Martin Pikaart: pensioenfonds StiPP – het belang van de politiek

0
2422

1 augustus 2011

In een serie artikelen voor FlexNieuws neemt Martin Pikaart de pensioensituatie in de uitzendbranche onder de loupe.

> Lees meer over Martin Pikaart, voorzitter Alternatief voor Vakbond

Het pensioenfonds StiPP, deel 4:
het belang van de politiek

Ten tijde van de discussies omtrent de wet Flexibiliteit en Zekerheid was ook het aspect pensioen een belangrijk onderdeel van de gewenste zekerheid. StiPP speelt daarmee een belangrijke rol in de erkenning van de uitzendsector als sector. We hebben in de voorafgaande columns gezien dat StiPP, ondanks dat de site melding maakt van de 70 %-van-het-gemiddelde-loon, bepaald niet de zekerheid biedt die mensen van een pensioenfonds verwachten. Wat voor belang heeft de overheid bij StiPP en de verplichtstelling ervan?

Lees meer over Martin Pikaart

Bedrijfstakpensioenfondsen in Nederland
De oudste bedrijfstakpensioenfondsen in Nederland zijn al een eeuw oud. Het Algemeen Mijnwerkersfonds van de Steenkolenmijnen in Limburg, een van de oudste, zo niet hèt oudste, is ontstaan in 1918 uit een fusie van enkele ondernemingspensioenfondsen. Sinds het interbellum zijn steeds meer bedrijfstakken ertoe overgegaan de oudedagsvoorziening gezamenlijk te organiseren.
Deze organisatie van de oudedagsvoorziening is zo succesvol dat anno 2011 circa 90 % van de werknemers deelneemt in een bedrijfstakpensioenfonds. Dit succes is mede mogelijk gemaakt door de wet BPF. De afkorting Wet BPF staat voor Wet betreffende verplichte deelname in een bedrijfspensioenfonds. Thans heet deze wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000. StiPP is een van de jongste bedrijfstakpensioenfondsen van Nederland.

Wet BPF
Ook StiPP is onder deze wet verplicht gesteld door de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op verzoek van de sociale partners.
Een goede, dekkende pensioenvoorziening vormt overduidelijk een belangrijk sociaal belang. Daarmee is het van nature tevens een overheidsbelang. Het voorkomen van armoede is altijd onderdeel geweest van het streven van elke Nederlandse regering, ongeacht politieke kleur. Dit is ook de belangrijkste reden voor de instelling van de wet BPF: mogelijk maken dat zoveel mogelijk werknemers een adequate pensioenvoorziening verkrijgen. Let wel, de wet BPF voorziet strikt genomen niet in een pensioenvoorziening voor werknemers. Het primaat hiervoor ligt traditioneel bij de sociale partners. De wet BPF erkent dit primaat en biedt alleen ondersteuning om de pensioenvoorziening voor een hele bedrijfstak te laten gelden.
Deze wet past daarmee wel in het streven van de overheid om de zogeheten witte vlek op het terrein van aanvullende pensioenen weg te werken.
Aanvullende redenen voor de instelling van deze wet waren het tegengaan van concurrentie op arbeidsvoorwaarden en het aanbrengen van solidariteit tussen werknemers. Het tegengaan van concurrentie is in column 3 al aan bod geweest, ik zoom nu in op de derde reden die van belang is voor de politiek: de solidariteit.

Solidariteit
Die solidariteit betreft overigens niet alleen het ouderdomspensioen, waarin de solidariteit vooral van jong naar oud gaat. Solidariteit zit ook in het arbeidsongeschiktheidspensioen en het nabestaandenpensioen. Het is geen overdrijving te stellen dat deze twee aspecten zelfs een belangrijke drijfveer zijn geweest voor de instelling van pensioenfondsen: vaak bleven de nabestaanden berooid achter na overlijden en het beeld van de ‘weduwe aan de poort’ was een schrikbeeld voor menig industrieel. Het kabinet ondersteunt deze solidariteit expliciet.
Over de grenzen van deze solidariteit, echter, is altijd veel te doen geweest.

