loading
views

Payroll constructie en flexwerkovereenkomst

Payroll constructie en flexwerkovereenkomst; Geen arbeidsovereenkomst met inlener. Flexwerkovereenkomst voldoet aan alle elementen van de definitie van artikel 7:690 BW.

Eiseres (X) vordert primair voor recht te verklaren dat zij op basis van een arbeidsovereenkomst in dienst is getreden bij strandpaviljoen Timboektoe en dat met Timboektoe een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 BW is ontstaan. Vervolgens dient de vraag beantwoord te worden of de tussen Payroll Services en X tot stand gekomen flexwerkovereenkomst gezien moet worden als sui generis arbeidsovereenkomst waarop het uitzendbeding niet van toepassing is (subsidiaire standpunt van X) of als een uitzendovereenkomst als bedoeld in artikel 7:690 BW (standpunt van Timboektoe en Payroll Services).

Feiten
Timboektoe drijft een strandpaviljoen. X heeft op eigen initiatief contact gezocht met Timboektoe en voorgesteld dat zij bij evenementen als gastvrouw zou kunnen optreden. Timboektoe wilde X niet in vaste dienst aannemen. X heeft daarop Payroll Services benaderd met de vraag of zij voor de werkzaamheden bij Timboektoe gebruik kon maken van de dienstverlening van Payroll Services. X treedt op 2 januari 2012 op basis van een flexwerkovereenkomst in dienst van Payroll Services. Eind september 2013 heeft Timboektoe X laten weten haar niet verder in te zullen huren. Sindsdien heeft X niet meer als gastvrouw voor Timboektoe gewerkt. Payroll Services heeft X scholingsmogelijkheden geboden. X heeft op kosten van Payroll Services een coachingscursus gevolgd.

Standpunten X
Volgens X bestaat tussen Payroll Services geen uitzendovereenkomst in de zin van artikel 7:690 BW, nu Payroll Services geen allocatieve functie op de arbeidsmarkt vervult en X en Timboektoe niet bij elkaar heeft gebracht. Volgens X moet door de met Payroll Services gesloten flexwerkovereenkomst worden heen gekeken en is er een arbeidsovereenkomst ontstaan met Timboektoe, omdat voldaan is aan de vereisten van artikel 7:610 BW.

Voor zover er geen arbeidsovereenkomst met Timboektoe zou bestaan, is X van mening dat er een sui generis-(arbeids)overeenkomst tot stand is gekomen met Payroll Services althans een uitzendovereenkomst waarop het uitzendbeding niet van toepassing is.

Verweer
Het gesloten contract tussen Payroll Services en X is duidelijk. Zowel X als Timboektoe wilden geen rechtstreekse arbeidsrelatie met elkaar aangaan. X wilde haar vrijheid behouden en heeft toen zelf bewust gekozen voor de dienstverlening van Payroll Services en de secundaire arbeidsvoorwaarden die Payroll Services haar kon bieden. Nu Payroll Services in het kader van de uitoefening van haar bedrijf arbeidskrachten ter beschikking stelt, wordt volgens de wetsgeschiedenis voldaan aan de vereisten van artikel 7:690 BW. Payroll Services is niet slechts een administratiekantoor. Zij geeft maximale inhoud aan haar werkgeverschap, met uitzondering van het gezagselement dat verlegd bij Timboektoe ligt, zoals gebruikelijk is bij uitzendovereenkomsten.

Kantonrechter
De kantonrechter stelt voorop dat partijen het erover eens zijn dat zowel Timboektoe als X uitdrukkelijk niet hebben gewild dat tussen hen een arbeidsovereenkomst uit hoofde van artikel 7:610 BW zou ontstaan. Gebleken is dat X het initiatief heeft genomen om Payroll Services in te schakelen en dat zij aan Payroll Services heeft doorgegeven welke beloning Timboektoe haar voor de te verrichten werkzaamheden wilde betalen, waarna zij met Payroll Services een overeenkomst, genaamd flexwerkovereenkomst is aangegaan. De tekst van deze overeenkomst is duidelijk. In deze overeenkomst wordt Payroll Services uitdrukkelijk aangeduid als werkgever, bij wie X als flexwerker in dienst treedt en door wie X aan (in dit geval) Timboektoe ter beschikking wordt gesteld. Timboektoe is met deze voorgestelde constructie akkoord gegaan.

Partijen zijn het er voorts over eens dat Payroll Services bij de uitvoering van de overeenkomst meer heeft gedaan dat het verschuldigde loon aan X te betalen, maar dat zij ook feitelijk invulling heeft gegeven aan haar werkgeverschap door X onder meer scholingsmogelijkheden te bieden en haar op kosten van Payroll Services een coachingscursus te laten volgen. Tegen deze achtergrond kan niet geoordeeld worden dat er ondanks de uitdrukkelijke bedoeling van Timboektoe en X bij het aangaan van de overeenkomst tussen hen een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610
BW is ontstaan. De kantonrechter wijst het primair gevorderde af.

Vervolgens dient de vraag beantwoord te worden of de tussen Payroll Services en X tot stand gekomen flexwerkovereenkomst gezien moet worden als sui generis arbeidsovereenkomst waarop het uitzendbeding niet van toepassing is (zijnde het subsidiaire standpunt van X) of als een uitzendovereenkomst als bedoeld in artikel 7:690 BW (zijnde het standpunt van Timboektoe en Payroll Services).

De kantonrechter is van oordeel dat in de tussen X en Payroll Services overeengekomen flexwerkovereenkomst aan alle elementen van de definitie van artikel 7:690 BW wordt voldaan en dat deze overeenkomst derhalve een uitzendovereenkomst betreft. Het standpunt van X dat er in dit geval geen sprake is van een uitzendovereenkomst omdat Payroll Services niet zelf een allocatiefunctie bij de terbeschikkingstelling van X aan Timboektoe heeft vervuld, gaat niet op. In de wetsgeschiedenis is immers uitdrukkelijk overwogen dat niet alleen de klassieke uitzendrelatie onder artikel 7:690 BW valt, maar dat daaronder tevens andere driehoeksrelaties kunnen vallen. Naar het oordeel van de kantonrechter is er in dit geval geen sprake van een driehoeksrelatie zoals door de wetgever bedoeld. In de wettelijke regeling is niet vastgelegd dat de werkgever een actieve rol dient te vervullen bij het samenbrengen van arbeidskrachten en derden. X heeft zelf bewust gekozen om haar voor Timboektoe te verrichten werkzaamheden onder te brengen in de totstandgekomen flexwerkovereenkomst met Payroll Services, omdat zij flexibiliteit wenste en via de diensten van Payroll Services het meest zou verdienen. Niet valt in te zien waarom X niet gehouden zou kunnen worden aan de aangegane flexwerkovereenkomst en waarom haar achteraf meer arbeidsrechtelijke bescherming zou toekomen dan de flexwerkovereenkomst haar biedt.

Bron: Rechtbank Amsterdam, 4 juli 2014, ECLI:NL: RBAMS:2014:5783

Deze bijdrage is geschreven door mr. Babs Dubois-Van Kleef

Voor meer informatie over de uitspraak of over Van Diepen van der Kroef Advocaten: stuur een email naar mw. mr. Babs Dubois – Van Kleef Van Diepen Van der Kroef Haarlem, tel. 023 542 42 92.

Gerelateerd nieuws


Meer uit deze rubriek