loading
views

Concurrentiebeding rechtsgeldig overeenkomen en nageleefd?

In de onderhavige zaak oordeelde de voorzieningenrechter dat het onvoldoende aannemelijk is dat er tussen werkgever en werknemer een concurrentiebeding is overeengekomen, zeker nu deze in de arbeidsovereenkomst is doorgestreept. Bovendien is er geen sprake van onrechtmatige concurrentie aangezien er geen sprake is van het stelselmatig en substantieel afbreken van het duurzame bedrijfsdebiet van werkgever.

Feiten
Werknemer is sinds 2 januari 2001 werkzaam als directeur bij werkgever. Bij zijn indiensttreding is tussen werknemer en werkgever een schriftelijke arbeidsovereenkomst opgemaakt, waarin een concurrentiebeding staat. Op 3 november 2012 is werknemer vervolgens benoemd als algemeen directeur. Deze benoeming vond plaats tijdens de algemene vergadering van aandeelhouders. In deze vergadering zijn de bepalingen ten behoeve van de nieuwe arbeidsovereenkomst van werknemer door de aandeelhouders goedgekeurd. De nieuwe bepalingen hielden o.a. in dat er een geheimhoudingsplicht en een ander concurrentiebeding in de arbeidsovereenkomst zouden worden opgenomen. O.a. deze punten zouden door de advocaat van werkgever in een nieuwe arbeidsovereenkomst worden uitgewerkt. Deze uitwerking is vervolgens achterwege gebelven, zodat er geen nieuwe schriftelijke arbeidsovereenkomst tussen partijen is gesloten.

Werknemer wordt vervolgens op 15 mei 2012 op non-actief gesteld en op 18 mei 2012 bij brief gesommeerd om de relaties van werkgever niet (meer) te benaderen. Vervolgens wordt op 14 september 2012 de arbeidsovereenkomst met werknemer door de kantonrechter ontbonden op grond van een dringende reden, omdat werknemer herhaaldelijk privé-uitgaven voor rekening van werkgever had laten komen. Ook na de ontbinding van de arbeidsovereenkomst is door de advocaat van werkgever met werknemer gecorrespondeerd en is werknemer aangesproken op het niet naleven van zijn concurrentiebeding nu een belangrijke relatie van werkgever zou zijn overgestapt naar de nieuwe onderneming van werknemer. Deze klant zou door werknemer zijn benaderd.

Werkgever
Werkgever stelt zich op het standpunt dat werknemer door de oprichting van een concurrerende onderneming het overeengekomen concurrentiebeding overtreedt, dan wel dat er sprake is van onrechtmatige concurrentie. Ten aanzien van het concurrentiebeding beroep werkgever zich op de arbeidsovereenkomst van 2 januari 2001 nu er na 3 november 2012 geen nieuwe arbeidsovereenkomst is opgemaakt. Ter onderbouwing daarvan legt werkgever de voornoemde arbeidovereenkomst waarin het concurrentiebeding is opgenomen over. Het artikel waarin het concurrentiebeding is opgenomen is echter geheel doorgestreept. Werkgever stelt zich op het standpunt dat werknemer dit achteraf en zonder medeweten van werkgever heeft doorgehaald. Ten aanzien van de onrechtmatige concurrentie voert werkgever aan dat werknemer in het eerste half jaar van 2012 heeft getracht werkgever stelselmatig te ondermijnen door o.a. klanten te bewegen op te zeggen, en ervoor te zorgen dat de werkzaamheden wel gedaan zouden worden, maar niet te goed. Werknemer heeft hierbij het doel gehad om de omzet van werkgever te laten verminderen zodat de koopprijs voor de overname van de aandelen van werkgever, zou dalen. Werkgever heeft haar stellingen onderbouwd met diverse verklaringen van personeelsleden van werkgever.

Werknemer
Werknemer voert verweer en stelt dat er nimmer een concurrentiebeding is overeengekomen, hetgeen ook blijkt uit de doorhaling. Werknemer betwist ook dat hij het beding achteraf zou hebben doorgestreept. Ook voert werknemer gemotiveerd verweer ten aanzien van het voeren van onrechtmatige concurrentie, nu hij hierbij geen belang had, omdat hij juist de aandelen van werkgever wilde overnemen.

Voorzieningenrechter
De voorzieningenrechter oordeelt dat werkgever er niet in is geslaagd het bestaan van het concurrentiebeding aannemelijk te maken, hetgeen ook geldt voor het doorhalen van het artikel in de arbeidsovereenkomst. Dat werkgever steeds de intentie heeft gehad om een concurrentiebeding met werknemer overeen te komen is onvoldoende zwaarwegend. Ook het feit dat alle pagina’s van de arbeidsovereenkomst door werknemer zijn voor zien van zijn paraaf en de doorhaling van het concurrentiebeding niet, levert onvoldoende grond om aan te nemen dat het concurrentiebeding naderhand is doorgestreept. Deze vordering van werkgever wordt dan ook afwezen.

Ten aanzien van de onrechtmatige concurrentie overweegt de voorzieningenrechter dat een werknemer die niet gebonden is aan een concurrentiebeding, na afloop van zijn dienstverband in beginsel de vrijheid heeft om zelf een onderneming te starten. Deze vrijheid is echter aan zekere grenzen gebonden. Er is kan pas worden gesproken van onrechtmatige concurrentie als sprake is van bijkomende omstandigheden. Inhoudende dat de ex-werknemer het duurzame bedrijfsdebiet van zijn voormalig werkgever stelselmatig en substantieel afbreekt en daarbij gebruik maakt van kennis en gegevens die hij bij zijn voormalig werkgever vertrouwelijk heeft verkregen. Het stelselmatig en substantieel afbreken van het bedrijfsdebiet veronderstelt actief optreden van de voormalig werknemer in de zin van stelselmatige benadering door de ex-werknemer van relaties die duurzaam met de voormalig werkgever zijn verbonden. In dit kader zijn de door werkgever overgelegde verklaringen van voldoende gewicht voor in ieder geval het vermoeden dat werknemer het plan had opgevat om een concurrerend bedrijf te beginnen en dat werknemer in dit kader ook diverse klanten heeft aangezet tot het opzeggen van de overeenkomst met werkgever. Echter, nu op één na alle opzeggingen zijn teruggedraaid en werkgever nog steeds contracten heeft bij alle bedrijven die indertijd hebben opgezegd, is het feit dat één klant van werkgever is overgestapt onvoldoende grond voor het oordeel dat werknemer op onrechtmatige wijze stelselmatig en substantieel het duurzame bedrijfsdebiet van werkgever af te breken.

De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van werkgever dan ook af.

Bron: Voorzieningenrechter Rechtbank Oost-Nederland zittingsplaats Arnhem, 27 februari 2013, LJN BZ6422

Voor meer informatie over de uitspraak of over Van Diepen van der Kroef Advocaten: stuur een email naar mw. mr. Marijke Oosterom Van Diepen Van der Kroef Den Haag, tel. 070 360 3151 of met mw. mr. Babs Dubois – Van Kleef Van Diepen Van der Kroef Haarlem, tel. 023 542 42 92.

Gerelateerd nieuws


Meer uit deze rubriek