loading
views

Loonvordering bij een nul-urencontract

Loonvordering bij een nul-urencontract

Loonvordering bij een nul-urencontract: referteperiode
Op 11 augustus 2015 heeft het gerechtshof te Den Haag (ECLI:NL:GHDHA:2015:2144) zich uitgelaten of een werknemer ingeval van ziekte bij een nul-urencontract aanspraak kan maken op loondoorbetaling voor het gemiddelde aantal uren dat de werknemer de afgelopen maanden heeft gewerkt, indien de overeenkomst ten tijde van de ziekmelding minder dan drie maanden heeft geduurd.

Casus
Werknemer is met ingang van 18 december 2013 in dienst bij werkgever als sociaal pedagogisch medewerker op basis van een nul-urencontract. De overeengekomen arbeidsduur bedroeg ten minste 0 uur en maximaal 36 uur per week. Daarnaast is overeengekomen dat de werkgever de werknemer alleen te werk dient te stellen voor zover, naar het oordeel van de werkgever, daaraan behoefte bestaat. De werknemer werd vanaf het begin wekelijks ingeroosterd voor 36 uur per week.
Vervolgens heeft de werknemer zich op 5 maart 2014 ziek gemeld en is zij sindsdien niet meer op het werk verschenen. Op 15 juni 2014 heeft de werknemer zich hersteld gemeld en zich weer beschikbaar gehouden om te kunnen werken. Vanaf de datum van ziekmelding heeft werknemer geen loon meer ontvangen.

Eerste aanleg
Werknemer vordert loon over twee periodes. De eerste periode betreft de periode van ziekte. De tweede periode ziet op de periode na het herstel van de werknemer. De werknemer is van mening dat, gelet op het gemiddelde aantal uren dat de werknemer heeft gewerkt, er een rechtsvermoeden van de arbeidsomvang bestaat en vordert loon voor 36 uur per week. De werknemer beroept zich hierbij op artikel 7:610b BW. Uit dit artikel volgt dat, indien een arbeidsovereenkomst ten minste drie maanden heeft geduurd, wordt vermoed dat de arbeidsovereenkomst een omvang heeft gelijk aan het gemiddelde aantal uren dat de werknemer in de afgelopen drie maanden per maand heeft gewerkt. De kantonrechter heeft de loonvordering van werknemer over de arbeidsongeschiktheidsperiode in eerste aanleg afgewezen met als reden aangezien dat onvoldoende bewijs is overgelegd waaruit de ziekte van werknemer aannemelijk is geworden. Hierdoor kan van een loondoorbetalingsverplichting tijdens ziekte geen sprake zijn. Tevens wordt het beroep op artikel 7:610b BW afgewezen, aangezien de arbeidsovereenkomst nog geen drie maanden heeft geduurd.

Hoger beroep
Werknemer heeft tegen het vonnis van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Het Gerechtshof te Den Haag is allereerst van oordeel dat werknemer ook in hoger beroep onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij vanaf 5 maart 2014 arbeidsongeschikt is geweest. Werkneemster heeft geen deskundigenbericht overgelegd of anderszins aannemelijk gemaakt dat zij arbeidsongeschikt was wegens ziekte. Dit komt daarom voor haar rekening en risico.
Met betrekking tot de omvang van de door werknemer ingestelde loonvordering overweegt het hof het volgende. Werkneemster vordert loon vanaf 5 maart 2014. Op die datum had de arbeidsovereenkomst van partijen nog geen drie maanden geduurd. Aan het vereiste van artikel 7:610b BW dat sprake dient te zijn van minimaal een periode van drie maanden, is daarom niet voldaan. Artikel 7:610b BW mist daarom toepassing.

Voorts overweegt het hof dat gelet op het feit dat de werknemer geen recht kan ontlenen aan artikel 7:610b BW, dit nog niet betekent dat van een arbeidsovereenkomst (voor onbepaalde tijd) geen sprake kan zijn. Uit de stellingen van werknemer en de omvang en het arbeidspatroon waarin zij vanaf haar indiensttreding haar werkzaamheden heeft verricht, leidt het hof vooralsnog af dat het van meet af aan de bedoeling was van beide partijen dat van tevoren vaststond wanneer er in een week arbeid werd verricht. Werknemer verrichtte wekelijks 36 uur arbeid op basis van een wekelijks rooster, zodat het hof hiervan uitgaat. Dit in aanmerking genomen is het hof van oordeel dat er van een nul-urencontract in feite geen sprake was en dat de arbeidsrelatie van partijen aangemerkt dient te worden als een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Aldus heeft de werknemer in beginsel recht op loon vanaf de periode van herstel, zijnde 13 juni 2014, de datum waartegen zij zich beter heeft gemeld.

Conclusie
Door de te korte referteperiode mist artikel 7:610b BW toepassing. Dit neemt echter niet weg dat tussen partijen een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met een bepaalde arbeidsomvang is ontstaan doordat het van meet af aan de bedoeling was van beide partijen dat van tevoren vaststond wanneer er in een week arbeid verricht werd.

Deze bijdrage is geschreven door mw. mr. Babs Dubois.

Voor meer informatie over de uitspraak of over Van Diepen van der Kroef Advocaten: stuur een email naar mw. mr. Babs Dubois – Van Kleef Van Diepen Van der Kroef Haarlem, tel. 023 542 42 92.

Gerelateerd nieuws


Meer uit deze rubriek