Uw kostprijs en de Wet Arbeidsmarkt in Balans

0
3814

Uw kostprijs en de Wet Arbeidsmarkt in Balans
Marcel Reijmers
De WAB komt er echt!
Het is duidelijk: de Wet Arbeidsmarkt in Balans komt. Ook al is de manier waarop een en ander precies wordt vormgegeven nog niet bekend, het effect van de WAB op de kostprijs van uitzenden, detacheren en payrollen kan desondanks al tamelijk nauwkeurig worden berekend.

Naast de kostprijs raakt de WAB natuurlijk veel meer onderdelen van uw bedrijfsvoering. Daarom organiseren ARTRA, FlexKnowledge en VRF Advocaten in april op drie verschillende locaties in totaal zes seminars over de WAB. Tijdens die seminars komen alle aspecten van de WAB aan bod. Meer informatie vindt u hier.

6 februari, inleiding op versie 2:
Na de eerste publicatie van dit artikel op 4 februari heb ik veel reacties gehad. Eén ervan had betrekking op de 7,78% premie die voor alle werkgevers in plaats komt van de huidige premie sectorfonds. De vraag was of die nieuwe premie niet inclusief de huidige WW-premie van 3,6% zou kunnen zijn. Dat zou betekenen dat de kostprijsstijging minder wordt dan ik had berekend. En aan de andere kant: vast wordt ook flink goedkoper. En dit alles geldt voor reguliere werkgevers in min of meer dezelfde mate. De achtergrond daarvan zal ik in een vervolgartikel uitwerken.

De eerste gedachte was: dat zou dan toch wel duidelijker in het voorstel hebben gestaan? En waarom heeft de minister dat niet gebruikt als argument richting de werkgevers om aan te geven dat de kostenstijging wel meevalt? De tweede gedachte was dat het wellicht helemaal niet de bedoeling was dat dit iemand op zou vallen. Want de boodschap was toch: flex wordt veel duurder? En ik moet toegeven: ook ik ben erin getrapt. Flex wordt wel duurder en payroll wordt véél duurder, maar de stijging wordt wat minder.

Als je goed zoekt in de letterlijke teksten van de wetswijzigingen, dan wordt in de artikelen over de ‘gewone’ WW-premie gesproken over de hoge en lage premie en vervallen de artikelen over de premie Sectorfonds zoals we die nu kennen. Nadat ik dit met enkele experts heb besproken, zijn we tot de conclusie gekomen dat de WW-premie én de premie sectorfonds zoals die er nu nog zijn, in 2020 inderdaad worden vervangen door één premie die dan 2,78 of 7,78% zal zijn.

Op basis daarvan heb ik het artikel aangepast en het resultaat leest u hieronder.

De kostprijsfactor
In dit artikel kijk ik vooral naar het effect op de kostprijsfactor en veel minder naar het effect op de kostprijs in geld. De kostprijsfactor is het getal waarmee bruto bedragen worden vermenigvuldigd en bij elkaar leiden die tot de kostprijs in geld. Die factor is in sector 52 ongeveer 1,65 voor normale uren, 1,40 voor structurele toeslagen of vergoedingen zoals ADV en 1,30 voor overwerk en bruto vergoedingen, zoals een bonus. Een voorbeeld: Stel het uurloon is €10,- en er is € 0,50 ADV. De kostprijs in geld is dan (10 x 1,65) + (0,50 x 1,40) = 16,50 + 0,70 = € 17,20. De kostprijsfactor van het geheel (de ‘gewogen’ kostprijsfactor) is dan 17,20/10 = 1,72.

Het getal waar ik me in dit artikel op concentreer zijn de kostprijsfactoren voor de normale uren. In het voorbeeld dus die 1,65. Wat gaat dat worden ná de komst van de WAB?

De verschillende maatregelen
De WAB bevat een groot aantal maatregelen die niet op alle soorten dienstverlening in de flexbranche dezelfde impact hebben. Hieronder beschrijf ik de meest in het oog springende gevolgen.

In de WAB wordt het oproepcontract gedefinieerd. Dat zijn alle contracten die niet aan een de volgende voorwaarden voldoen: een vast aantal uren, een vast loon per periode en géén uitsluiting van de loondoorbetalingsverplichting. In de praktijk vallen dus bijna alle contracten in de flexbranche onder de definitie van oproepcontract. Het belangrijkste gevolg hiervan voor de kostprijs, is de loondoorbetalingsverplichting die (zoals het er nu naar uitziet ook in fase A, 1 en 2) gaat ontstaan als roosters kort van tevoren wijzigen of als er wordt afgezegd.

