loading
views

Uitzendonderneming hoeft geen transitievergoeding te betalen

Uitzendkrachten konden niet aantonen dat de uitzendonderneming de arbeidsovereenkomsten had opgezegd; de verzoeken tot betaling van de transitievergoeding zijn daarom afgewezen.

De transitievergoeding als onderdeel van de Wet Werk en Zekerheid (WWZ) is sinds geruime tijd onderwerp van gesprek. Kort gezegd is de transitievergoeding verschuldigd (in de regel 1/3 maandsalaris per dienstjaar) indien de arbeidsovereenkomst minimaal 2 jaar heeft geduurd en vervolgens op initiatief van de werkgever wordt beëindigd of niet wordt verlengd. Sinds juli 2015 zijn over dit onderwerp diverse uitspraken verschenen maar in zijn algemeenheid ging dit steeds over “reguliere werkgevers” en niet de “flex werkgevers”.

Recentelijk heeft de Rechtbank Noord-Holland een tweetal uitspraken gedaan over de vraag of de betreffende uitzendonderneming al dan niet de transitievergoeding dient te betalen.
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2017:5820
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2017:5821

Wat was er aan de hand?
Twee uitzendkrachten waren langer dan twee jaar in dienst van de uitzendonderneming en waren sinds geruime tijd werkzaam bij dezelfde inlener. Naar de mening van de uitzendonderneming hadden de twee uitzendkrachten op enig moment zelf hun arbeidsovereenkomst opgezegd om bij een ander uitzendbureau in dienst te treden. De twee uitzendkrachten stelden zich echter op het standpunt dat de betreffende inlener de uitzendovereenkomsten namens de uitzendonderneming had opgezegd. Beide uitzendkrachten vorderden betaling van de transitievergoeding.

In de procedure hebben de uitzendkrachten onder meer het standpunt ingenomen dat niet was bewezen dat de uitzendkrachten zelf hun arbeidsovereenkomst hadden opgezegd. De uitzendonderneming heeft als verweer gevoerd dat dit ook niet bewezen hoefde te worden. Voor een aanspraak op de transitievergoeding dient immers komen vast te staan dat de uitzendonderneming de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd. Volgens het algemene bewijsrecht geldt dat het dus aan de uitzendkrachten was om te bewijzen dat de uitzendonderneming de arbeidsovereenkomst had opgezegd. De rechter volgde dit standpunt van de uitzendonderneming.

De vervolgvraag was of een eventuele opzegging van de arbeidsovereenkomsten door de inlener – hetgeen overigens ook door de uitzendonderneming werd betwist -, aangemerkt kon worden als een opzegging door de uitzendonderneming. Namens de uitzendonderneming is aangevoerd dat hoe dan ook enkel de uitzendonderneming bevoegd is om de arbeidsovereenkomsten al dan niet op te zeggen. Zij is immers de formeel werkgever en de inlener had geen bevoegdheid om rechtshandelingen namens de uitzendonderneming te verrichten. Ook hierin volgde de kantonrechter de uitzendonderneming volledig.

Aangezien de uitzendkrachten niet konden bewijzen dat de uitzendonderneming de arbeidsovereenkomsten had opgezegd, zijn de verzoeken tot betaling van de transitievergoeding afgewezen. In deze procedure was dit een vrij voorspelbare uitkomst nu de uitzendonderneming zich met de vermeende opzegging door de inlener in ieder geval totaal niet had bemoeid, laat staan hiervan weet had. Blijf als uitzendonderneming altijd wel op je hoede als de inlener richting de uitzendkracht “opzegt”. Het is niet ondenkbaar dat het handelen van de uitzendonderneming na een beëindiging door de inlener kan worden gezien als opzeggingshandeling, waardoor de transitievergoeding verschuldigd zou kunnen zijn.

Deze bijdrage is geschreven door Mr. David Lagarrigue, Advocaten van nu.

Gerelateerd nieuws


Meer uit deze rubriek