loading
views
0 reacties
Rein Leyenhorst

Flexibele arbeidsmarkt, flexibele scholing

Ir. Rein Leyenhorst heeft zich gespecialiseerd in Flexicurity. Hij is bedrijfskundige, voormalig hogeschooldocent en onderwijsontwikkelaar bij verschillende hogescholen. Vanuit het lectoraat Flexicurity van de Hanzehogeschool Groningen heeft hij onderzoek gedaan naar uitzendbureaus als co-maker voor onderwijsinstellingen in het kader van Leven Lang Leren. Het onderzoek vormt de basis voor een aantal columns over opleiden binnen de flexbranche. Rein is voorzitter van de themagroep Arbeidsmarkt van het Landelijk Netwerk Associate Degree, waarin mbo- en hbo-instellingen samen met sociale partners en overheid op uitvoeringsniveau samenwerken aan de verdere ontwikkeling van deze nieuwe graad bij de hogere beroepsopleidingen in Nederland en Europa. X

Flexibele arbeidsmarkt, flexibele scholing

Initieel onderwijs in Nederland
“Juist in een krimpende economie is scholing belangrijk voor de arbeidsmobiliteit’, luidt de aanhef van het hoofdstuk over scholing en ontwikkeling van de Randstad Werkpocket 2013. Vervolgens wordt eerst het initieel onderwijs kort beschreven, de eerste onderwijsloopbaan in het voltijdonderwijs. Men kan die scholing volgen tot aan een bepaald kwalificatieniveau.

Raamwerk onderwijsniveaus
Onderstaand schema brengt de verschillende niveaus in het Nederlandse (NLQF) en in het Europese (EQF) raamwerk in beeld:

EQF - NLQF niveaus

Grafiek: Nationaal Coördinatiepunt NLQF)

De raamwerken maken het mogelijk niveaus van opleidingen met elkaar te vergelijken, zowel in Nederland als in een 30-tal andere Europese landen. Die informatie kan zowel voor werkgevers als voor werknemers nuttig zijn bij (internationale) sollicitaties of bij het plannen van vervolgopleidingen. Alle Nederlandse opleidingen in de publieke sector zijn ingeschaald in een NLQF-niveau en sinds 2012 kunnen ook private aanbieders hun opleidingen laten inschalen.

Schooluitval, leerplicht, kwalificatieplicht
De Nederlandse overheid probeert het voortijdig schoolverlaten (VSV) met allerlei middelen aan te pakken en mikt daarbij op het behalen van een startkwalificatie door iedere jongere. Een startkwalificatie is het minimale onderwijsniveau dat volgens de overheid nodig is om een baan te vinden. Het gaat dan om een diploma havo, vwo of mbo op NLQF/EQF-niveau 2.
Als leerlingen op hun 16e jaar aan het eind van de leerplichtperiode nog geen startkwalificatie hebben, hebben ze een zogenaamde kwalificatieplicht tot hun 18e jaar en moeten ze tot die tijd verplicht voltijd onderwijs volgen.

De ingezette aanval op schooluitval werpt zijn vruchten af, meldde de minister van Onderwijs begin 2012. Het aantal leerlingen zonder startkwalificatie is in tien jaar tijd bijna gehalveerd van 71.000 in 2002 naar ruim 36.000 in het schooljaar 2011-2012.
Het kabinet Rutte II heeft de doelstelling van het vorige kabinet overgenomen: maximaal 25.000 uitvallers in 2016.

Gedetailleerde informatie per regio en gemeente geeft de VSV-verkenner van het ministerie OCW.

Jeugdwerkloosheid in Nederland en Europa: NEETs, de verloren generatie
“In een jaar tijd is het aantal geregistreerde werkzoekende jongeren in Nederland met 12 procent toegenomen”, schreef journalist Wouter Boonstra in Binnenlands Bestuur in oktober 2012. En in Noordoost-Brabant was er zelfs een stijging van 50 procent tot een totaal van 1865 jeugdige werkzoekenden, waarvan de helft laagopgeleid.

In Europa zijn ongeveer 14 miljoen jonge mensen (leeftijd tot 30 jaar) ‘Not in Employment, Education or Training’. Zij vormen de zogenaamde groep NEETs. Het werkloosheidspercentage in deze groep is het dubbele van het gemiddelde percentage en ze worden wel de ‘verloren generatie’ genoemd.
De verschillen in Europa zijn overigens enorm. Tot voor kort sprong Nederland er in gunstige zin uit, maar in zeer korte tijd is de jeugdwerkloosheid opgelopen tot boven de 14%.