Een andere maatregel met forse impact is het afschaffen van de sectorindeling voor de premie Sectorfonds. Voor de Whk blijft de sectorindeling nog enkele jaren gehandhaafd. Voor de huidige premies komen er voor alle werkgevers twee verschillende terug: een lage premie van 2,78% en een hoge premie van 7,78%. Deze getallen heeft de minister 31 januari jl. tijdens het debat met de Tweede Kamer genoemd. Deze nieuwe premie komt in de plaats van de optelsom van de huidige premie Sectorfonds en de premie AWF (de WW-premie).

De lage premie mag alleen worden gebruikt als een contract geen oproepcontract is én voor onbepaalde tijd is afgesloten. Daarnaast is duidelijk beschreven wanneer met terugwerkende kracht alsnog de hoge premie geldt. Voor de flexbranche is dan vooral van belang dat als het werkelijke aantal uren meer dan 30% hoger is dan wat vooraf is afgesproken, er gecorrigeerd moet worden naar de hoge premie. Dus als er een contract wordt gegeven in fase C of 4 voor 24 uur per week en er wordt uiteindelijk meer dan 31,2 uur gemiddeld gewerkt, dan moet met terugwerkende kracht tot maximaal 12 maanden alsnog 5% extra premie worden betaald over het SV-loon.

Bovenstaande maatregelen gelden voor álle werkgevers, dus niet alleen voor uitleners. Voor de flexbranche komt daar het afschaffen van de sectorverloning nog bovenop. Dat betekent dat alle uitleners worden ingedeeld in sector 52, een maatregel die al in 2017 was aangekondigd. Waar uitleners in de vaksector nu misschien maar 1% premie Sectorfonds  en 3,6% WW-premie betalen, wordt dat volgend jaar samen bijna altijd 7,78%. En daar blijft het niet bij. De premie ZW-flex (onderdeel van de Werkhervattingskas) is in een vaksector gemaximeerd op 1,72% en in sector 52 op 8,48%. Dus een uitlener die nu het maximum van 1,72% betaalt, wordt volgend jaar met een éxtra stijging geconfronteerd, want dan gaat hij de échte schadelast betalen. Hoe hoog die is, staat vermeld op de beschikking van de Whk. Op basis van de vele kostprijsberekeningen die wij maken, schatten wij dat dit bij meer dan de helft van de bedrijven die nu in de vaksector verloont, zal spelen.

Voor payrollbedrijven heeft de minister aangekondigd dat die niet naar sector 52 gaan, maar naar sector 45. Voor de premie Sectorfonds maakt dat niet uit, want die wordt altijd 2,78 of 7,78%. Voor grote werkgevers (meer dan ong. 3,5 miljoen loonsom) is de premie Whk ook niet afhankelijk van de sector. De vraag die nu nog open staat, is of die 1,72% als maximum premie voor de ZW-flex blijft bestaan voor andere sectoren dan sector 52, of dat dat maximum gaat vervallen. Ik heb dat nog nergens zien staan, maar ik ben bang dat die gaat vervallen. Dus dat betekent dat er geen voordeel is van sector 45 boven 52 voor die grote uitleners.

Payrollbedrijven krijgen ook nog te maken met een fors uitgebreide inlenersbeloning. De meeste daarvan hebben vooral impact op de uiteindelijke kostprijs in geld, maar niet op de factoren. Dat geldt echter niet voor de pensioenpremie. Tijdens het debat is een motie ingediend om payrollbedrijven te verplichten minstens een werkgeverspremie te laten betalen die het gemiddelde is van alle pensioenpremies en er werd gesproken over 14%. Laten we ervan uitgaan dat dat de premie wordt, waar nu maximaal 8% geldt. Dit zijn bruto premies. Door de franchise wordt dat netto een lagere premie, maar het betekent wel een stijging tot 75%! Ervan uitgaande dat het werknemersdeel 1/3 van de totale premie blijft, stijgt de totale bruto pensioenpremie van 12 naar 21%. Ook de werknemer zal dat dus stevig voelen in zijn netto loon.

Voor payrollkrachten zullen ook meestal hogere percentages voor scholing en sociaal fonds gaan gelden (ook in fase B en C of 3 en 4!), maar dat effect kunnen we nog niet inschatten en hebben we in onze berekeningen dus niet meegenomen.

Een volgend effect op de kostprijs is de hogere voorziening die moet worden getroffen voor ziekte en leegloop. Payrollbedrijven krijgen te maken met het ketensysteem van de opdrachtgever en zullen dus veel langere contracten (moeten) aanbieden dan nu vaak gebeurt en dus worden de risico’s die moeten worden afgedekt, groter.

