loading
views
0 reacties
Angelique Perdaems Hendarin Feyli

Arbeid 3.0: arbeid via platformen en loon in cryptovaluta’s

Angelique Perdaems is advocaat fiscalist werkzaam bij Hertoghs advocaten-belastingkundigen B.V., gespecialiseerd in fiscale wetgeving op het gebied van met name fraudezaken, ook voor uitzendondernemingen. Hendarin Feyli is advocaat arbeidsrecht, partner bij Van Riel & Feyli Advocaten. X

Arbeid 3.0: arbeid via platformen en loon in cryptovaluta’s

Alhoewel de “war on flexibel werken” nog altijd hot is, komt de traditioneel ingestoken arbeidsrelatie gebaseerd op vaste contracten, moeilijk ontslagrecht, lange loondoorbetalingsverplichting bij ziekte, het idee dat een werknemer bij een werkgever gaat werken en daar jaren blijft werken en altijd ook zijn loon in euro’s op een traditionele bankrekening wenst te ontvangen, steeds meer onder druk te staan.

Er zullen sectoren zijn waar de traditioneel ingestoken arbeidsrelatie ook in de toekomst goed zal werken en waar men het prima vindt dat het loon iedere week of maand op de bankrekening wordt overgemaakt. Er zullen in de toekomst echter ook sectoren zijn waar men behoefte heeft aan waardecreatie op een virtuele manier en betaling van loon op een andere wijze. Bij arbeid in de toekomst zal het niet enkel meer gaan om werken via platformen, maar ook om betaling van loon in alternatieve valuta’s.

Eén van de kenmerken van de arbeidsovereenkomst is dat de werkgever voor de werkzaamheden die de werknemer verricht loon betaalt. Een wettelijke definitie van loon in het kader van de arbeidsovereenkomst in het Burgerlijk Wetboek kennen wij niet. De Hoge Raad oordeelde reeds in 1953 dat onder loon in de definitie van de arbeidsovereenkomst dient te worden verstaan de vergoeding die door de werkgever aan de werknemer verschuldigd is ter zake de bedongen arbeid.

Als men een aantal wetsartikelen uit het Burgerlijk Wetboek (artikelen 7:617, 620, 621 en 6:114 en 6:114 BW) in ogenschouw neemt en de huidige leer in de rechtspraak erop naslaat, is voldoening van loon in bijvoorbeeld Bitcoins “een-ver-van-mijn-bed-show”. Laat staan minimumloon.

Bitcoin is volgens de rechter in Almelo1 geen wettig betaalmiddel en geen “gangbaar geld” als bedoeld in artikel 6:112 BW. Weliswaar ging het in die zaak niet om loon in een arbeidsrelatie, maar deze uitspraak zegt wel iets over hoe de huidige rechtspraak tegen Bitcoin aankijkt.

Wat nu als de werknemer van zijn werkgever verlangt (een deel van) zijn (minimum)loon uit te betalen in bijvoorbeeld Bitcoins? Het antwoord daarop is dat zolang in Nederland Bitcoin (dat geldt ook voor andere cryptovaluta’s) niet als wettig betaalmiddel wordt aangemerkt, het een uitdaging wordt voor de werkgever om risicoloos het (minimum)loon van zijn werknemer in bijvoorbeeld Bitcoins te betalen. Betaling van loon in Bitcoins zal dan niet bevrijdend zijn. De huidige wet-en regelgeving is daar vooralsnog niet op geschreven. De vraag is hoe lang dat nog zal duren. Platformen en cryptovaluta’s als een nieuwe vorm van vrijheid zijn immers een feit.

Platformen, cryptovaluta en de fiscus
De groei van de platformeconomie, maar ook het gebruik van cryptovaluta’s stelt de Belastingdienst voor nieuwe fiscale vraagstukken. Dat de Belastingdienst zich bewust is van deze ontwikkelingen blijkt onder meer uit informatie die door middel van een WOB-verzoek in het jaar 2016 is verkregen2. Daarin wordt gesproken over nieuwe handhavingsproblemen gelet op het onduidelijke verschil tussen hobbyisme en het drijven van een (kleine)onderneming.

Ook recent is de staatssecretaris van Financiën in een brief van 30 oktober 2017 ingegaan op nieuwe digitale ontwikkelingen. In deze brief reageert hij op een WOB-verzoek betreffende de fiscale aspecten rondom cryptovaluta zoals Bitcoin3. Particulieren dienen cryptovaluta in de aangifte inkomstenbelasting als vermogen in box 3 aan te geven tegen de waarde in het economisch verkeer. Koerswinsten en -verliezen lijken vooralsnog onbelast. In de bijlage bij deze brief staat dat de fiscus ook geen raad weet met de nieuwe digitale ontwikkelingen die zich afspelen in de huidige samenleving. Daarbij wordt opgemerkt dat in het huidige juridische en fiscale systeem niet is ingespeeld op dit soort ontwikkelingen4. Genoemd worden Uber, Airbnb en ‘the internet of things’ waarbij als voorbeeld wordt genoemd de zelf denkende koelkast die verbonden is met het internet en bestelt en betaalt.

