SLUIT MENU

De Zelfstandigenwet gepresenteerd: deze zeven criteria moeten duidelijk gaan maken wanneer een zzp’er ingehuurd kan worden

Twee toetsen met in totaal zeven hoofdcriteria. Wie daar aan voldoet, heeft een ‘veilige haven’ voor wat betreft de inhuur van zzp’ers, zo beoogt Minister Aartsen. De concept Zelfstandigenwet uitgelegd.

Vandaag is de voorlopige tekst van de Zelfstandigenwet gepubliceerd. Een nieuwe wet met duidelijke spelregels vooraf, waar zzp’er en opdrachtgever zich aan moeten houden om met elkaar te kunnen werken. Met deze wet – die op zijn vroegst ingaat op 1 januari 2028 – moet een einde komen aan jaren van politieke discussie en onduidelijkheid over wanneer een zzp’er nu wel of niet door een opdrachtgever ingehuurd mag worden, zonder het risico op boetes achteraf. 

Het nieuwe wetsvoorstel moet zorgen voor een doorbraak in de discussie over het werken met zelfstandigen, die al ruim twintig jaar speelt, zo schrijft het kabinet. De Zelfstandigenwet moet onnodige terughoudendheid bij opdrachtgevers bij het inhuren van zzp’ers tegengaan én zorgen dat zelfstandigen de verantwoordelijkheid nemen om risico’s af te dekken.

Minister Thierry Aartsen (Werk en Participatie): “Na jaren van onduidelijkheid en onnodige terughoudendheid bij opdrachtgevers moet de nieuwe Zelfstandigenwet zorgen voor meer rust en vooral duidelijkheid onder zelfstandigen en opdrachtgevers.”

Opzet wet: twee toetsen met in totaal zeven criteria 

In het wetsvoorstel bestaat uit twee toetsen:

  • De zelfstandigentoets
  • De werkrelatietoets

De zelfstandigentoets kijkt vooral of iemand ondernemer is, met daarbij ook een aantal verplichtingen die wat het kabinet betreft bij ondernemerschap horen. De werkrelatietoets toetst of een zzp’er een opdracht in voldoende zelfstandigheid kan en mag doen (ook hierover later meer).

Als aan alle criteria van deze twee toetsen voldaan wordt, én er in de praktijk ook zo gewerkt wordt, ontstaat er een zogenoemde ‘veilige haven’. Vooraf is dan duidelijk dat er gewerkt kan worden met en als zelfstandige, zonder risico op naheffingen of boetes vanwege schijnzelfstandigheid.

A: Zelfstandigentoets 

De zelfstandigentoets bestaat uit drie criteria die samen bepalen of iemand zich ‘in het economisch verkeer’ als zelfstandige gedraagt. Het zijn criteria die los staan van een specifieke opdracht of relatie met een opdrachtgever. 

  1. De zelfstandige beschikt over de basisvoorwaarden om in het economisch verkeer als zelfstandige te kunnen werken.

Daarmee worden de volgende zaken bedoeld:

  • KvK-inschrijving
  • Het hebben van een btw-nummer
  • Het hebben van een aparte bankrekening voor zakelijke transacties
  • De zelfstandige is zelf verantwoordelijk voor de facturatie (mag door een ander worden uitgevoerd)
  • De zelfstandige hanteert een betalingstermijn voor klanten en opdrachtgevers
  • De zelfstandige verricht zelf betalingen aan derden en kan aangesproken worden op te late betaling
  1. De zelfstandige heeft in een periode van 2 jaar (lopende kalenderjaar en voorgaande kalenderjaar) ten minste 3 klanten gehad.

Daarmee kan/moet iemand aantonen dat hij of zij voldoende onafhankelijk ondernemer is (en dus niet afhankelijk van één opdrachtgever). Het kabinet wil zo ook stimuleren dat een zelfstandige actief aan acquisitie doet.

Een paar detailpunten zijn hierbij van groot belang:

  • Een zzp’er hoeft niet na 2 jaar drie nieuwe klanten te hebben. Je kunt dus prima jarenlang voor 1 klant werken, mits je daarnaast ook nog andere klanten hebt.
  • Die tweede en derde klant moeten qua omzet wel ‘enige substantie’ hebben. Deze regel moet, in de woorden van de minister, geen ‘wassen neus’ worden.
  • Een intermediair geldt als 1 opdrachtgever. Als je via hetzelfde bureau bij drie verschillende organisaties een opdracht doet, geldt dat toch als 1 klant. (De brancheorganisaties van intermediairs gaan vast en zeker nog proberen dit punt uit de wet te krijgen.)
  1. De zelfstandige heeft voorzieningen getroffen tegen risico’s die horen bij werken als zelfstandige.