En als laatste de transitievergoeding. Waar we voor 2019 adviseerden met 1% voorziening te werken, wordt dat vanaf 2020 de volle 2,8%. Dat is het percentage van de loonsom dat je nodig hebt om straks vanaf dag 1 transitievergoeding te betalen. De reden dat wij 2,8% opnemen, is dat het in de praktijk heel lastig wordt om aan te tonen wie in fase A, 1 of 2 het initiatief heeft genomen om de overeenkomst te beëindigen. Ik ben bang dat de uitlener al snel aan het kortste eind zal trekken in een dergelijke discussie. Daarnaast hoor ik van juristen dat ze verwachten dat de transitievergoeding onderdeel wordt van de eindafrekening met de werknemer. Klein lichtpuntje is dat de scholing voortaan wel mag worden verrekend met de transitievergoeding, waar dat nu in de praktijk voor uitleners niet mogelijk is.

Het effect in getallen
Samengevat is het effect op de kostprijsfactor dus als volgt:

  • Beperkte leegloop in fase A, 1 en 2;
  • Een stijging van ongeveer 2% voor de WW-premie in sector 52 en nog veel forsere verhoging voor bedrijven die nu in een vaksector verlonen. Deze verhoging geldt echter ook voor veel reguliere werkgevers;
  • Waarschijnlijk veel hogere premie Whk voor bedrijven die nu in een vaksector verlonen;
  • 75% hogere pensioenpremie voor payrollers en mogelijk nog meer.
  • 2,8% transitievergoeding voor alle werknemers

Dit alles werkt natuurlijk door in de kostprijs in geld, waarbij payrollwerkgevers ook nog te maken krijgen met een veel uitgebreider pakket voor de beloning.

In onze berekeningen gaan we voor uitzenden uit van de waardes in fase A zonder uitzendbeding en basisregeling StiPP zoals die gelden voor 2019 en veranderen we voor 2020 in sector 52 alleen de combinatie van de huidige premie sectorfonds en WW-premie in 7,78%. Voor de vergelijking in de vaksectoren die volgend jaar naar sector 52 gaan, passen we de Whk voor 2020 aan naar de sectorale premie Whk zoals die dit jaar geldt voor sector 52, dus bij elkaar 6%, waarvan 0,575% door de werknemer wordt betaald. Voor het verzuim gaan we in zowel 2019 als 2020 uit van 3% en voor leegloop in fase A 0,5% na de invoering van de WAB.

Voor de factoren voor payrolling gaan we uit van fase B met Pluspensioen op basis van een bruto uurloon van € 12,50. Door de franchise komt dat overeen met een netto werkgeverspremie voor StiPP van 4%. Ook hier gaan we voor het verzuim uit van 3% en we hanteren 1% leegloop, maar voor contracten van langer dan een half jaar is dat waarschijnlijk te weinig.

In onderstaande tabel vergelijken we de kostprijsfactoren voor normale uren in sector 52 met de veel voorkomende vaksectoren 20 Havenbedrijf (magazijnwerkzaamheden), 45 Zakelijke dienstverlening III (administratief ondersteunend) en 51 Algemene industrie (inpakwerkzaamheden), zowel voor uitzenden in fase A zonder uitzendbeding als voor payrolling in fase B.

Sector 2019 2020 Verschil
Uitzenden
Fase A 52 1,6502 1,7047 3,30%
Fase A 20 1,5756 1,7047 8,19%
Fase A 45 1,5755 1,7047 8,20%
Fase A 51 1,5856 1,7047 7,51%
Payrolling
Fase B 52 1,6685 1,7482 4,78%
Fase B 20 1,5932 1,7482 9,73%
Fase B 45 1,5931 1,7482 9,74%
Fase B 51 1,6033 1,7482 9,04%

In bovenstaande berekeningen zijn we uitgegaan van de sectorale premies voor de Whk. Stel echter dat het gaat om een uitlener die nu in de vaksector is ingedeeld en die zijn verzuim(beleid) de afgelopen jaren heeft verwaarloosd. Die betaalt nu maximaal 1,72% voor de ZW-flex. Door de indeling in sector 52 vanaf 2020, kan die premie doorschieten naar 8,48%. Dat effect is hieronder uitgewerkt.

Sector 2019 2020 Verschil
Uitzenden
Fase A 52 1,6962 1,7510 3,23%
Fase A 20 1,5756 1,7510 11,13%
Fase A 45 1,5755 1,7510 11,14%
Fase A 51 1,5856 1,7510 10,43%
Payrollen
Fase B 52 1,7150 1,7949 4,66%
Fase B 20 1,6025 1,7949 12,01%
Fase B 45 1,6087 1,7949 11,57%
Fase B 51 1,6135 1,7949 11,24%

Het verschil in geld voor een payrollwerkgever
Bovenstaande stijging geldt alleen nog maar voor de factor. Maar stel dat het gaat om een payrollwerknemer in fase B met Pluspensioen die een bruto uurloon van € 12,50 heeft. Die werknemer kost in 2019 € 21,44. Stel dat de waarde van de aanvullende arbeidsvoorwaarden waar hij recht op krijgt 10% is en dat dat verdisconteerd moet worden in het uurloon. Dat stijgt dan naar € 13,75 en dat kost in 2020 ineens € 24,68. Een stijging van meer dan 15%. Wordt diezelfde werknemer nu nog in een vaksector verloond, dan stijgt de kostprijs zelfs meer dan 22%! En 10% extra loon heb je snel te pakken als er sprake is van bijvoorbeeld een 13e maand en een paar extra vakantiedagen.

