.”

Digitale bril benutten
“De overheid kan meer dan nu met een digitale bril naar platforms kijken. Men zou ook moeten denken: hoe kunnen we als overheid profiteren van die platform ontwikkeling? Als overheid of Belastingdienst kun je geld uitsparen door bepaalde taken te beleggen bij platformen. Bied bijvoorbeeld een API-koppeling aan waarmee het makkelijker wordt om ID-checks te integreren in een platform. Maak het op die manier voor platformen laagdrempeliger om te voldoen aan de eisen van de overheid. In België hebben ze bijvoorbeeld een speciale deeleconomie belasting ingevoerd. Je kunt hier een hoop van vinden, maar het feit dat ze hiermee experimenteren is al heel positief.

Bij Airbnb is bijvoorbeeld in Amsterdam de meldplicht ingevoerd. Op het moment dat de Gemeente Amsterdam het kadaster en andere systemen digitaal op orde heeft, kan er automatisch worden gecheckt: is er op de gemelde locatie een account, klopt het met het ID, is diegene ook hoofdbewoner van het pand, is het de betreffende persoon toegestaan om de woning te verhuren? Als ik nu met die vraag bij de gemeente kom, zegt men: goed idee, maar geef ons nog een paar jaar de tijd. Dit illustreert dat veel overheidsorganisaties met hun digitalisering achterlopen op de praktijk.”

Estlandse overheid blinkt digitaal uit
“De overheid van Estland vormt daarop een uitzondering, die is juist sterk digitaal ingesteld, waardoor de dynamiek van digitale platformen beter wordt begrepen. De discussie omtrent regulering komt daardoor meteen op een hoger en praktischer plan.” Lees meer

Co-ops
“Qua gig economie loopt Amerika voorop. Als tegenbeweging tegen de grote kapitaal gedreven platformen zie je een tegenbeweging ontstaan: platformcoöperaties. Dit zijn coöperaties waarbij de workers zich verenigen in een coöperatie en zelf investeren in de technologie om de diensten meer democratisch aan te kunnen bieden. Zie bijvoorbeeld de Greentaxico-op in Denver. Als zo’n co-op klein is, is er niet veel geld om de technologie te verbeteren. Dat is een nadeel. Daarvoor zullen platform coöperaties moeten gaan samenwerken. Het voordeel van een co-op is, dat er meer betrokkenheid ontstaat, vergelijkbaar met een familiebedrijf. Er wordt meer gewerkt vanuit een lange termijnvisie en de belangen van de werkenden staan meer centraal.

Ook zie ik nieuwe technologie bedrijven die zich als coöperatie organiseren. Up&Go: een mooi voorbeeld hiervan, werd afgelopen week gepresenteerd op een platform coöperatie congres dat ik bezocht in New York. Zij faciliteren bestaande schoonmaak co-ops met technologie en marketing. Ik zie juist in dit model toekomst. De vraag is namelijk: moet je een (bestaande) coöperatie gaan omvormen in een technologiebedrijf, of ga je hen faciliteren met middelen om mee te kunnen in deze digitale transitie? Daarnaast kun je ook de investeringen in technologie zo veel eenvoudiger onder een groot aantal klanten spreiden. Bijkomend voordeel van het intappen op bestaande worker coöperaties is dat je direct een flink aantal mensen aan je platform verbindt en er al een sociale- en kwaliteitscontrole bestaat binnen de coöperatie.”

Ratings en reputatie van werkenden
“Het meenemen van ratings door werkenden van het ene platform naar het andere, is een verhaal apart,” zegt Arets. “Er zijn aanbieders als Deemly die al je gegevens koppelen. Zij halen data uit de platformen waarmee je een koppeling maakt en zorgen voor een onafhankelijke reputatiescore. Dit geeft nieuwe platformen een voorsprong, omdat mensen die via zo’n platform werken, al een reputatiescore hebben. Van belang, omdat bekendere platforms door hun enorme hoeveelheid profielen al een flink voorsprong hebben in ratings. Een nieuw platform begint bij nul en krijgt niet de kans om een profiel op basis van ratings op te bouwen. Uiteindelijk moeten we naar een systeem waarbij de rating- en reputatiescores van gebruikers in eigendom zijn van die gebruikers. Dat versterkt de positie van de werkenden en bindt hen minder aan een bepaald platform.” Lees meer

Vanaf november dit jaar doe ik parttime vanuit de Universiteit Utrecht twee onderzoeken naar hoe platformen kunnen bijdragen aan een meer inclusieve samenleving en naar de kansen van platformcoöperaties. Dit omdat ik er van overtuigd ben dat platformen een positieve bijdrage leveren aan meer participatie in de samenleving. Er zijn al diverse platformen die een maatschappelijke bijdrage leveren, maar nu nog onvoldoende in beeld komen. Hier ligt overigens ook een taak voor de overheid. We moeten ons naar mijn mening meer afvragen: ‘Wat voor samenleving willen we?’ En op basis daarvan beleid en keuzes maken.”

Interview: Hinke Wever, FlexNieuws, in samenwerking met Hendarin Feyli, Van Riel & Feyli Advocaten

Foto: Sebastiaan ter Burg

Gerelateerd nieuws


Meer uit deze rubriek