loading
views

Ontslag op staande voet vlak voor datum beëindiging

25 januari 2012

Rechtsgeldig ontslag op staande voet vlak voor datum van beëindiging met wederzijds goedvinden.

Op 23 december 2011 oordeelde de kantonrechter te Utrecht dat werknemer, na het sluiten van een beëindigingsovereenkomst met werkgever, rechtsgeldig op staande voet was ontslagen voor de datum waarop ingevolge voornoemde beëindigingsovereenkomst de arbeidsovereenkomst zou eindigen. Aan de vaststellingsovereenkomst kwam geen betekenis meer toe.

Feiten
Werknemer was op 16 oktober 2007 op basis van een arbeidsovereenkomst in dienst getreden bij werkgever in de functie van groepscontroller. Sinds 1 mei 2008 bekleedde werknemer de functie van financieel directeur.

Tussen bedrijf Y en werkgever bestaat een overeenkomst waarin is opgenomen dat het bedrijf Y verboden is de rechten en verplichtingen voortvloeiend uit die overeenkomst aan een derde over te dragen, behoudens schriftelijke toestemming van werkgever. Tevens is bedrijf Y verplicht in geval van een ‘change of control’ (wijziging directie en/of wijziging van aandeelhouders) werkgever daarvan voorafgaand schriftelijk te informeren, in welk geval werkgever het recht heeft op buitengerechtelijke ontbinding van de overeenkomst in te roepen. Werknemer was bekend met de inhoud van deze overeenkomst.

Eind september 2011 hebben werknemer en werkgever een vaststellingsovereenkomst getekend. Hierin is bepaald dat de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden eindigt per 1 november 2011 en dat er een vergoeding van € 130.000,– zal worden betaald.

Op 7 oktober 2011 heeft een waarnemer van werknemer een e-mailbericht gericht aan werknemer gelezen. Deze bevatte een koopovereenkomst ten aanzien van aandelen van bedrijf Y. Verder stond er in het e-mailbericht dat werknemer nog één en ander omtrent de verkoop zou bespreken.
Op 11 oktober 2011 heeft werkgever werknemer op staande voet ontslagen en de vaststellingsovereenkomst vernietigd wegens dwaling. Werkgever voerde daartoe aan dat werknemer werkzaamheden heeft verricht ten behoeve van onder andere de voormalig algemeen directeur van werkgever in verband met de aankoop van alle aandelen. Werknemer had een mededelingsplicht en had werkgever dienen te informeren over zijn handelingen en betrokkenheid bij de concurrerende activiteiten, aldus werkgever.

Werknemer vorderde onder meer betaling van zijn salaris van 11 oktober tot 1 november 2011 en nakoming van de vaststellingsovereenkomst.

Beoordeling kantonrechter
De kantonrechter overwoog als volgt. Vast is komen te staan dat werknemer de voormalig algemeen directeur heeft geassisteerd bij de financiering van de acquisitie van de aandelen in bedrijf Y door de voormalig algemeen directeur in privé. Bedrijf Y is met zijn baggerwerkzaamheden actief op een terrein dat nauw verband houdt met de werkzaamheden van werkgever. Dit blijkt uit het gegeven dat werkgever een deel van zijn werkzaamheden heeft uitbesteed aan bedrijf Y, bovendien is werkgever in het verleden ook zelf actief geweest op het baggergebied. Dat werkgever zijn werkzaamheden heeft uitbesteed betekent niet zonder meer dat deze activiteiten daardoor niet-concurrerend zijn met de activiteiten van werkgever.
Werkgever heeft met bedrijf Y bovendien afspraken gemaakt in het geval van ‘change of control’. Werknemer was op de hoogte van deze afspraak. Gelet op de omstandigheid dat werknemer kennis had van deze ‘change of control’ afspraken, had werknemer kunnen weten en behoren te weten dat zijn (neven)activiteiten, namelijk het helpen van de voormalig algemeen directeur bij de financiering van de acquisitie van aandelen van bedrijf Y, werkzaamheden zijn die conflicterend zijn met zijn arbeidsovereenkomst met werkgever.
Het had op de weg van werknemer gelegen melding te maken van zijn (neven)activiteiten aan werkgever. Werknemer had hier op meerdere momenten aanleiding toe kunnen en moeten zien.

De kantonrechter was van oordeel dat de gedragingen van werknemer een dringende reden opleverden. Daarnaast was het handelen van werknemer dermate verwijtbaar en in strijd met goed werknemerschap, dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was dat werknemer een beroep zou kunnen doen op de vaststellingsovereenkomst. Nu voorshands aannemelijk was geworden dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig was gegeven, was de arbeidsovereenkomst op 11 oktober 2011 geëindigd en had de vaststellingsovereenkomst niet langer betekenis. De vorderingen, die gebaseerd waren op het nog van kracht zijn van de vaststellingsovereenkomst, dienden dan ook te worden afgewezen.

Bron: Rechtbank Utrecht, sector kanton, 23 december 2011, LJN: BU9391

Gerelateerd nieuws

  • Geen gerelateerde berichten gevonden.

Meer uit deze rubriek