Inlenersbeloning verandert de flexbranche

67
23360

Inlenersbeloning verandert de flexbranche

‘Gelijk werk, gelijk loon’ is het belangrijkste thema van de vakbonden in de CAO-onderhandelingen. Het gevolg is dat flexkrachten eerder recht hebben op hetzelfde loon en emolumenten als de vaste medewerkers. Intermediairs moeten dus rekening gaan houden met de ‘kostprijs’ van de CAO waar de inlener onder valt, en kunnen niet meer uitgaan van de vaak lagere kostprijs van de ABU-CAO. Gezien de complexiteit van de inlenersbeloning lijkt het aannemelijk dat intermediairs zich zullen specialiseren per CAO en dat algemene intermediairs terrein zullen verliezen.

Wat is inlenersbeloning?
Een flexkracht heeft recht op dezelfde arbeidsvoorwaarden als een werknemer die rechtstreeks in dienst is bij het inlenende bedrijf. Dit komt voort uit de Europese richtlijn betreffende uitzendarbeid [1]. Deze richtlijn legt regels vast voor bemiddeling van arbeid door intermediairs [2]. De zogenaamde essentiële arbeidsvoorwaarden van de flexkracht dienen ten minste gelijk te zijn met die van de werknemer in een gelijke of gelijkwaardige functie bij de inlener. Onder essentiële arbeidsvoorwaarden wordt verstaan:

  •  loon en overige vergoedingen;
  • arbeidstijden, overuren, rusttijden, nachtarbeid, pauzes, de duur van vakantie en het werken op feestdagen.

Inlenersbeloning betreft dus niet alleen het loon, maar ook andere emolumenten zoals vakantie-uren en bedrijfsvoorzieningen en diensten met betrekking tot kantines, kinderopvang- en vervoersfaciliteiten etc. Voor intermediairs is het daarom van groot belang om kennis te hebben van de inleners-CAO. Heeft een intermediair deze kennis niet en past hij de inlenersbeloning niet juist toe dan is het risico dat de flexkrachten te weinig vergoeding krijgen en de vakbonden een actie starten zoals vorig jaar bij Honeywell [3] is gebeurd.

Honeywell valt onder de CAO Metalektra. In deze CAO staat dat de beloningsparagrafen ook van toepassing zijn op flexkrachten. Met de publicitaire actie had de FNV tot doel om dit ook te realiseren, iets dat niet het geval was bij de meeste uitzendkrachten. Met als gevolg dat de betrokken intermediairs, zelfs met terugwerkende kracht, tot wel 25% extra loon moesten vergoeden. Het lijkt logisch dat de uiteindelijke rekening daarvan wordt neergelegd bij Honeywell [4].

Inlenersbeloning aanvullend op de Uitzend-CAO?
Bij CAO kan van de inlenersbeloning worden afgeweken [5]. De ABU-CAO maakt gebruik van deze mogelijkheid in de eerste 26 weken van de uitzendarbeid [6]. Intermediairs die aangesloten zijn bij de NBBU volgen vanaf dag één de inlenersbeloning, ook als dit niet geregeld is in de inleners-CAO.

Zowel de ABU-CAO als de NBBU-CAO is een zogeheten minimum-CAO. Dit houdt in dat de CAO een minimum regelt, waarbij de werkgever en werknemer gunstigere afspraken overeen mogen komen.

Er zijn echter steeds meer inleners-CAO’s waar de beloning ook geldt voor de flexkrachten. Als dit het geval is en de flexkracht wordt door een ABU-intermediair te werk gesteld bij de inlener, waar de beloningscomponenten gunstiger voor de flexkracht uitvallen dan de ABU-CAO, dan kan hij zich verder ook beroepen op de eventuele gunstigere bepalingen uit de inleners-CAO. De flexkracht kan zich hierop niet rechtstreeks beroepen bij de inlener [7]. De flexkracht is immers in dienst bij de intermediair. Om de bepalingen uit de inleners-CAO te laten doen gelden kan de flexkracht zich wenden tot de vakbond. Deze kan, zoals ook bij Honeywell het geval was, de flexkrachten vertegenwoordigen en collectief naleving eisen bij de inlener [8].

Intermediairs die aangesloten zijn bij de ABU kunnen er voor kiezen om vanaf de eerste werkdag de inlenersbeloning toe te passen. De reden waarom ze hier niet vaak voor kiezen is dat de beloningsregeling uit de ABU-CAO over het algemeen minder kosten met zich meebrengt dan de inlenersbeloning.