Solidariteit en de gevaren van het uitzenden…
Zo kende bijvoorbeeld Shell het zusterpensioen. Bij Shell -uitzendwerkgever avant la lettre- waren -en zijn- carrières in het buitenland geen uitzondering. Het kwam nogal eens voor dat werknemers in het land waarnaartoe ze uitgezonden waren weliswaar samenleefden met één of meer inheemsen, maar na pensionering alleen terugkeerden naar Nederland. Daar trok zo’n gepensioneerde vaak in bij een alleenstaande zuster, die hem verzorgde. Het was niet de bedoeling dat na zijn overlijden nabestaandenpensioen zou ‘weglekken’ naar de overzeese schone(n), dat zou op gespannen voet staan met de zo gewenste ‘zedelijke eenheid’. [1] Om te voorkomen dat na het overlijden de zuster met lege handen zou staan, kende Shell haar een zusterpensioen toe. De overledene had tenslotte jarenlang betaald voor een nabestaandenpensioen, reden genoeg om solidair te zijn met de nabestaande zuster. Hierdoor werd de zedelijke eenheid ook aanmerkelijk minder in gevaar gebracht.
Tweede Kamerlid mw. Bakker-Nort trachtte in de jaren twintig gedaan te krijgen dat ook bij het ABP een zusterpensioen ingevoerd werd, onder de voorwaarde, ‘dat bij zoodanige pensionneering voldingend moet zijn aangetoond, dat de pensioengerechtigde zuster inderdaad de huishouding voor haren broeder heeft gevoerd.’ [2] Haar wetsvoorstel strandde echter in de Eerste Kamer.
Op vragen vanuit de Tweede Kamer aan toenmalig minister De Wilde om het zusterpensioen in de Pensioenwet op te nemen, reageert deze (in 1936):
‘In de Memorie van Antwoord aan de Tweede Kamer is opgemerkt, dat bij de vaststelling der bijdragen niet op pensioenslasten voor deze groep is gerekend en dat het zusterpensioen overigens een verouderd instituut is.’ [3]

Grenzen van solidariteit
Kortom, discussie over de grenzen van solidariteit waren er altijd.
Die grenzen worden meer en meer zichtbaar in het publieke debat door de hoge lasten die jongeren moeten betalen om de aanspraken van ouderen overeind te houden. Van die specifieke vorm van solidariteit heeft StiPP minder last dan andere bedrijfstakfondsen, omdat er nu eenmaal geen aanspraken worden opgebouwd tijdens het werkzame leven. Tijdens de opbouwfase is het rendement bepalend voor de pensioenopbouw.
Toch spelen de aanspraken tijdens de opbouwfase een onzichtbare rol bij StiPP. Jongeren krijgen namelijk een lager premiepercentage bijgeschreven op hun pensioenrekening dan ouderen, juist omdat die premiepercentages zijn afgeleid van de doorsneepremies voor aanspraken.
De lagere premiepercentages voor jongeren heten in de meeste Europese landen ‘ongelijke behandeling’, en zijn daarom verboden. In Nederland zijn ze echter verplicht.
Ook is het zo dat bij pensionering de uitkering door StiPP ineens levenslang gegarandeerd wordt. Indien de levensverwachting nog verder stijgt, of indien de rendementen tegenvallen, moet StiPP toch uitbetalen. Dat betekent een extra solidariteitsoverdracht van jong naar oud.
StiPP heeft daarnaast ook last van een andere vorm van overstretchte solidariteit. Dat komt door de afwijkende definitie van bedrijfstak. Solidariteit tussen binnenvaartschippers onderling bijvoorbeeld is één ding, maar tussen een administratieve kracht, een ober en een metaalbewerker gaat nog heel wat verder, alleen omdat ze een zelfde soort arbeidsrechtelijke positie hebben. Toch organiseert StiPP juist ook die solidariteit. Niet alleen is de jonge uitzendkracht solidair met de oudere, ook is de jonge uitzendkracht in de horeca solidair met de oudere in de metaal.
Persoonlijk denk ik dat de uitzendkracht zich niet alleen onbewust is van deze afgedwongen solidariteit, maar deze ook niet ‘voelt’.
In een tijd van individualisering wekt het bevreemding dat een sector, die zijn bestaan te danken heeft aan dit tijdsgewricht en aan kortere, flexibele dienstverbanden, de grenzen van de solidariteit juist verder trekt dan traditioneel acceptabel gevonden wordt.

