loading
views

Geen overtreding concurrentiebeding door ex-werknemer

Geen overtreding concurrentiebeding door ex-werknemer

Op 10 juli 2014 heeft de rechtbank Limburg zich uitgelaten over de vraag of een werkneemster het concurrentiebeding met haar ex-werkgever overtrad. In deze zaak ontving werkneemster een vergoeding van de concurrent, maar verrichtte daarvoor geen arbeid. De rechtbank oordeelde dat er in dit geval geen sprake is van overtreding van het concurrentiebeding.

Feiten
Werkneemster was vanaf 1 mei 2003 in dienst van werkgever als accountmanager. Werkgever is een bedrijf dat verse champignons verwerkt en bewerkt om deze vervolgens in te vriezen en te verpakken. In de arbeidsovereenkomst van werkneemster is een concurrentiebeding opgenomen waarin onder meer werkneemster wordt verboden om gedurende een periode van 1 jaar na het eindigen van de dienstbetrekking activiteiten te ondernemen bij een concurrent van werkgever. Met ingang van 1 september 2013 heeft werkneemster de arbeidsovereenkomst opgezegd en wilde werkneemster in dienst treden bij concurrent X.

Om de indiensttreding bij X te voorkomen heeft tussen werkneemster en werkgever een kortgedingprocedure betreffende het concurrentiebeding plaatsgevonden. Bij vonnis van 23 augustus 2013 heeft de rechtbank onder meer het volgende beslist:

“… Gebiedt werkneemster om het met werkgever overeengekomen concurrentiebeding na te leven en verbiedt werkneemster om een arbeidsovereenkomst met X of een onderneming gelijk, gelijksoortig dan wel aanverwant aan X aan te gaan en/of deze gestand te doen, dit totdat het tijdvak zoals opgenomen in het concurrentiebeding is verstreken of totdat werkgever werkneemster geheel of gedeeltelijk heeft ontheven van het concurrentiebeding, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 50.000,– ineens en aangevuld met een dwangsom van € 1.500,– per dag of dagdeel dat de overtreding voortduurt…”

Als gevolg hiervan heeft X werkneemster op 11 september 2013 medegedeeld dat de arbeidsovereenkomst van 29 juli 2013 niet geëffectueerd kan worden. Op 25 november 2013 heeft X werkneemster laten weten dat zij zich verplicht voelt om werkneemster tegemoet te komen, omdat zij nog geen ander werk had gevonden en geen WW-uitkering ontving. Daarnaast zou de situatie mede zijn ontstaan doordat werkneemster het advies van een deskundige, die X had ingeschakeld, heeft opgevolgd. Op grond van dat advies zou werkneemster de arbeidsovereenkomst hebben opgezegd. X was bereid om een vergoeding van € 3.889,– bruto per maand te betalen. Werkneemster mocht hiervoor geen werkzaamheden verrichten en de betaling zou meteen stoppen als werkneemster ander werk zou vinden. Daarnaast heeft X werkneemster per 1 september 2014 alsnog een arbeidsovereenkomst aangeboden.

Werkgever meende dat werkneemster door deze constructie met X het concurrentiebeding overtrad en stelde dat X een bedrag van € 92.108,65 aan dwangsommen en kosten had verbeurd. Werkneemster is een kortgeding gestart om te voorkomen dat dit bedrag zou worden geëxecuteerd.

Beoordeling
De rechtbank stelt voorop dat de beslissingsmaatstaf die de ‘executierechter’ hanteert de volgende is. Het gaat binnen dit kader om de vraag of werkneemster dwangsommen heeft verbeurd, en zo ja, of werkgever misbruik maakt van haar executiebevoegdheid door de verbeurde dwangsommen te innen. Bij de beoordeling van de eerste vraag moet de executierechter onderzoeken of de door de dwangsomrechter verlangde prestatie waaraan de dwangsom is verbonden is verricht.

De rechtbank stelt vast dat het vonnis van 23 augustus 2014 zowel een gebod als een verbod bevat. Wil er sprake zijn van een overtreding van een gebod en/of verbod, dan dient dit voldoende duidelijk te zijn. De voorzieningenrechter overweegt verder als volgt. Hoewel werkneemster de schijn tegen heeft, nu (i) de grondslag van de vergoedingen van X aan werkneemster vanuit fiscaal oogpunt en door de UWV zijn gekwalificeerd als ‘arbeidsovereenkomst’ en (ii) deze vergoedingen hoger liggen dan het laatstelijk door werkneemster bij werkgever genoten loon, is naar het oordeel van de rechtbank echter niet duidelijk dat reeds hierom het opgelegde verbod is geschonden in de zin dat er een arbeidsovereenkomst is aangegaan. Voor een arbeidsovereenkomst zijn de volgende drie elementen vereist; arbeid, loon en gezag.

Uit de overgelegde brieven en uit het ter zitting verklaarde volgt dat (i) werkneemster geen arbeidsovereenkomst in arbeidsrechtelijke zin heeft met X en geen arbeid heeft verricht, (ii) de door X aan werkneemster betaalde vergoeding geen loon betreft en (iii) er geen gezagsverhouding bestaat tussen werkneemster en X.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet duidelijk is gebleken dat werkneemster in strijd met het vonnis van 23 augustus 2013 en/of het in het concurrentiebeding neergelegde gebod en/of verbod heeft gehandeld.

Bron: Rechtbank Limburg 10 juli 2014, ECLI:NL:RBLIM:2014:6089

Deze bijdrage is geschreven door mr. Mattia Savenije.

Voor meer informatie over de uitspraak of over Van Diepen van der Kroef Advocaten: stuur een email naar mw. mr. Babs Dubois – Van Kleef Van Diepen Van der Kroef Haarlem, tel. 023 542 42 92.

Gerelateerd nieuws


Meer uit deze rubriek