In de nieuwe ABU-CAO 2012-2017 wordt per 1 januari 2015 gedeeltelijk afscheid genomen van de eigen beloningsregeling. Vanaf deze datum moet de inlenersbeloning worden toegepast “met ingang van de eerste werkdag bij de inlener” [9]. De eigen beloningsregeling blijft echter behouden voor vier groepen flexkrachten [10] :

  1. Flexkrachten waarvoor de intermediair een opstapfunctie heeft (bijvoorbeeld ww- en wao- gerechtigden, schoolverlaters, herintreders en vakantiekrachten.)
  2. Flexkrachten waarvoor de intermediar een transitiefunctie heeft, van werk naar werk.
  3. Flexkrachten waarvoor niet vast te stellen is wat een vergelijkbare werknemer in een gelijkwaardige functie zou verdienen, omdat die niet aanwezig zijn bij de inlener.
  4. Flexkrachten die voor onbepaalde tijd in dienst zijn bij de intermediair.

Wat verstaan de Uitzend-CAO’s onder inlenersbeloning?
Zowel de ABU- als de NBBU-CAO verstaan onder inlenersbeloning het loon, pauzes, arbeidsduurverkorting [11], kostenvergoedingen, toeslagen (waaronder feestdagen toeslag), initiële loonstijging en periodieken. Deze ‘definitie’ is echter niet allesomvattend [12] en betreft bijvoorbeeld niet de duur van de vakantie en het werken op feestdagen. De Uitzend-CAO’s laten dus niet alle essentiële arbeidsvoorwaarden onder de inlenersbeloning vallen en maken daarmee gebruik van de wet om af te wijken bij CAO.
Pensioenopbouw valt niet onder loon en overige vergoedingen en het is daarmee niet verplicht om de opbouw van de inlener te volgen. Het kan echter wel zijn dat flexkrachten onder de pensioenregeling van de inlener, en dus niet onder de StiPP vallen, wanneer de inleners-CAO dit bepaalt. Denk aan bijvoorbeeld vakkrachten in de bouw [13] en de payrollkrachten in de schoonmaakbranche [14].

Hoe ingewikkeld is de inlenersbeloning?
De trend is dat steeds meer inleners-CAO’s de bepaling bevatten dat de beloningsparagrafen ook geldig zijn voor flexkrachten. Eén van de grootste CAO’s in Nederland, de CAO Metalektro, is hier een voorbeeld van [15].
Wanneer flexkrachten ter beschikking worden gesteld aan bedrijven die vallen onder de werkingssfeer van de CAO Metalektro dan dient bij de beloning onder andere rekening gehouden te worden met:

  • loon volgens de functieclassificatie ISF of bijlage F van de CAO;
  • ploegentoeslag van 13,3% bij tweeploegendienst en 15% bij drieploegendienst, maar wanneer er bij de inlener zowel in twee- als drieploegendienst wordt gewerkt dan kan er één percentage worden vastgesteld [16];
  • vakantietoeslag van 8% en opbouw van 1 juli t/m 30 juni. Vermeerderd met de ploegentoeslagpercentages;
  • toeslag verzwarende omstandigheden;
  • 216 vakantie-uren en extra vakantie-uren voor flexkrachten ouder dan 40 jaar;
  • mogelijkheid tot verkopen van bovenwettelijke vakantiedagen in tijd of geld;
  • 104 roostervrije uren en indien dit lager wordt vastgesteld dan wordt het salaris verhoogd met 0,383% [17];
  • dienstrooster;
  • overuren, rekeninghoudend met minimaal 11 uren waarna het werk mag worden hervat, eenmaal is inkorting tot 8 uren wel toegestaan [18];
  • aanspraak op compenserende vrije uren of vergoeding als compensatie voor overuren. Er gelden verschillende toeslagen voor overuren;
  • eenmaal per 5 jaar een vergoeding test Erkenning Verworven Competenties (EVC) met maximum van € 850,-;
  • mogelijkheid tot tijdsparen van maximaal 12 roostervrije dagen aanwenden voor pensioenvoorziening, rekeninghoudend met een aantal beperkingen;
  • vergoeding reis- en verblijfkosten waaronder een bijzondere reistijdvergoeding voor reistijd buiten de normale werkdag [19];
  • vergoeding koffie- en lunchgelden;
  • 2 opleidingsdagen.

Bovenstaande zaken zijn hier slechts summier uitgewerkt. Diepgaande kennis van en ervaring met deze CAO is dan ook noodzakelijk om geen fouten te maken bij de beloning van flexkrachten.

