loading
views

Contractuele ontslagvergoeding

Van Diepen.com

Contractuele ontslagvergoeding bij opzegging door werkgever ook verschuldigd bij ontbinding.

Werknemer is op 15 november 1996 bij werkgever in dienst getreden in de functie van voorzitter van de raad van bestuur. In deze functie verdiende werknemer € 10.027,45 bruto per maand, exclusief 8% vakantiegeld en overige emolumenten. Werkgever is een stichting in de gezondheidsbranche die eerstelijns gezondheidszorg aanbiedt. De arbeidsovereenkomst van werknemer bevatte een contractuele bepaling voor schadevergoeding, die zag op de situatie dat werkgever de arbeidsovereenkomst zou opzeggen. Het volgende heeft zich in deze zaak voorgedaan.

In 2009 wordt bij werknemer een ongeneeslijke vorm van kanker geconstateerd, waarna werknemer zich in 2010 ziek meldt. Voorafgaand aan de ziekmelding had de raad van toezicht van de stichting al aan werknemer te kennen gegeven een beëindiging van het dienstverband te willen. Tussen werknemer en de aan de stichting verbonden huisartsen en apothekers zou immers een vertrouwensbreuk zijn ontstaan. Tevens zou werknemer bij de uitoefening van zijn functie financieel wanbeheer hebben gevoerd.

Bij beschikking van 12 juli 2011 heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ontbonden op grond van een vertrouwensbreuk en daarbij aan werknemer een vergoeding van € 35.000,- bruto toegekend. Het door werkgever aan werknemer gerichte verwijt van financieel wanbeheer wordt door de kantonrechter verworpen, omdat de stichting zich in eerdere bij de rechtbank en het UWV gevoerde procedures jegens werknemer niet als een goed werkgever zou hebben opgesteld. De kantonrechter laat verder bij de vaststelling van de ontslagvergoeding de contractuele schadevergoeding buiten beschouwing.

Vordering en verweer
Werknemer trekt vervolgens zijn verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst tijdig in en vordert in hoger beroep, op basis van de in de arbeidsovereenkomst opgenomen vergoedingsbepaling, van werkgever betaling van € 297.815,27 bruto. De stichting verweert zich door te stellen dat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst door de kantonrechter niet hetzelfde is als een opzegging door de werkgever en dat de in de arbeidsovereenkomst neergelegde regeling uitsluitend betrekking heeft op de situatie dat werkgever de arbeidsovereenkomst zou opzeggen.

Werkgever en werknemer zijn het niet eens over de uitleg van de in de arbeidsovereenkomst opgenomen bepaling, waarin het genoemde recht op schadevergoeding aan werknemer wordt toegekend. De vraag die in de procedure bij het hof speelt is dan ook of de bepaling in de arbeidsovereenkomst ook geldt in het geval van ontbinding, nu de tekst van de bepaling uit gaat van de situatie waarin door de stichting wordt opgezegd.

Oordeel gerechtshof
Het gerechtshof is van oordeel dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de in de arbeidsovereenkomst gehanteerde term ‘opzegging’ in het maatschappelijke verkeer niet mede de ontbinding van de arbeidsovereenkomst op initiatief van de werkgever omvat. Volgens het hof is dit wel degelijk het geval. Het belangrijkste argument van het hof bij dit oordeel is dat het bij dergelijke bepalingen in arbeidsovereenkomsten de werkgever is die het voortouw neemt om de arbeidsovereenkomst te doen eindigen. De vorm waarin die beëindiging uiteindelijk plaatsvindt (opzegging of ontbinding) is volgens het hof van ondergeschikt belang.
Het hof refereert bij het oordeel aan een uitspraak van de Hoge Raad uit 2004, waarin werd geoordeeld over de vraag naar de betekenis van de term ‘ontslag verlenen’ in een cao, waaronder ook ontbinding wordt begrepen. Verder acht het hof het onwenselijk om de vraag of een werknemer aanspraak kan maken op een beëindigingsvergoeding afhankelijk te laten zijn van de vorm waarin de werkgever de beëindiging laat plaatsvinden.

Oordeel Hoge Raad
Werkgever gaat ten slotte nog in cassatie bij de hoge raad, die oordeelt dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie kunnen leiden nu ‘de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of de rechtsontwikkeling’.

Bron: Hoge Raad, 21 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2991

Deze bijdrage is geschreven door mr. Patrick Dijkstra.

Voor meer informatie over de uitspraak of over Van Diepen van der Kroef Advocaten: stuur een email naar mw. mr. Babs Dubois – Van Kleef Van Diepen Van der Kroef Haarlem, tel. 023 542 42 92.

Gerelateerd nieuws


Meer uit deze rubriek