loading
views

Ontslag wegens indienen WOB-verzoeken bij klanten werkgever

Ontslag werkneemster wegens indienen WOB-verzoeken bij klanten werkgever

Werkneemster in deze zaak is op 1 september 2007 in dienst getreden bij werkgever in de functie van juridisch specialist. Werkgever is een dienstverlener voor onder meer juridische zaken. Vele gemeenten en provincies zijn (potentiële) klanten van werkgever en worden door de medewerkers van werkgever onder meer worden ondersteund bij werkzaamheden met betrekking tot WOB-verzoeken.
Werkneemster heeft per e-mail 412 WOB-verzoeken ingediend bij alle Nederlandse gemeenten en provincies. Werkneemster heeft bij de verzoeken gebruik gemaakt van niet-bestaande verzoekers en een op haar naam geregistreerd bedrijf.

Werkgever ontvangt van een van haar klanten, de gemeente Ermelo, het bericht dat werkneemster via een op haar naam geregistreerd bedrijf vele WOB-verzoeken heeft ingediend. Vermoed wordt dat werkneemster misbruik wilde maken van de in verband met de WOB-verzoeken geldende ‘wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen’ om dwangsommen te kunnen incasseren. Werkgever stelt werkneemster op non-actief en verzoekt de kantonrechter de arbeidsovereenkomst te ontbinden wegens een dringende reden.

Verzoek werkgever
Werkgever vraagt, vanwege de aard en de omvang van de door werkneemster ingediende WOB-verzoeken en de omvang van de schade die daarmee aan werkgever zou kunnen worden toegebracht, op grond van een dringende reden ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de kortst mogelijke termijn. Werkgever stelt tenslotte dat werkneemster heeft gehandeld in strijd met de bij werkgever geldende gedragsregels en het verbod op nevenactiviteiten, zoals overeengekomen in de arbeidsovereenkomst.

Verweer werkneemster
Werkneemster vraagt de kantonrechter het ontbindingsverzoek af te wijzen, dan wel aan haar een ontslagvergoeding ter hoogte van € 20.016,– toe te kennen. Werkneemster voert hiertoe aan dat zij slechts heeft gehandeld vanuit ideële motieven en niet uit was op het incasseren van dwangsommen. Daarbij merkt werkneemster op dat de door haar gestelde vragen eenvoudig van aard waren, de verzoeken niet veel werk hoefden op te leveren voor de gemeenten en provincies en het ging om een persoonlijk initiatief dat los staat van werkgever.
Werkneemster voert verder aan dat uit het feit dat de verzoeken werden gedaan namens een niet-bestaande verzoeker, reeds bleek dat het haar niet om de incassering van dwangsommen te doen was.
Tot slot betoogt werkneemster dat werkgever haar kent als een goede en toegewijde medewerkster en dat werkgever dan ook niet kan menen dat het medewerkster te doen was om eigen financieel gewin of beschadiging van werkgever.

Oordeel kantonrechter
De kantonrechter constateert dat de WOB-verzoeken van werkneemster alleen al door het aantal specifieke vragen omvangrijk zijn, waardoor de indruk kan worden gewekt dat ze erop zijn gericht dat de beantwoording niet binnen de daarvoor gestelde termijnen zal kunnen plaatsvinden en dus bedoeld zijn om misbruik te maken van de mogelijkheid om dwangsommen te incasseren. Daarnaast overweegt de kantonrechter dat van werkneemster, ook al had zij goede bedoelingen met de verzoeken, niet te begrijpen is dat zij ten aanzien van haar WOB-verzoeken geen open kaart heeft gespeeld maar ervoor heeft gekozen om de WOB-verzoeken namens een niet-bestaande verzoeker in te dienen.

De kantonrechter rekent het werkneemster in het bijzonder aan dat juist vanwege haar opleiding, ervaring en betrokkenheid bij werkgever van haar verwacht zou mogen worden dat zij zich zou realiseren dat het risico bestond dat haar verzoeken in verband zouden worden gebracht met werkgever. Daarnaast had werkneemster zich moeten realiseren dat haar verzoeken verband houden met haar werkzaamheden bij werkgever en betrekking hebben op klanten van werkgever. De kantonrechter verwijt werkneemster verder dat zij haar leidinggevende niet over de verzoeken heeft ingelicht, waardoor werkgever van een klant heeft moeten vernemen waar zij mee bezig was. De kantonrechter concludeert dat werkgever bij haar klant in een kwaad daglicht is komen te staan en dat de verzoeken haar minimaal een opdracht hebben gekost. De kantonrechter merkt op dat het gedrag van werkneemster zelfs reden had kunnen zijn voor ontslag op staande voet. De kantonrechter concludeert dan ook dat sprake is van een dringende reden en gaat over tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst, zonder toekenning van een ontbindingsvergoeding aan werkneemster.

Bron: Rechtbank Gelderland, 11 november 2013, AR 2013-0943

Voor meer informatie over de uitspraak of over Van Diepen van der Kroef Advocaten: stuur een email naar mw. mr. Marijke Oosterom Van Diepen Van der Kroef Den Haag, tel. 070 360 3151 of naar mw. mr. Babs Dubois – Van Kleef Van Diepen Van der Kroef Haarlem, tel. 023 542 42 92.

Gerelateerd nieuws


Meer uit deze rubriek