loading
views

Re-integratie: hoe het niet moet

Re-integratie: hoe het niet moet

De re-integratie van zieke werknemers is een lastig traject. Echter, zolang de werkgever zich goed laat begeleiden door de bedrijfsarts en tijdig de hulp van het UWV inschakelt wanneer er onduidelijkheden/problemen zijn, kan er weinig fout gaan. In de navolgende zaak trekt de werkgever echter zijn eigen plan en dan gaat het goed fout.

Feiten en omstandigheden
Werkneemster is met ingang van 3 december 2007 in dienst bij Werkgever in de functie van manager, laatstelijk tegen een salaris van € 4.965,- bruto per vier weken.

Op 18 juli 2010 is Werkneemster tijdens een vakantie in Uganda betrokken geraakt bij een auto ongeluk waarbij haar hand ernstig is verbrijzeld. Op 19 juli 2010 heeft Werkneemster zich ziek gemeld.

Op 3 augustus 2010 is Werkneemster geopereerd en begonnen met een intensieve revalidatie. Eind augustus 2010 is Werkneemster op arbeidstherapeutische basis, naast de revalidatie, bij Werkgever weer aan het werk gegaan. Zij werkte hierbij 10 tot 12 uur per week voor een periode van ruim 4 maanden.

Van november 2010 tot voorjaar 2011 stond Werkneemster onder behandeling bij een psycholoog voor het verwerken van trauma ten gevolge van het ongeluk. In december 2010 is door Werkneemster en Werkgever een re-integratierapport opgesteld waarbij de insteek terugkeer in de eigen functie was.

Op 4 februari 2011 heeft een tweede operatie aan de hand plaatsgevonden. Op 2 maart 2011 heeft de bedrijfsarts geconcludeerd dat Werkneemster haar werkzaamheden bij Werkgever weer kon gaan opbouwen en heeft geadviseerd om het re-integratietraject uit te stippelen. Volgens de bedrijfsarts was de belastbaarheid op dat moment 12 à 15 uur per week.

Op 10 maart 2011 heeft er tussen Werkneemster en Werkgever een gesprek plaatsgevonden. In dit gesprek werd aan Werkneemster medegedeeld dat haar functie aan een ander is vergeven. Daarnaast deelde Werkgever aan Werkneemster mee dat Werkgever voornemens is toe te werken naar beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Werkgever geeft als reden hiervoor op dat er te weinig tijd is om op het herstel van Werkneemster te wachten. Werkneemster heeft met de voorgestelde beëindiging niet ingestemd.

Nadien heeft Werkgever meerdere keren benadrukt dat het persoonlijk herstel van Werkneemster en de ontwikkeling van het bedrijf niet samen gaan.

Op 30 maart 2011 heeft de bedrijfsarts geconcludeerd dat Werkneemster gedeeltelijk arbeidsongeschikt is en voor 15 uur tot 20 uur per week belastbaar is.

Op 27 april 2011 heeft er tussen Werkneemster en Werkgever een gesprek plaatsgevonden, waarin de intentie van Werkgever om tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst opnieuw ter sprake is gekomen. Voorts heeft Werkgever re-integratie voorgesteld in de functie van prijsopnemer.

Op 10 mei 2011 verzoekt Werkneemster aan het UWV om een deskundigenoordeel inzake de passendheid van het werk dat Werkgever heeft aangeboden.

In mei 2011 heeft Werkgever aangedrongen op ondertekening van een nieuw plan van aanpak re-integratie. Werkneemster weigert de ondertekening met als reden dat het doel door Werkgever is bijgesteld van “terugkeer in de eigen functie” naar “werkhervatting”.

Bij brief van 31 mei 2011 heeft Werkgever aan Werkneemster bericht een loonsanctie te zullen toepassen.

Op 19 juli 2011 bericht het UWV aan Werkneemster dat het aan haar aangeboden werk (controleren van prijzen) niet passend voor haar is. Daarnaast wijst het UWV er op dat de werkgever volgens de Wet Poortwachter verplicht is haar te herplaatsen in haar eigen werk, en dat Werkgever dit heeft nagelaten. Daarnaast merkt het UWV op dat er geen tijdcontingent re-integratietraject is opgesteld en dat er geen re-integratiedoel is bepaald.

Bij brief van 25 juli 2011 vraagt Werkneemster aan Werkgever om opheffing van de loonsanctie.

Bij brief van 14 september 2011 stelt Werkneemster aan Werkgever voor om tot een beëindiging van de arbeidsovereenkomst te komen. Werkgever vindt dit voorstel niet acceptabel en geeft aan door te willen met re-integratie.

Bij brief van 19 september 2011 meldt Werkneemster zich ziek vanwege het gerezen arbeidsconflict. Tevens kondigt zij een ontbindingsprocedure aan.