De zelfstandige moet jaarlijks verplicht een bepaald bedrag besteden aan voorzieningen tegen risico’s die horen bij het werken als zelfstandig ondernemer. De hoogte van dit bedrag is nog niet vastgesteld. Het kabinet denkt wel aan een vast bedrag, dus onafhankelijk van de omzet of het tarief.

Dat geld moet besteed worden aan zaken als:

  • ⁠Een verzekering voor (langdurige) arbeidsongeschiktheid (dat kan bijvoorbeeld de BAZ zijn, die verplichte Basisverzekering Arbeidsongeschiktheid Zelfstandigen, die aangekondigd is)
  • ⁠Voorziening voor (kortdurende) ziekte (schenkkring of crowdsurance)
  • ⁠Een pensioenvoorziening of pensioensparen in tweede of derde pijler
  • ⁠Bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering
  • ⁠Bedrijfsschadeverzekering
  • ⁠Beroepsaansprakelijkheidsverzekering
  • ⁠Rechtsbijstandverzekering voor bedrijven

B: Werkrelatietoets

De werkrelatietoets bestaat uit vier criteria die te maken hebben met de omstandigheden binnen een concrete opdracht. Ze zien er vooral op toe dat iemand voldoende ruimte heeft om – als zelfstandig ondernemer – in onafhankelijkheid en dus buiten gezag te werken.

  1. Beide partijen hebben de wil om te werken buiten een arbeidsovereenkomst.

De twee partijen – zelfstandige en opdrachtgever – spreken vooraf expliciet af dat ze geen werkgever-werknemerrelatie hebben en willen. De praktijk blijft echter altijd doorslaggevend. Het is niet voldoende om alleen op papier vast te leggen dat sprake is van zelfstandig ondernemerschap. 

  1. De zelfstandige is vrij om te bepalen hóé de werkzaamheden worden uitgevoerd.

Dit criterium betekent dat de opdrachtgever geen aanwijzingen geeft over hoe de werkzaamheden worden verricht. De opdrachtgever mag wel instructies geven over het wat (op te leveren resultaat, verwachtingen). Dit moet vooraf worden afgesproken. En in de praktijk moet de opdrachtgever ook daadwerkelijk geen aanwijzingen over het ‘hoe’ geven.

Soms moeten ook zelfstandigen zich houden aan protocollen, bedrijfsregels, interne afspraken enzovoort. Dat mag, mits deze afspraken ook gelden voor derden (denk aan veiligheidsvoorschriften) en niet alleen gelden voor werkenden binnen de organisatie van de opdrachtgever, maar bijvoorbeeld voor een gehele sector of beroepsgroep. Tot slot moeten zelfstandigen in dit geval ook meer vrijheid hebben dan vergelijkbare werknemers in de organisatie (als die er zijn) bij de organisatie van het werk.

Dit is niet het meest concrete criterium van de wet. Het verschil tussen een aanwijzing en een instructie, het verschil tussen hoe en wat, blijft in de praktijk vaak lastig vast te leggen en uit te voeren.

  1. De zelfstandige is vrij om te bepalen op welke tijden en op welke locatie de werkzaamheden worden uitgevoerd.

De zelfstandige moet in beginsel vrij zijn om te bepalen op welke tijden en op welke locatie de werkzaamheden worden uitgevoerd. Maar – zo staat verder uitgelegd – hierover mogen wel afspraken gemaakt worden.

Dit punt is relevanter dan het wellicht lijkt. Er worden hier namelijk expliciete uitzonderingen gemaakt voor locatiegebonden werk (werk dat fysiek nergens anders kan) en tijdsgebonden werk (werk dat alleen op bepaalde momenten mogelijk is). Met name als het afgesproken resultaat niet bereikt kan worden buiten een bepaalde locatie of buiten bepaalde tijden, kunnen er prima afspraken gemaakt worden over het werken op locatie of binnen bepaalde tijden (dan moet de zelfstandige wel meer vrijheid hebben om zijn tijd in te delen dan andere werknemers van de opdrachtgever).