Trend: intermediairs zullen zich steeds meer specialiseren
De consequentie van deze toch redelijk complexe inlenersbeloning is dan ook dat naarmate er meer CAO’s zijn als de Metalektro, intermediairs zich meer en meer zullen gaan specialiseren per sector.

De intermediair moet niet alleen actuele kennis hebben van de betreffende inleners-CAO, maar ook de backoffice moet gereed zijn om deze beloningselementen, met vaak specifieke verloning, te kunnen verlonen.

Het is daarom denkbaar dat er straks bijna geen ‘algemene’ intermediairs meer bestaan, maar alleen bureaus die gespecialiseerd zijn in één of hooguit een beperkt aantal inleners-CAO’s.

De vraag is echter of de vakbonden de trend kunnen doorzetten om de beloningselementen in de circa 1.000 CAO’s die Nederland rijk is de komende jaren ook van toepassing te verklaren op flexkrachten.

Gezien het huidig economisch klimaat zal het de vakbonden in elk geval niet lukken om een forse loonsverhoging af te dwingen voor het vaste personeel, daarom bestaat de kans dat de aandacht van de vakbonden zich de komende jaren vooral zal richten op de eis dat de beloningsparagraaf niet alleen geldig is voor de vaste werknemer maar ook voor de flexkracht.
Niet voor niets is een van de belangrijkste thema’s van de vakbonden ‘gelijk werk, gelijk loon’. De kans dat deze trend door zal zetten is groot.
Daar staat echter weer tegenover dat de ABU-CAO de eigen beloningsregeling gedeeltelijk zal verlaten per 1 januari 2015. Dat vermindert de noodzaak voor de vakbonden om de beloningsparagraaf van de inleners-CAO ook van toepassing te laten zijn op flexkrachten.

Flexkrachten zijn niet meer goedkoper dan vast personeel
Doordat de beloningsemolumenten in een inleners-CAO steeds vaker ook van toepassing zijn op flexkrachten, valt het argument weg dat flexkrachten goedkoper zijn dan vaste krachten.

Dit zal een groot effect hebben op het uitzendvolume in Nederland. Immers, inleners kunnen geen kosten meer besparen door vast personeel in te ruilen door flexkrachten.

Een mogelijk gevolg van de vakbondstrijd voor ‘gelijk werk, gelijk loon’ is dat uitzenden weer terug is waar het ooit begon, namelijk voor het opvangen van piek en ziekte.

Controle op toepassing inlenersbeloning
De SNCU, de CAO-politie van de flexbranche, ziet toe op de naleving van de Uitzend-CAO’s [20]. Hierbij kijkt de SNCU naar de krachtens de CAO’s geldende arbeidsvoorwaarden in samenhang met andere wettelijke bepalingen. Peter Loef, directeur van de SNCU, bevestigt dat de inlenersbeloning onder het aandachtsgebied van de SNCU valt, omdat het onderdeel is van de Uitzend-CAO’s. De SNCU controleert echter alleen de gebonden intermediairs. Dat zijn op dit moment alleen de ABU- en NBBU-leden. Pas als de ABU-CAO algemeen verbindend is verklaard, iets dat nog niet zeker is, zal de SNCU ook niet-gebonden intermediairs controleren.
De rol van de SNCU is op dit moment dus beperkt aangezien de ABU-CAO niet algemeen verbindend verklaard (AVV) is en het nog maar de vraag is of dat gaat gebeuren. De nieuwe ABU-CAO ligt op dit moment niet ter visie bij het ministerie van SZW.

Oplettendheid geboden
Flexkrachten ter beschikking stellen op basis van de ABU-CAO en er dan maanden later door de vakbonden op gewezen worden dat de beloningsparagraaf van de inleners-CAO geldt, en niet die van de ABU-CAO, kan aardig in de papieren lopen. De Honeywell case bewijst dit.
Een lastige situatie, die standaard zal optreden als de consulent een offerte maakt op basis van de ABU beloningstabellen en zich niet bewust is dat de inlener valt onder een CAO waar de dezelfde beloning geldt voor de flexkrachten.

Bij het maken van offertes moet een intermediair weet hebben welke bepalingen van welke CAO van toepassing zijn op de flexkrachten die hij te werk stelt. Welke van de ABU-CAO, NBBU-CAO en/of die van de inleners-CAO? Waar haalt de consulent deze informatie vandaan? Is deze informatie überhaupt wel beschikbaar? Wanneer de inleners-CAO een bepaling heeft waarin dezelfde beloning geldt voor flexkrachten als voor de medewerkers die bij de intermediair in dienst zijn is er vaak ook een vergewisbepaling opgenomen. Deze bepaling verplicht de inlener om zich ervan te vergewissen dat de beloning, geldend vanuit de inleners-CAO, wordt toegepast. Om dit te bewerkstelligen dient de inlener de intermediair te vergewissen van de van toepassing zijnde bepalingen in de inleners-CAO, maar in praktijk gebeurt dit niet altijd. Wanneer de flexkrachten er weet van krijgen dat zij niet de juiste beloning ontvangen zullen zij zich wenden tot de vakbonden om alsnog de juiste beloning te ontvangen.