Solidariteit en verplichtstelling in Europees verband
De sociale partners gaan over de regeling, waarbij de overheid op verzoek van sociale partners de regeling verplicht stelt aan de hele sector.
Voor de verplichtstelling is de inhoud van de regeling niet van belang, zolang deze aan de wettelijke vereisten voldoet. Die wettelijke regels slaan onder andere op de afgedwongen solidariteit. Die solidariteit ligt niet alleen mede ten grondslag aan de wet BPF, zij speelt ook een rol in het licht van de Europese Unie. De verplichtstelling staat namelijk op gespannen voet met mededingingsrecht. De verplichtstelling kan eigenlijk alleen overeind gehouden worden als er veel solidariteit in zit, meer solidariteit dan de gewone verzekeringssolidariteit. De Nederlandse bedrijfstakpensioenfondsen, inclusief StiPP, voldoen daar zeker aan. Maar de druk op de solidariteit wordt groter door de vergrijzing en de afhankelijkheid van de financiële markten. Bij elke wijziging van de regeling zal de vraag weer gaan spelen of de verplichtstelling overeind blijft.
Zo hangt het hele Nederlandse pensioenstelsel aan elkaar van solidariteitsoverdrachten. Puur rationeel gezien is er natuurlijk weinig op tegen om de verplichtstelling te vervangen door een algemene pensioenplicht, net zoals we een verplichte zorgonkostenverzekering hebben. Maar de implicaties van een kleine wijziging kunnen ver reiken. “Je beseft toch wel dat als je ook maar één steen uit het huidige systeem van pensioenfondsen trekt, dat dan de solidariteit in elkaar dondert?” in de woorden [4] van ABVAKABO voorzitter Edith Snoey, die begin juli is opgestapt, juist vanwege hoogoplaaiende discussies over de solidariteit tussen jong en oud in het recente pensioenakkoord.
Toch zal die stap een keer genomen moeten worden, de druk op de solidariteit is te groot en bovendien groeit die nog. De overheid krijgt hier gelukkig meer oog voor en minister Kamp heeft al aangegeven dat hij met name de positie van jongeren in het oog zal houden. Al eerder, zie boven, heeft een Minister geconcludeerd dat sommige elementen in de pensioenregeling verouderd zijn en kosten met zich mee brengen waar niet op is gerekend. Hetzelfde geldt voor de solidariteit nu.

Conclusie
Met het verplichtstellen van StiPP heeft de overheid weer een ‘witte vlek’ op pensioengebied weggewerkt. De inhoud van de StiPP regeling geeft de uitzendkracht weliswaar weinig reden tot juichen, maar aangezien de sociale partners van oudsher over de inhoud gaan, is dat tot nu toe voor de overheid geen reden geweest om zich te bemoeien met de verplichtstelling.
Hoewel StiPP een Defined Contribution regeling uitvoert, is er toch sprake van een zeer hoge mate van solidariteit tussen de deelnemers. Solidariteit, die eertijds gevoeld werd tussen beroepsgenoten en sociale partners in dezelfde bedrijfstak.

Aanbeveling
Ik denk dat de uitzendsector vraagt om een andere invulling van de oudedagsvoorziening, en dat de overheid daar een rol in moet spelen. Weliswaar ligt het primaat traditioneel gezien bij de sociale partners, maar gezien de impasse rondom het pensioenakkoord moeten die op hun tellen passen als ze niet willen dat de overheid zelf de regie in handen neemt. De uitzendsector is bij uitstek de sector om de oudedagsvoorziening op een andere manier in te vullen. Met meer flexibiliteit en minder solidariteit. Op een manier dus die past bij de branche. De overheid zou moeten faciliteren dat de oudedagsvoorziening hier anders ingevuld wordt. Het sociale belang blijft overeind, de te grote solidariteit van jong naar oud wordt verminderd.

Voetnoten
[1] Zie deel 3 – belang van de branchevereniging – uit de serie over pensioenfonds StiPP
[2] Handelingen Eerste Kamer, 1936, Wijziging en aanvulling van enkele artikelen van de Pensioenwet 1922, nr. 307
[3] Minister J. A. De Wilde over het zusterpensioen: Memorie van Antwoord aan de Tweede Kamer (1936)
[4] ‘105 procentseis te rigide’, Pensioen Bestuur & Management, nr. 4, 2005