Rechtszaak tegen de Minister over de verplichte cao-ABU

0
2718


Harry Vogels

30 november 2010

De cao-ABU is nu algemeen verbindend verklaard, maar blijft dat ook zo? En wat zijn de gevolgen voor de uitzendbranche?

Donderdag 4 november jl. was voor de uitzendbranche een belangrijke dag: de rechtszaak van de Nederlandse Vereniging van Uitzend- en Bemiddelingsbedrijven (NVUB) tegen de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor de meervoudige kamer van de Haagse Rechtbank, sector Bestuursrecht. Inzet van het geding is de rol van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid bij het algemeen verbindend verklaren (avv) van de cao voor de uitzendbranche in 2007. Volgens de NVUB had deze cao nooit ge’avvd mogen worden door het ‘gegoochel’ met het aantal uitzendkrachten door de ABU. Dat ‘gegoochel’ met cijfers gebeurt ook in andere bedrijfstakken en de Minister tikt cao-partijen dan regelmatig op de vingers. Zo heeft werkgeversorganisatie Koninklijke Horeca Nederland zich jarenlang schuldig gemaakt aan het aanleveren van onjuiste cijfers aan de minister over het aantal horeca-werknemers.

Horeca en het aanleveren van onjuiste cijfers
De spelregels rond avv zijn niet echt moeilijk te noemen. Het gaat om de zogenaamde representativiteit van de werkgeversorganisatie om cao’s te mogen afsluiten. Het gaat daarbij om het delen van twee getallen. Getallen boven en onder de streep. Bij het getal boven de streep gaat het om de werknemers in dienst van georganiseerde werkgevers (dit zijn werkgevers aangesloten bij een werkgeversorganisatie, die de cao afsluit). Of werknemers daarbij al dan niet lid zijn van een vakbond doet niet ter zake. Het gaat uitsluitend om werknemers in dienst van georganiseerde werkgevers.
Bij het getal onder de streep gaat het om alle werknemers in dienst van alle werkgevers, die onder de betreffende cao vallen, zeg dus maar alle werknemers in die bedrijfstak.
Als de getallen boven en onder de streep uiteindelijk uitkomen op 60% of meer dan verkrijgen de cao-partijen zonder problemen een avv van de Minister. Als het percentage ver daaronder zakt komt er geen avv. Als het percentage net onder de 60% komt verricht de Minister een nader onderzoek.

Cao-partijen in de horecabedrijfstak brachten in de jaren negentig jarenlang dezelfde cijfers bij de Minister en kwamen dan uit op een percentage van meer dan 80%, maar de nieuwe werkgeversvereniging NHG twijfelde aan dit cijfer en gaf het onderzoeksbureau Research voor Beleid in Leiden in 1999 opdracht voor een nader diepgaand onderzoek.
En dit onderzoek, met de titel ‘Onder en boven de streep, over werknemerstatistieken in de horeca’, heeft het avv-beleid van de Minister toen grondig op zijn kop gezet. Van echte controle op de aangeleverde cijfers was geen sprake en er was geen eenduidigheid over de aangeleverde cijfers. Research voor Beleid toonde aan dat er vele verschillende statistieken zijn over werknemersaantallen in een bedrijfstak en dat deze statistieken grote verschillen kunnen laten zien in aantallen werknemers. En hieruit kwam naar voren dat de horeca geen 80% behaalde, maar daar soms ver onder zat. In de periode daarna is de verplichte cao in de horeca lang weggebleven.

De ABU-cijfers
Ook de ABU levert voor het avv’en van de cao vele cijfers aan bij het ministerie. Van 2006 tot en met 2008 waren dit de volgende cijfers:

Leden-werkgevers van de ABU3.160
Niet-georganiseerde werkgevers1.940
Werknemers bij ABU-leden159.000
Werknemers bij niet georganiseerde werkgevers80.260
Totaal aantal werknemers in de uitzendbranche239.260

Met deze cijfers halen de cao-partijen ruim 60%, namelijk 159.000/ 239.260 = 67 %.
En dat is voldoende voor een avv.
In 2009 levert de ABU weer andere cijfers aan. Het aantal leden werkgevers zakt naar 2.700, maar het aantal werknemers bij ABU-leden stijgt naar 265.591. Het aantal werknemers bij 2.935 ongeorganiseerde werkgevers zakt echter naar 79.562. Hiermee komt het totaal aantal werknemers op 345.153. En het percentage wordt dan: 265.591/ 345.153 = 77 %.
En de ABU gaat er dan vanuit dat alles veilig is, en rekent niet op een zeer langdurige rechtszaak tussen de NVUB en de Minister. De NVUB komt met vele andere getallen en toont ook aan dat er appels met peren worden vergeleken.

Ook andere cijfers in de uitzendbranche
Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) komt tot heel andere getallen dan de ABU. Volgens het CBS zijn er geen 5.635 uitzendbureaus, maar 9.540.
Volgens de SNCU, de cao-politie in de uitzendbranche, zijn er geen 9.540 uitzendbureaus actief maar 12.000. En over het aantal uitzendkrachten zijn ook vele getallen in de omloop. Het hoogste getal komt van FNV Bondgenoten, partij bij de cao van de ABU.
In het FNV-rapport ‘Uitzendkrachten in crisistijd’ (mei 2009) staat het volgende:
‘Voor de crisis waren er 730.000 uitzendkrachten in Nederland aan het werk (bron: ABU). In de periode november 2008 tot en met april 2009 zijn er in Nederland 140.000 minder uitzendkrachten aan het werk.’ Dat is dus veel meer dan de 239.260 en 345.153, die de ABU opgeeft.