Oordeel kantonrechter
De kantonrechter is van oordeel dat het verzoek van Werkneemster tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst moet worden toegewezen. Uit de stukken blijkt dat de arbeidsrelatie onherstelbaar is verstoord. De volgende vraag waar de kantonrechter aan toekomt is of er een vergoeding aan de ontbinding moet worden verbonden. De kantonrechter overweegt hiertoe het volgende.

Onweersproken staat vast dat nadat op 2 maart 2011 de bedrijfsarts heeft geoordeeld dat Werkneemster in het kader van de re-integratie 12 tot 15 uur in de eigen functie zou kunnen werken, Werkgever op 10 maart 2011 heeft besloten om tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst over te gaan. Dit gedrag van de werkgever in een periode dat Werkneemster ziek was, en waarin zij volop bezig was met revalidatie, terwijl de bedrijfsarts re-integratie heeft geadviseerd, is naar het oordeel van de kantonrechter niet als goed werkgeverschap aan te merken. De kantonrechter neemt bij dit oordeel met name mee dat Werkgever heeft benadrukt dat het persoonlijk herstel van Werkneemster en de ontwikkeling van het bedrijf niet samen gaan.

De kantonrechter stelt vast dat Werkgever haar eigen belang bij continuïteit van haar onderneming voorop heeft gesteld, zonder afdoende rekening te houden met de belangen van Werkneemster. Het staat een bedrijf vrij ten behoeve van haar bedrijfsvoering de door haar gewenste keuzes te maken, maar de gevolgen van die keuzes dienen dan wel voor rekening van het bedrijf te komen. Werkgever had oplossingen kunnen zoeken die meer recht doen aan de belangen van Werkneemster, bijvoorbeeld door te kiezen voor een tijdelijke vervanging, of vervulling van de functie op detacheringsbasis, of jobroulatie. Voorts heeft Werkgever bij het maken van haar keuze niet meteen gezocht naar een goede oplossing voor Werkneemster, die past binnen de opdracht van het UWV: re-integratie in het eigen (of zeer vergelijkbaar) werk. Werkgever heeft daarmee zelf het probleem gecreëerd dat zij niet meer aan haar verplichtingen tot re-integratie kon voldoen. Dit en het feit dat Werkgever de arbeidsovereenkomst heeft willen beëindigen is naar het oordeel van de kantonrechter ernstig verwijtbaar handelen van een werkgever.

Dat Werkgever haar re-integratieverplichtingen niet serieus heeft genomen, blijkt ook uit het feit dat Werkgever Werkneemster heeft opgedragen om de functie van prijsonderzoeker uit te voeren, terwijl deze functie op MBO niveau is en onbetwist vaststaat dat Werkneemster 20 jaar werkervaring heeft in een commerciële functie op HBO niveau. Dat deze functie niet passend is leidt de kantonrechter met name af uit het deskundigenoordeel van het UWV.

De kantonrechter is van oordeel dat door het (opnieuw) niet serieus nemen van haar re-integratieverplichtingen Werkgever opnieuw geen blijk heeft gegeven van goed werkgeverschap. Hierdoor is nodeloos vertraging ontstaan in het re-integratieproces en is het vertrouwen in de werkgever geschaad. De kantonrechter stelt vast dat Werkgever ook na het deskundigenoordeel van het UWV niet adequaat heeft gereageerd. Pas op 22 augustus 2011 is Werkgever tot opheffing en terugbetaling van de loonsanctie overgegaan, terwijl uit het bericht van het UWV al bleek dat dit moest gebeuren en Werkneemster daar al bij brief van 25 juli 2011 om had verzocht. Van enige excuses aan de kant van Werkgever voor het onterecht toepassen van de loonsanctie is niet gebleken.

Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat er sprake is van ernstige verwijtbaarheid aan de zijde van Werkgever. De kantonrechter acht daarbij met name van belang dat Werkgever zelf keuzes heeft gemaakt waardoor zij niet meer aan haar re-integratieverplichtingen zou kunnen voldoen, door de functie van Werkneemster definitief door een ander te laten vervullen. Voorts acht de kantonrechter het feit dat Werkgever tijdens arbeidsongeschiktheid van Werkneemster heeft getracht te komen tot een beëindiging van haar dienstverband en haar vervolgens onredelijke re-integratievoorstellen heeft gedaan zeer zwaarwegend. Gelet op de ernstige mate van verwijtbaarheid komt aan Werkneemster een vergoeding van € 75.000,- bruto toe.

Bron: Rechtbank Alkmaar gepubliceerd op 21 augustus 2014, ECLI 2011:6100

Deze bijdrage is geschreven door mr. Michael Kristel.

Voor meer informatie over de uitspraak of over Van Diepen van der Kroef Advocaten: stuur een email naar mw. mr. Babs Dubois – Van Kleef Van Diepen Van der Kroef Haarlem, tel. 023 542 42 92.

Gerelateerd nieuws


Meer uit deze rubriek