Informatie is niet beschikbaar
Het is als intermediair, en zeker als consulent ondoenlijk om kennis te hebben van alle beloningsparagrafen van de circa 1.000 CAO’s die Nederland rijk is. Het is zelfs ondoenlijk om kennis van een tiental inleners-CAO’s op te bouwen. Daarnaast wijzigen deze CAO’s continu, met name de bepalingen rondom de beloning.
De flexbranche heeft een database nodig waarin voor alle belangrijke inleners-CAO’s de arbeidsvoorwaarden zijn uitgewerkt. Deze database moet per functie(categorie) inzicht geven in de uurlonen waar een flexkracht recht op heeft. Dat wil zeggen dat de maandlonen omgerekend moeten zijn naar de uurlonen [21]. In deze database moeten ook – op uurbasis – de toeslagen, vergoedingen en periodieken beschikbaar zijn.
De afgelopen jaren heeft de FSGroep, bekend van de bedrijfssoftware FlexService, structureel geïnvesteerd in het opbouwen van kennis op het gebied van inlenersbeloning. Het uiteindelijke doel is de FlexService software geschikt te maken voor het juist toepassen en het automatisch verwerken van de inlenersbeloning. Dit heeft geresulteerd in de Stichting CAOWijzer. Deze stichting [22] stelt een openbaar toegankelijke database beschikbaar met daarin alle CAO-teksten die Nederland rijk is. De CAOWijzer voldoet aan een grote behoefte, de database wordt inmiddels door meer dan 50.000 unieke bezoekers per maand geraadpleegd. Begin 2013 zal de FSGroep de openbaar raadpleegbare app “CAOWijzer” introduceren, met daarin opgenomen de inlenersbeloning voor de belangrijkste inleners-CAO’s.

Conclusie: Intermediair wordt specialist
Er gaat een verschuiving plaatsvinden in de flexmarkt. Vanaf 1 januari 2015 wordt de inlenersbeloning vanuit de ABU-CAO direct verplicht toegepast. Steeds vaker is de inleners-CAO van toepassing voor de beloning van flexkrachten. Inzicht hebben in de actuele situatie van een inleners-CAO is niet eenvoudig, laat staan het kunnen verlonen van al deze inleners-CAO’s.
Gegeven de complexiteit van de inlenersbeloning zal een intermediair zich waarschijnlijk gaan specialiseren. Dit heeft tot gevolg dat de algemene en vaak regionaal opererende intermediairs markt zullen kwijt raken aan deze gespecialiseerde intermediairs.