“Jongeren eisen onderwijsplan tegen jeugdwerkloosheid” is de kop van een blog van eind februari 2013. Studentenorganisaties en de jongeren van FNV en CNV pleiten voor een aantal scholingsmaatregelen om jongeren langer aan de studie te houden. “Liever in de collegebank dan thuis op de bank”, is één van de slogans.

De uitzendbranche houdt zich nadrukkelijk bezig met het verbeteren van kansen voor jongeren aan de onderkant van de arbeidsmarkt. De activiteiten van O&O-fonds STOOF zijn wat dat betreft kenmerkend voor de inspanningen van de branche en dat geldt ook voor gerichte inspanningen van verschillende uitzendbureaus.

Verdringing door hoger opgeleiden, opscholen van MBO-ers: Associate Degree als optie
RTL Nieuws besteedde op 18 maart aandacht aan de verdringing op de arbeidsmarkt van MBO-opgeleiden door HBO-opgeleiden. Door het grote aantal werkzoekenden op dit moment kunnen werkgevers overgekwalificeerde sollicitanten aannemen en dat gaat ten koste van lager opgeleiden.

Gevraagd naar een mogelijke oplossing voor MBO-ers doet arbeidsmarkthoogleraar Ton Wilthagen de suggestie aan MBO-ers zich verder ‘op te scholen’. Zoals blijkt uit het NLQF/EQF-schema komen dan onder andere Associate Degree (Ad) opleidingen in beeld, korte opleidingen in het hoger onderwijs. Ik schreef daarover eerder in FlexNieuws op 8 juli 2012 en op 8 oktober 2012.
Naast Ad-opleidingen die geheel door hogescholen worden verzorgd, bestaat ook de variant waarbij een deel van de opleiding in samenwerking met een MBO-college kan worden uitgevoerd.
Op sites zoals Carrièretijger en Alle associate degrees is nadere informatie te vinden en ook de vijf filmpjes van de ministeries OCW en SZW bieden een goed beeld van de Ad-mogelijkheden voor mbo-studenten, werkgevers, werknemers en voor werkzoekenden.

Werken en leren: graag wat flexibeler
Sommige vormen van initieel onderwijs kennen al een combinatie van werken en leren. Denk aan de leerwerktrajecten in het vmbo, de beroepspraktijkvorming in het mbo of aan duale opleidingen in het hbo of wo.
Een belangrijk deel van de combinatie werken en leren vinden we echter in het post-initieel onderwijs, het onderwijs dat men volgt nadat men het initieel onderwijs heeft afgesloten.
Nog een citaat uit de Werkpocket 2013: “Werk verandert snel en het is van belang dat medewerkers over de juiste, actuele kennis en vaardigheden beschikken om hun huidige en toekomstige werk goed uit te voeren”.

In de huidige tijd is verder leren een ‘must’ en worden zowel werkgevers als werknemers en werkzoekenden aangesproken op hun verantwoordelijkheid voor adequate scholing. De Nederlandse en Europese overheid stimuleert scholing vaak met fiscale regelingen en subsidies en tal van organisaties kunnen adviseren en bemiddelen bij scholingsvragen.

Toch volgen veel van de bestaande opleidingsinstituten maar moeizaam de steeds flexibeler wordende scholingsvragen van de arbeidsmarkt. In mijn onderzoek naar samenwerking tussen uitzendorganisaties en onderwijsinstellingen meldde een deskundige dat er sinds jaar en dag sprake is van een mismatch in vmbo en mbo tussen scholingsvraag uit de arbeidsmarkt en scholingsaanbod van de instituten. Die situatie is nauwelijks veranderd, begreep ik onlangs uit mbo-kring. Het regulier onderwijs is nog te aanbodgericht en te weinig vraaggericht. Andere problemen zijn de weinig flexibele startmomenten, het beperkte onderwijsaanbod in bepaalde cursusplaatsen en de vaak star ingedeelde jaarprogramma’s.

Commerciële opleidingsinstituten doen het meestal beter op het punt van vraaggerichtheid en flexibilisering van het onderwijsaanbod: meer startmomenten, meer cursusplaatsen, modulaire opbouw van het programma.
Toch kiezen veel mensen voor opleidingen bij de vertrouwde ROC’s of hogescholen in eigen stad of regio. En die instituten zijn ook zeker bezig meer en meer te flexibiliseren. Zo zijn er projecten op het gebied van afstandsonderwijs (e-learning, blended learning), modularisering en stapeling van modules, verkorting of verlichting van studieprogramma’s door het honoreren van EVC’s. Maar helaas gooit ook hier op dit moment de keuze tot bezuinigen vaak roet in het eten en worden projecten vertraagd of uitgesteld.