Payrollen Sector 2019 2020 Verschil
Fase B 52 € 21,44 € 24,68 15,12%
Fase B 20 € 20,03 € 24,68 23,21%
Fase B 45 € 20,11 € 24,68 22,73%
Fase B 51 € 20,17 € 24,68 22,37%

 

Conclusie
De ruim 3% die uitzenden in fase A duurder wordt, geldt in vergelijkbare mate ook voor reguliere werkgevers en komt bijna volledig op het conto van de aanpassingen in de premie WW.

De éxtra stijging van de factoren tot ongeveer 12% komt vooral door het afschaffen van de sectorverloning en het daardoor (ook) wegvallen van de begrensde premie ZW-flex.

Voor payrollwerkgevers zal de stijging nóg veel meer worden, omdat ook de extra arbeidsvoorwaarden betaald moeten worden. Dan kan de stijging van de kostprijs in geld oplopen tot meer dan 22%.

Als een Kamerlid naar bovenstaande tabellen kijkt, zal zijn conclusie vast zijn: mission accomplished! Als een ondernemer naar bovenstaande tabellen kijkt zal hij denken: hier wordt een branche vermoord. De waarheid zal vast ergens in het midden komen te liggen. Eén ding staat echter vast: flex wordt duurder. En dan heb ik het nog niet eens gehad over de gevolgen van de WAB voor de backoffice payrollers….

Marcel Reijmers, directeur FlexKnowledge

Naast de kostprijs raakt de WAB natuurlijk nog veel mee onderdelen van uw bedrijfsvoering. Daarom organiseren ARTRA, FlexKnowledge en VRF Advocaten in april op drie verschillende locaties in totaal 6 seminars over de WAB. Tijdens die seminars komen alle aspecten van de WAB aan bod. Meer informatie vindt u hier.

Vorig artikelSieneke Maij wordt CFO van Brainnet
Volgend artikelDOORZAAM maakt uitzendkrachten duurzaam inzetbaar
Marcel Reijmers
Marcel Reijmers is eigenaar van FlexKnowledge. FlexKnowledge adviseert en begeleidt uit- en inleners bij vraagstukken rondom o.a. wet- en regelgeving in de flexbranche, kostprijzen, sectorindeling, inlenerbeloning, CAO's, arbeidsovereenkomsten, Algemene Voorwaarden en arbo- en verzuimbeleid. Hij wordt regelmatig ingeschakeld door gerenommeerde advocatenkantoren vanwege zijn diepgaande kennis van de branche en de raakvlakken tussen uitzenden en regulier arbeidsrecht. Ook doet hij bij overnames onderdelen van het due diligence onderzoek. Daarnaast is Reijmers eindredacteur van CAOWijzer en FlexWijzer van FlexNieuws waarvoor hij ook columns schrijft. Voor ARTRA Arbeidsmarktopleidingen ontwikkelt en verzorgt hij trainingen en van keesz.com is hij een van de initiatiefnemers en adviseur. Kernkwaliteit: vertalen van alle ingewikkelde wet- en regelgeving in deze branche naar bruikbare praktijk. Van 2008 tot 2013 heeft hij HelloFlex People ontwikkeld van concept tot een organisatie met 150 aangesloten intermediairs. In die rol heeft hij ook diverse intermediairs geadviseerd en begeleid bij het starten van hun bedrijf. Eerder in zijn loopbaan heeft Reijmers 13 jaar bij de Luba Groep gewerkt, waarvan de laatste 7 jaar als manager Organisatie & Kwaliteit. Onderdeel van die functie was het ontwikkelen en geven van trainingen op het gebied van de CAO en wet- en regelgeving. Als projectmanager namens Luba is hij verantwoordelijk geweest voor de ontwikkeling en daaropvolgende implementatie van FlexService software. Samen met UWV Leiden heeft hij in 1999 aan de wieg gestaan van de huidige manier van verzuimbegeleiding in de uitzendbranche. Ook heeft hij geparticipeerd in diverse projecten bij de ABU en STAF over arbo- en verzuimbeleid en was hij lid van verschillende commissies.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here