Voetnoten

  1. Richtlijn 2008/104/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende uitzendarbeid.
  2. Naar aanleiding van de Europese uitzendrichtlijn is in Nederland de Wet allocatie arbeid door intermediairs (WAADI) aangepast. De aanpassing in de WAADI betreft bepalingen dat de flexkracht recht heeft op dezelfde essentiële arbeidsvoorwaarden die de inlener vergoedt aan een werknemer..
  3. https://www.flexnieuws.nl/2012/08/12/uitzendkrachten-honeywell-maken-grote-loonsprong/#.UNwlxawrd8E.
  4. CAO Metalektro 2011-2013 Artikel 9.2 – Niet in dienst zijnde werknemers lid 5.
  5. Zie de Richtlijn 2008/104/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende uitzendarbeid, art. 5 Het beginsel van gelijke behandeling lid 3. Zie ook de Memorie van toelichting op de Wijziging van de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs en de Wet op ondernemingsraden in verband met de implementatie van de Richtlijn 2008/104/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende uitzendarbeid.
  6. De eerste 26 heeft de intermediair de keuze om de beloningsregeling uit de ABU-CAO toe te passen of ook de inlenersbeloning.
  7. Uitzondering op deze regel is dat de beloning van flexkrachten die vallen onder de vakkrachtenregeling van de inlener, directe werking heeft en de flexkracht zich hierop kan beroepen bij de intermediair. De inleners-CAO kan specifieke bepalingen bevatten met betrekking tot de beloning van vakkrachten. De betrokken CAO-partijen bij de inleners-CAO kunnen de Beloningscommissie van de ABU-CAO verzoeken die bepalingen toe te passen. CAO voor Uitzendkrachten 2012-2017 art. 20 Vakkrachten
  8.  CAO Metalektro 2011-2013 art. 9.2 – Niet in dienst zijnde werknemers / Niet in dienst zijnde werknemers lid 5. verplicht de inlener zich ervan te vergewissen dat de flexkrachten de inlenersbeloning ontvangen.
  9. CAO voor Uitzendkrachten 2012-2017 art. 19 punt 5 Inlenersbeloning.
  10. CAO voor Uitzendkrachten 2012-2017 Protocol D Aanpassingen met ingang van 2015, lid II. Eigen loongebouw voor specifieke groepen.
  11. CAO voor Uitzendkrachten 2012-2017 art. 19 punt 5 Inlenersbeloning b. 2 Deze kan ter keuze van de intermediair gecompenseerd worden in tijd en/of geld. CAO voor Uitzendkrachten (NBBU) art. 22 Uurbeloning en vergoedingen punt 2. Deze kan ter keuze van de intermediair gecompenseerd worden in tijd en/of geld.
  12. In de ABU-CAO zijn de arbeids- en rusttijden in beginsel gelijk aan de bij de inlener geldende regels. De ABU-CAO heeft echter ook opgenomen dat er een afwijkend arbeidspatroon overeen gekomen kan worden voor de flexkracht. Aangezien de ABU-CAO dit niet onder de definitie inlenersbeloning laat vallen is dit gedurende de gehele looptijd van de overeenkomst met de flexkracht geldig. De ABU hanteert niet de inlenersbeloning voor bijzonder verlof. Voor uitzendovereenkomsten met uitzendbeding geldt dat er een aanvulling voor bijzonder verlof en kort verzuim wordt opgebouwd. Voor detacheringovereenkomsten geldt dat er aanspraak is op doorbetaling van het loon, voor zover er normaal gesproken gewerkt zou zijn. Onder bijzonder verlof verstaat de ABU-CAO limitatief: ondertrouw, huwelijk, gezinsuitbreiding, overlijden van familie en een langdurig dienstverband. Verder is het mogelijk dat de intermediair, de flexkracht in Fase C, buitengewoon verlof toekent met of zonder behoud van loon, wanneer de omstandigheden dat rechtvaardigen.  In de NBBU-CAO is het de flexkracht de eerste twee maanden niet toegestaan vakantie op te nemen, tenzij dit voorafgaand met de intermediair wordt overeengekomen. Ook de NBBU-CAO kent de mogelijkheid dat er een afwijkend arbeidspatroon overeen gekomen kan worden voor de flexkracht. Tevens hanteert de NBBU niet de inlenersbeloning voor bijzonder verlof. Onder bijzonder verlof verstaat de NBBU-CAO limitatief: ondertrouw, huwelijk, gezinsuitbreiding, overlijden van familie, afleggen examens en verhuizing.
  13. CAO voor de Bouwnijverheid 2012 Artikel 85a: Pensioenregeling. Onder bepaalde voorwaarden kan er verplichte deelname in het Bedrijfstakpensioenfonds voor de Bouwnijverheid gelden voor de vakkrachten.
  14. CAO in het schoonmaak- en glazenwassersbedrijf 2012-2013 Artikel 5 Uitzendbureaus/Payroll lid 4. Onder bepaalde voorwaarden kan er verplichte deelname in het Bedrijfstakpensioenfonds voor het Schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf gelden voor de payrollkrachten.
  15. CAO Metalektro 2011-2013 Artikel 9.2 – Niet in dienst zijnde werknemers.
  16. CAO Metalektro 2011-2013 Artikel 4.12 – Betaling van arbeid in ploegen.
  17. CAO Metalektro 2011-2013 Artikel 3.1 – Aanpassing van het aantal roostervrije dagen, lid 2.
  18. CAO Metalektro 2011-2013 Artikel 3.8 – Overwerk, lid 3.
  19. CAO Metalektro 2011-2013 Artikel 8.1 – Karweiwerkzaamheden, lid 3.
  20. Hieronder worden de ABU- en NBBU-CAO verstaan. Zie de Statuten Stichting Naleving CAO voor Uitzendkrachten SNCU art. 1. Begripsbepalingen f. en art. 3. Doel.
  21. Het terugrekenen van maandlonen naar uurlonen is complex, want deze berekening is vaak CAO specifiek.
  22. www.caowijzer.nl