Werkconferentie Flexibel Hoger Onderwijs voor Werkenden
Op 21 maart 2013 vond op initiatief van minister Bussemaker van OCW in Utrecht de werkconferentie Flexibel hoger onderwijs voor werkenden plaats. In de aankondiging van de conferentie staat: “De noodzaak tot versterken van de vraaggerichtheid van het aanbod en van de flexibiliteit van organisatie, aanbiedingsvorm en inhouden van onderwijsprogramma’s is groot”.
Verschillende betrokken partijen hadden vooraf bijdragen aan de conferentie ingediend, waarin zij vooral hun eigen sterke punten naar voren brengen.

Zo onderschrijft de vereniging van Nederlandse universiteiten VSNU de conclusie dat het voltijd initieel onderwijs nog teveel de norm bepaalt en dat werkenden en werkgevers meer maatwerk wensen. Maar zij richten hun flexibiliseringswensen ook op het aantrekken van talentvolle internationale studenten en promovendi, het topsegment van de opleidingsmarkt. En bij een keuze voor meer flexibilisering of uitbreiding van mogelijkheden voor blended learning zal vooral de overheid financiering en regels voor certificering moeten aanpassen. Stoppen met deeltijdopleidingen lijkt voor de universiteiten onontkoombaar; de aantallen deeltijdstudenten zijn gewoonweg te laag.

De HBO-raad benadrukt juist dat hogescholen de belangrijkste aanbieders zijn van deeltijdopleidingen die tot een graad leiden. En passant merkt men op dat er sprake is van hoge uitval bij niet-bekostigde instellingen, een snier naar de concurrentie! De raad waarschuwt ook voor exclusieve oriëntatie op de zogenaamde topsectoren; de huidige situatie op de arbeidsmarkt moet niet de enige norm zijn voor bekostiging. Men pleit voor financiering in de vorm van studieleningen, waarbij bij het behalen van een graad de schuld wordt kwijtgescholden. Wel is experimenteerruimte nodig met mogelijkheden om scholingsactiviteiten in het kader van Leven Lang Leren ook in combinatie met commerciële partijen aan te bieden.

Tot slot de bijdrage van de brancheorganisatie van alle particuliere trainings- en opleidingsbureaus in Nederland, de NRTO. Deze organisatie heeft in 2012 een hoofdlijnenakkoord afgesloten met het ministerie van Onderwijs, gericht op het stimuleren van de deelname van volwassenen aan deeltijdonderwijs, een forse uitbreiding van het aantal Associate Degree opleidingen en het beter gebruik maken van de opleidingscapaciteit van het niet-bekostigde onderwijs. De NRTO pleit juist voor definitieve invoering van vraagfinanciering, bijvoorbeeld door het werken met scholingsvouchers. Die financiering zou dan gebaseerd moeten worden op het gerealiseerde eindniveau van opleidingen. Nu is nog teveel de leerweg en de studielast bepalend bij financiering in plaats van het studieresultaat.

Wat brengt de toekomst?
Oud-voorzitter van de SER, Alexander Rinnooy Kan, gaat na deze startconferentie een adviescommissie leiden die voor het eind van dit jaar de minister moet adviseren over betere deelname aan meer flexibel vormgegeven deeltijd hoger onderwijs met oog voor de behoeften van de arbeidsmarkt. Bij tijdige besluitvorming kunnen dan in het studiejaar 2014/2015 aanpassingen worden ingevoerd.

Intussen zoeken de genoemde partijen zeker toenadering tot elkaar, ook al zijn in de geciteerde stukken vooral verschillen aangegeven. Er wordt, in navolging van het NRTO-pleidooi, beter onderscheid gemaakt tussen jongeren in het onderwijs en volwassenen. Hogescholen blijven bezig met flexibilisering en modularisering en werken toe naar een landelijk systeem van beter herkenbare leeruitkomsten. Er is brede overeenstemming over meer op de regionale arbeidsmarkt gerichte scholingsinspanningen, waarbij bekostigde en niet-bekostigde instellingen beter samenwerken.

Volop beweging dus op de markt van (beroepsgericht) onderwijs, waar arbeidsmarktpartijen in de nabije toekomst mee te maken krijgen!
Wordt vervolgd.

Gerelateerd nieuws

  • Geen gerelateerde berichten gevonden.

Meer uit deze rubriek