Op dit punt wijkt de Zelfstandigenwet expliciet af van eerdere voorstellen, zoals de VBAR, waarin het leek alsof locatiegebonden werk (of ingebed werk) niet meer mogelijk was. Dat kan binnen de Zelfstandigenwet dus wel (mits dit nodig is voor het resultaat).

  1. De zelfstandige werkt voor eigen rekening en risico

Zelfstandigen dragen de lusten en lasten van het ondernemerschap. Dat is wat een werknemer onderscheidt van een zelfstandige, zo legt het ministerie het criterium uit.

Hoe ziet dat er concreet uit?

  • Vooraf moet een bepaald te behalen resultaat worden afgesproken.
  • Er is de mogelijkheid om een opdracht sneller, efficiënter of juist trager uit te voeren, waarbij de positieve (meer opbrengsten) of negatieve (meer tijd/kosten) financiële effecten bij de zelfstandige liggen.
  • Daarbij draagt de zelfstandige – anders dan een werknemer – het aansprakelijkheidsrisico bij het veroorzaken van schade, het risico dat meer werkzaamheden moeten worden verricht of meer kosten moeten worden gemaakt om het resultaat te bereiken, en/of de aansprakelijkheid wegens niet-nakoming of ondeugdelijke nakoming van de overeenkomst.

In de huidige praktijk van het inhuren van zelfstandigen wordt nog beperkt gewerkt met een op te leveren ‘resultaat’, terwijl dat ook onder de huidige regels wel verstandig is. Zeker bij interimprofessionals die bijvoorbeeld ook onderdeel uitmaken van een team, is dat nog niet zo eenvoudig. Maar als dit onderdeel van de wet blijft zoals het nu is, zal de praktijk hier echt mee aan de slag moeten.

Dit criterium zet in ieder geval de deur dicht voor pure tijdelijke vervangingsopdrachten, waarbij het werkpakket gelijk is aan dat van een werknemer die (tijdelijk) vervangen moet worden. In dat soort situaties moet voor de in te huren zelfstandige een concrete, resultaatgerichte opdracht geformuleerd worden.

Uitvoering

Een opdrachtgever kan de uitkomst van de zelfstandigentoets navragen bij een zzp’er en die mogelijk ook zelf controleren. Die zzp’er kan ook proactief zelf een verklaring met bewijs opstellen. Er komt ook de mogelijkheid voor een ‘derdenverklaring’, waarbij bijvoorbeeld een accountant of boekhouder zo’n verklaring afgeeft. Anders dan bij de VAR gaat de overheid niet zelf dit soort verklaringen afgeven. Het is denkbaar dat bureaus hier ook een rol in kunnen gaan spelen.

De werkrelatietoets is – anders dan bij de zelfstandigentoets – iets wat opdrachtgever en opdrachtnemer per opdracht gezamenlijk moeten afspreken en vastleggen, en in de praktijk ook zo moeten uitvoeren. Let wel: bij tussenkomst wordt een bureau gezien als de opdrachtgever. Controlerende instanties, zoals de Belastingdienst of de Arbeidsinspectie, hebben en houden hun taak om te controleren of er in de praktijk ook gewerkt wordt conform wat is afgesproken.

Vervolg 

Deze versie de wet is nog een concept. Partijen kunnen via een internetconsultatie feedback geven. Ook moet de wet nog beoordeeld worden door de Raad van State en worden er uitvoering toetsen gedaan, voor beoordeling of de wet uitvoerbaar is door bijvoorbeeld de Belastingdienst en Arbeidsinspectie. Daarna volgt de behandeling in de Tweede en daarna Eerste Kamer. In dat proces kan het zeker nog zo zijn dat (details) worden aangepast. 

De wet gaat op zijn vroegst in op 1 januari 2028 en staat naast de Wet Rechtsvermoeden laag tarief, die op 1 januari 2027 in gaat. 


Meer weten?

Schrijf je dan in voor het ZiPconomy webinar Alles over de Zelfstandigenwet. Maandag a.s. om 14:45 uur. ZiPconomy hoofdredacteur Jan-Willem Weijers bespreekt het wetsvoorstel met experts Boris Emmerig en Alexander Kist. Ze gaan in op vragen van deelnemers aan het webinar. Inschrijven (gratis) kan via deze link.

Redactie van Flexnieuws - interviews, artikelen, aankondigingen en persberichten.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *