loading
views
2 reacties
Erica Wits

Is er nog plaats voor StiPP?

Mr. Erica B. Wits is advocaat en partner bij Sprengers Advocaten, een gespecialiseerd arbeidsrechtkantoor. Zij is sinds 1990 werkzaam op het gebied van arbeids- en sociale zekerheidsrecht. Zij richt zich zowel op werkgevers, werknemers en ondernemingsraden. Erica Wits is lid van de werkgroep Ontslagrecht van de Vereniging voor Arbeidsrecht en heeft in die hoedanigheid commentaar geleverd op het wetsontwerp WWZ. Naast haar proces- en adviespraktijk geeft zij veel cursussen, m.n. gericht op de actualiteit en de arbeidsongeschikte werknemer. Ook schrijft zij geregeld artikelen in vakbladen op haar terrein. X

Is er nog plaats voor StiPP?

Staatssecretaris Klijnsma heeft antwoord gegeven op Kamervragen over de aansluitplicht bij pensioenfonds StiPP in het licht van de nieuwe Ontslagregeling. Lees meer

De antwoorden van de staatssecretaris zijn van belang voor iedereen die met payroll en uitzenden te maken heeft.

Allocatiefunctie onderdeel van definitie artikel 7:690 BW?
De staatssecretaris is vooralsnog van mening dat de allocatiefunctie geen onderdeel uitmaakt van de definitie van de uitzendovereenkomst in artikel 7:690 BW. Met andere woorden: een werkgever die geen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt bij elkaar brengt, kan ook uitzendwerkgever zijn. Zij beroept zich op een onderdeel van de wetsgeschiedenis. De staatssecretaris laat het laatste woord echter aan de Hoge Raad waar een zaak over deze kwestie aanhangig is gemaakt. De Hoge Raad zou wel eens een ander standpunt in kunnen nemen. Andere delen van dezelfde wetsgeschiedenis laten namelijk zien dat de speciale regeling van de uitzendovereenkomst alleen in het leven is geroepen voor werkgevers die een allocatiefunctie hebben. Het Hof Arnhem-Leeuwarden beroept zich op deze wetsgeschiedenis in haar uitspraak van 3 februari 2015. Zie ook mijn column.
Van dit antwoord van de staatssecretaris wordt denk ik niemand veel wijzer. Dit geldt mogelijk wel voor haar andere antwoorden.

Payrollwerknemers en vaste werknemers hebben dezelfde ontslagbescherming?
De staatssecretaris schrijft dat de definities van uitzend- en payrollwerkgever in de Ontslagregeling alleen relevant zijn voor de toepassing van die regeling en niet voor de werkingssfeer van de pensioenregeling van StiPP. Het UWV hanteert de Ontslagregeling bij het toetsen van ontslagaanvragen.
Uit de Ontslagregeling volgt, zo vervolgt de staatssecretaris, dat payrollwerknemers dezelfde ontslagbescherming zullen hebben als werknemers die rechtstreeks in dienst zijn van een opdrachtgever. Dit is zo afgesproken bij het Sociaal Akkoord van 2013.

De staatssecretaris vergeet echter dat door artikel 7:690 en 691 BW deze gelijke ontslagpositie van payrollwerknemers en vaste werknemers niet bestaat. Althans, nu de staatssecretaris heeft aangegeven dat de allocatiefunctie geen onderdeel uitmaakt van de definitie van uitzendwerkgever. Payrollwerkgevers die geen allocatiefunctie hebben, kunnen in haar optiek gewoon uitzendovereenkomsten gebruiken. De Ontslagregeling kan deze artikelen uit het BW niet buiten werking stellen. Dit betekent dat de payrollwerkgever helemaal niet uit komt bij de Ontslagregeling. Zie mijn column. Deze werkgever kan in zijn contracten het uitzendbeding gebruiken of de door de uitzendcao verruimde ketenregeling benutten, bijvoorbeeld door te werken met weekcontracten. En hij hoeft dus geen ontslagvergunning te vragen bij het UWV.

Deze gelijke ontslagbescherming van payrollwerknemers met vaste werknemers is er naar mijn mening wél als het inmiddels vrij algemene standpunt wordt aanvaard dat de allocatiefunctie onderdeel is van de definitie van artikel 7:690 BW.

Het is mij eerlijk gezegd een raadsel waarom de staatssecretaris niet kiest voor het standpunt dat de allocatiefunctie onderdeel is van de definitie. De beoogde gelijkheid in ontslagbescherming tussen payrollwerknemers en vaste werknemers is dan aanwezig door de Ontslagregeling. Eenvoudiger kan het niet.

Aankondiging wetsvoorstel gelijke behandeling payrollmedewerkers
Tijdens de behandeling van de Wet werk en zekerheid, is de motie Hamer aangenomen. Deze motie draagt de regering op te zorgen voor gelijke arbeidsvoorwaarden tussen payrollwerknemers en werknemers die rechtstreeks in dienst zijn bij de opdrachtgever. De staatssecretaris kondigt in haar antwoord aan dat na de zomer een wetsvoorstel dat dit moet regelen bij de Kamer wordt ingediend. Zij benoemt dat het bij gelijke arbeidsvoorwaarden ook gaat om pensioen.

Opmerkelijk is de beantwoording van de staatssecretaris van vraag 5. Zij antwoordt: “Vooralsnog ga ik uit van de veronderstelling dat ook payrollwerknemers onder de verplichtstelling van StiPP vallen, maar wijs tegelijkertijd op het wetsvoorstel genoemd in het antwoord op vraag 2 en de zaak die aanhangig is bij de Hoge Raad.”
Met andere woorden: kennelijk is niet alleen het oordeel van de Hoge Raad van belang of payrollwerknemers vallen onder de verplichtstelling, maar is ook het wetsvoorstel van betekenis. Dit maakt nieuwsgierig!