Tevens wordt op Europees niveau aandacht besteed aan de knelpunten van de deeleconomie5. De Europese Commissie constateert dat bestaande wetgeving van lidstaten niet toereikend genoeg is en spoort lidstaten aan om de fiscale regelgeving te evalueren.

Illustratief is de zogenoemde Uber-zaak in het Verenigd Koninkrijk. In die zaak was in geschil of particuliere taxichauffeurs in dienstbetrekking waren bij Uber. Het Employment Tribunal heeft geoordeeld dat de werkverhouding tussen de taxichauffeurs en Uber gekwalificeerd diende te worden als een dienstbetrekking met alle (fiscale) gevolgen van dien.

Het Hof van Justitie EU heeft zich uitgelaten over de vraag of cryptovaluta onderworpen zijn aan de heffing van Btw7. Het Hof van Justitie EU oordeelde dat de handel in bitcoins, net als de handel in traditionele valuta, valt binnen de vrijstelling van artikel 135 lid 1 onder e van de Btw-richtlijn. De handel in bitcoins (en andere cryptovaluta) is aldus vrijgesteld van Btw.

Discussie met de fiscus
Ook in Nederland zal de groeiende platformeconomie en alternatieve valuta’s tot discussie met de Belastingdienst gaan leiden over bijvoorbeeld de kwalificatie van de arbeidsverhouding en de desbetreffende alternatieve valuta. Worden de inkomsten die bijvoorbeeld worden genoten voor werkzaamheden die voor een platform worden verricht aangemerkt als resultaat uit overige werkzaamheden, winst uit onderneming of loon? Waar de grens ligt is onduidelijk en dat maakt dat voor de platformen en degenen die daar gebruik van maken discussies over de fiscale kwalificatie van de inkomsten met de Belastingdienst op de loer liggen. Dit werd reeds in 2016 in NRC gesignaleerd door de oprichter van het autodeelplatform Snappcar8.

Indien de diensten via een platform over de grens worden verricht kan ook discussie ontstaan over de vraag welk land belasting over de inkomsten van het platform mag heffen. Indien dergelijke discussies met de Belastingdienst ontstaan is het allereerst belangrijk na te gaan op wie de bewijslast rust. Het uitgangspunt is dat de Belastingdienst correcties die het inkomen verhogen moet bewijzen. Ook is het van belang op welk moment het contact met de Belastingdienst ontstaat. Is sprake van vooroverleg waarin een standpunt over de fiscale kwalificatie aan de Belastingdienst wordt voorgelegd of is een aangifte ingediend en stelt de Belastingdienst een controle (boekenonderzoek) in naar aanleiding van die aangifte? Ook na vooroverleg kan een discussie over de fiscale kwalificatie aan de rechter worden voorgelegd. In die fase kan de afspraak ‘agree to disagree’ worden gemaakt. Tevens geldt dat indien de discussie ziet op de fiscale kwalificatie van inkomen geen boete kan worden opgelegd indien een pleitbaar standpunt over de fiscale kwalificatie wordt ingenomen. Het is daarom belangrijk in een vroeg stadium het ingenomen standpunt goed te onderbouwen.

Aangezien de platformeconomie en cryptovaluta’s relatief nieuw zijn, verwachten wij dat in de toekomst de nodige discussies met de Belastingdienst, bij de rechter maar ook in de politiek en in de samenleving zullen ontstaan over de kwalificatie van en omgang met platformen en cryptovaluta’s.

Angelique Perdaems, Hendarin Feyli

Angelique Perdaems en Hendarin Feyli

Dit artikel is geschreven door:
Hendarin Feyli, Van Riel & Feyli Advocaten, gespecialiseerd in Arbeidsrecht, met focus op flexibele arbeid
in samenwerking met
Angelique PerdaemsHertoghs Advocaten, gespecialiseerd in fiscale wetgeving op het gebied van met name fraudezaken, ook voor uitzendondernemingen.

Voetnoten
[1] Rechtbank Overijssel 14 mei 2014, ECLI:NL:RBOVE:2014:2667 en Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 31 mei 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:4219.
[2] Brief van de staatssecretaris van Financiën 5 september 2016, DGB/2016/3502 U.
[3] Brief van de staatssecretaris van Financiën 30 oktober 2017, nr. 2017-0000165171.
[4] Bijlage bij brief van de staatssecretaris van Financiën 30 oktober 2017, nr. 2017-0000165171 (memo ‘de opkomst van de Bitcoin (en alternatieve)’ als digitale betaaleenheid).
[5] Europese Commissie 2 juni 2016, COM/2016/0356.
[6] Zie onder meer het persbericht in de Financial Times
[7] HvJ 22 oktober 2015, Hedqvist, zaak C-264/14.
[8] Zie NRC: Fiscus heeft de sleutels niet.

Reageren:

*

Gerelateerd nieuws


Meer uit deze rubriek