Illegale uitzendkrachten wel of niet meetellen?
Illegale werknemers mogen volgens de Minister niet worden meegenomen, dus deze mogen niet worden opgenomen bij de aantallen uitzendkrachten in de teller/noemer. En dat is vreemd want SNCU, de cao-politie van de ABU-cao-partijen, loopt wel boetes uit te delen als de cao ABU niet wordt nageleefd en er wordt op grote schaal door de SNCU onderzoek verricht naar illegale arbeid. Volgens een rapport van Research voor Beleid, in opdracht van de SNCU, zijn er 5.000 tot 6.000 malafide uitzendbureaus actief, die meer dan 100.000 uitzendkrachten, vooral Polen, bemiddelden.
Advocaat Vallenduuk is namens de NVUB van mening dat het aantal illegale uitzendkrachten door de Minister zeker moet worden meegeteld in de vaststelling van het aantal uitzendkrachten. Als dit niet zou gebeuren, dan vallen illegale uitzendkrachten ook niet onder de ABU-cao en kan de SNCU geen boetes meer opleggen.

Appels en peren van de uitzendbranche
Research voor Beleid kwam in de bedrijfstak horeca tot de volgende conclusie:
‘Van echte controle op de aangeleverde cijfers is geen sprake en er is geen eenduidigheid over de aangeleverde cijfers. Research voor Beleid toont aan dat er vele verschillende statistieken zijn over werknemersaantallen in een bedrijfstak en dat deze statistieken grote verschillen kunnen laten zien in aantallen werknemers.’ Maar ook in de uitzendbranche worden appels met peren vergeleken. NVUB toont aan dat er liefst 20 verschillende eenheden zijn voor de berekening van aantallen voor de Minister: ‘uitzendwerkgever, uitzendvestigingen, totaalbestanden KvK, online ledenenquête, vestigingsmedewerkers, vaste medewerkers, aanname ontbrekende vestigingen, definitie MKB-bedrijf, het cijfer is bijgeschat, uitzendkrachten per dag, uitzendkrachten op fulltime basis, instroomonderzoek, CBS integrale meting, onderzoek onder 2100 uitzendkrachten bij 8 grote ABU leden, uitzendkrachten per dag geschat, aantal gewerkte uren in de totale uitzendbranche, gemiddeld aantal uren per jaar per uitzendkracht en per uitzendduur, het aantal uitzendkrachten in fte, standaard aantal uren per jaar van CBS, voetnoot voorheen de UWV-cijfers werden gebruikt.’

Wat als de cao-ABU niet meer algemeen verbind wordt verklaard?
Het woord is nu aan de drie rechters bij de Haagse rechtbank. Naar verwachting zullen zij voor het eind van het jaar een uitspraak doen. Tellen zij de illegale uitzendkrachten uit het rapport van Research voor Beleid mee, dan was er in 2007 sprake van een representativiteit van 159.000/ 339.260 en dat is 47 %. En dan had de ABU cao niet ge’avvd mogen worden door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Dit kan grote gevolgen hebben voor het verleden, maar vooral ook voor de toekomst van de cao-ABU. Voor het verleden heeft dit gevolgen voor de betaalde premie aan het Sociaal Fonds Uitzendbranche door niet-leden van de ABU. In de verplichte cao staat: ‘De uitzendonderneming heeft de keuze om de scholingsbestedingsverplichting van 1,02 procent op ondernemingsniveau in eigen beheer uit te voeren dan wel de daarmee gemoeide middelen af te dragen aan het Sociaal Fonds Uitzendbranche.’. Deze bepaling geldt altijd voor leden van de ABU, maar niet-leden van de ABU zijn alleen gebonden door een algemeen verbindend verklaring door de Minister. Als niet-leden deze premie hebben betaald zouden zij deze premie kunnen opeisen.
Als de rechters een uitspraak doen in het voordeel van de NVUB heeft dit voor de toekomst grote gevolgen voor de arbeidsvoorwaarden in de uitzendbranche. De cao-ABU zal dan in de toekomst niet algemeen verbindend worden verklaard, tenzij de cijfers wijzigen. Dit betekent dat de cao-ABU dan uitsluitend gaat gelden voor leden van de ABU en alle andere ondernemers hun eigen arbeidsvoorwaarden kunnen gaan volgen. Er ontstaan dan vier situaties in de uitzendbranche: Leden van de ABU volgen de cao-ABU, leden van de NBBU volgen de cao-NBBU, leden van de NVUB volgen de cao-NVUB en ongeorganiseerde ondernemers kunnen hun eigen arbeidsvoorwaarden hanteren, maar zijn wel gebonden aan de wet. Op langere termijn zou de uitspraak van de drie rechters ook gevolgen kunnen hebben voor het verplichte pensioenfonds in de uitzendbranche (StiPP), maar hier op zal ik in een later artikel terugkomen. Het is allemaal al complex genoeg!

drs. Harry J.P. Vogels
www.caoadvies.nl