Wetsvoorstel gelijke behandeling payrollwerknemers
Wat zou er in dit wetsvoorstel kunnen staan? Payrollbedrijven vallen onder de werking van de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (zie ook: Minister Kamp in een brief aan de Kamer in 2012). Payrollwerknemers dienen dus de inlenersbeloning te krijgen, dezelfde beloning als de vaste medewerkers. Ook wat betreft ontslag is hun positie nu gelijk getrokken, althans in de ogen van de staatssecretaris. Blijft over: de arbeidsvoorwaarde pensioen. Ik kan de antwoorden van staatssecretaris niet anders interpreteren dan dat payrollwerknemers onder de pensioenregeling van de opdrachtgever gaan vallen. Hooguit lijkt er dan nog een vangnetrol voor StiPP weggelegd voor payrollwerknemers voor het geval er geen pensioenregeling is bij de opdrachtgever, maar meer ook niet. Hiermee valt naar mijn inschatting een belangrijk deel van de ‘klandizie’ voor StiPP weg.

Is er nog een rol voor StiPP?
De staatssecretaris lijkt in haar beantwoording in de eerste instantie een steun in de rug te geven aan StiPP. Zij deelt het standpunt van StiPP dat een allocatiefunctie niet vereist is om uitzendwerkgever te zijn. Al laat zij het uiteindelijke oordeel over aan de rechter. Wat de staatssecretaris met de ene hand lijkt te geven, neemt zij echter met de andere hand weer terug. Zij kondigt immers aan dat er een wetsvoorstel komt dat er voor moet zorgen dat payrollwerknemers gelijk behandeld moeten worden als vaste medewerkers van de opdrachtgever onder andere wat betreft hun pensioenregeling. Hiermee lijkt StiPP voor vele payrollmedewerkers van de horizon te verdwijnen en is het naar mijn inschatting de vraag of het fonds zich wel kan handhaven.

Het is nu niet alleen wachten op de uitspraak van de Hoge Raad, maar dus ook op het wetsvoorstel gelijke behandeling payrollmedewerkers om duidelijkheid te verkrijgen over de aansluitplicht bij StiPP.

Erica Wits, advocaat, werkzaam bij Sprengers Advocaten

Reacties op dit artikel

  • Auteur: Erica Wits Datum:

    Beste Jurr,

    Het doet mij deugd dat er op flexnieuws een reactie komt op deze column; dank daarvoor. Ik vind het echter wel spijtig om te lezen dat u veronderstelt dat ik heel ver van de waarheid zou zitten. Ik vind dit een ernstig verwijt dat bovendien onterecht is.

    De staatsecretaris verwijst wel degelijk naar de wetsgeschiedenis. Zij noemt de vindplaats van haar verwijzing. Het lijkt mij overigens ter verdediging van uw standpunt juist van belang dat het wél gaat om een stuk wetsgeschiedenis, maar dit terzijde.

    Dat de allocatiefunctie onderdeel is van de definitie van artikel 7:690 BW is wel een algemeen standpunt. Dit betekent uiteraard niet dat iedereen dit standpunt heeft. De staatsecretaris in ieder geval niet, maar zij laat wijselijk het laatste woord over aan de Hoge Raad.

    Het is onjuist dat een meerderheid van de rechtelijke uitspraken het allocatievereiste niet ziet als onderdeel van de definitie van artikel 7:690 BW. Ik nodig u uit het trefwoord “allocatiefunctie” in te vullen op de site rechtspraak.nl en de uitspraken te turven.

    Ik erken niet dat er een wetswijziging noodzakelijk is om payroll niet langer onder StiPP te laten vallen. Ik redeneer vanuit het standpunt van de staatssecretaris. De aangekondigde wet zal wel de zo vurig gewenste duidelijkheid bieden.

    Wat ik mij nu afvraag: waarom gaat StiPP door met haar aansluitacties, terwijl we het oordeel van de Hoge Raad moeten afwachten? Dit is toch een huis bouwen op drijfzand?

    Met vriendelijke groet,
    Erica Wits

  • Auteur: Jurr Datum:

    Mevrouw Wits, ik bewonder de doortastendheid waarmee u uw cliënt(en) verdedigd, maar nu gaat u wel heel ver van de waarheid af. De Staatssecretaris verwijst niet naar de wetsgeschiedenis, nee, zij wijst er op dat naar aanleiding van advies van de Raad van Staten weloverwogen is besloten om alle driehoeksverhoudingen onder artikel 7:690 BW te laten vallen. Daarmee lijkt mij de zaak redelijk duidelijk, maar misschien verrast de Hoge Raad nog.
    Ook uw stelling in vraag twee dat de allocatiefunctie onderdeel is van de definitie van artikel 7:690 BW een vrij algemene standpunt is, wordt door de Staatssecretaris, als bewindspersoon van het departement dat de wet heeft opgesteld, gelogenstraft. De meerderheid van de rechtelijke uitspraken doet dat trouwens ook.
    Een laatste punt over uw tekst onder vraag drie en vijf. Dat het wetsvoorstel n.a.v. de motie Hamer nieuwsgierig maakt, is evident. Maar met uw tekst erkent u wel dat een wetswijziging nodig zou zijn om payroll niet langer onder StiPP te laten vallen. Maar we wachten het oordeel van de Hoge Raad af.

Reageren:

*

Gerelateerd nieuws

  • Geen gerelateerde berichten gevonden.

Meer uit deze rubriek