loading
views

All-in loon soms wel toegestaan

All-in loon soms wel toegestaan
Het ontvangen van vakantiegeld in juni en het op vakantie gaan met behoud van loon is een groot goed. Het stelt werknemers immers in staat om optimaal te genieten van hun vakantie, en zodoende te recupereren. Sommige werkgevers kiezen er echter voor om het maandelijkse basissalaris te verhogen met (één twaalfde deel van het) vakantiegeld en een afrekening van de vakantie-uren. Dit wordt een ‘all-in loon’ genoemd. Deze loonvorm brengt het risico met zich mee dat werknemers worden belet in het opnemen van vakantiedagen, omdat zij tijdens hun vakantie geen loon meer ontvangen. Dit deel van het loon hebben zij namelijk al ontvangen bij eerdere maandsalarissen. In de onderhavige zaak komt de vraag aan de orde of all-in loon is toegestaan.

Feiten
De werknemer in deze zaak is vanaf 28 februari 2007 in dienst bij werkgever. Partijen zijn een bruto uurloon overeengekomen van € 10,65, waarbij is opgenomen dat dit bedrag inclusief vakantiegeld en vakantiedagen is. Met andere woorden, een all-in loon. Op de arbeidsovereenkomst is de CAO-Horeca van toepassing.

In de door werkgever verstrekte loonstroken is steeds een uitsplitsing gemaakt in het ‘bruto bedrag gewerkt’, de ‘afrekening vakantie-uren’ en de ‘vakantietoeslag’. Zo bedroeg in mei 2007 het bruto bedrag gewerkt € 1.540,51, de ‘afrekening vakantie-uren’ € 148,20 en de vakantietoeslag € 123,24.

Het dienstverband is per 10 januari 2011 geëindigd.

Vordering werknemer
Werknemer vordert in deze zaak onder meer een bruto bedrag van € 4.196,10 aan niet genoten vakantiedagen en € 4.371,61 aan niet ontvangen vakantiegeld.

Verweer werkgever
Werkgever verzoekt de kantonrechter om de vorderingen af te wijzen. Zij voert daartoe aan dat er op rechtsgeldige wijze met werknemer een loon is overeengekomen en uitbetaald, waarbij periodiek een vergoeding wegens vakantie-uren en vakantietoeslag is uitbetaald.

Oordeel kantonrechter
Met betrekking tot het vakantiegeld oordeelt de kantonrechter dat het op grond van artikel 17 van de Wet Minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml) is toegestaan om in een schriftelijke overeenkomst af te wijken van de regel dat vakantietoeslag in de maand juni wordt uitbetaald, mits uitbetaling minstens eenmaal per kalenderjaar geschiedt. In de onderhavige zaak is in de schriftelijke arbeidsovereenkomst tussen partijen bepaald dat bij het maandelijks uit te keren loon tevens vakantietoeslag wordt uitbetaald. Dat is derhalve niet in strijd met de Wml. De kantonrechter concludeert dan ook dat aan werknemer de hem toekomende vakantietoeslag reeds is uitbetaald op een juridisch toegestane wijze. Deze vordering van werknemer wordt daarom afgewezen.

De kantonrechter wijst ook de vordering van werknemer tot uitbetaling van de vakantiedagen af, maar daarvoor heeft hij aanzienlijk meer woorden nodig. Alvorens de kantonrechter toekomt aan de vordering van werknemer schetst hij het juridisch kader en daarbij begint hij bij de Europese Richtlijn 93/104/EG. Daarin is – kort gezegd – bepaald dat de Lid-Staten de nodige maatregelen dienen te treffen opdat aan alle werknemers jaarlijks een vakantie met behoud van loon van ten minste vier weken wordt toegekend en dat de jaarlijkse vakantie met behoud van loon niet door een financiële vergoeding kan worden vervangen, behalve in geval van beëindiging van het dienstverband. Dit verbod tot afkoop van de vakantiedagen tijdens het dienstverband dient te verzekeren dat de werknemers in het belang van een doeltreffende bescherming van hun veiligheid en gezondheid daadwerkelijke rust kunnen genieten.

Deze Europese ‘wetgevingsopdracht’ is door Nederland uitgewerkt in artikel 7:640 BW en artikel 7:641 BW. In deze artikelen is bepaald dat een werknemer tijdens de duur van de arbeidsovereenkomst geen afstand kan doen van zijn aanspraak op vakantie tegen schadevergoeding en dat de werknemer die bij het einde van de arbeidsovereenkomst nog aanspraak op vakantie heeft, recht heeft op uitkering van het over dit tijdvak corresponderende loon.

Het Hof van Justitie EG heeft er bij de uitleg van voormelde Richtlijn op gewezen dat de Richtlijn zich ertegen verzet dat de betaling van het loon voor de jaarlijkse vakantie geschiedt in gedeelten die, verspreid over het betrokken arbeidsjaar, samen met het loon voor verrichte arbeid worden uitgekeerd, tenzij de bedragen op transparante en begrijpelijke wijze als loon voor de jaarlijkse vakantie in de vorm van uitkeringen in gedeelten, verspreid over het betrokken arbeidsjaar, worden uitbetaald samen met het loon voor verrichte arbeid. Anders gezegd, een maandelijks basissalaris vermeerderd met een afrekening voor de vakantie-uren, zoals in de onderhavige zaak, is niet toegestaan, tenzij een en ander op transparante en begrijpelijke wijze wordt uitbetaald.

Met de Richtlijn en de uitleg van het Hof van Justitie EG in het achterhoofd overweegt de kantonrechter vervolgens dat de wijze waarop werkgever aan werknemer tijdens het dienstverband een vergoeding voor vakantiedagen heeft uitbetaald, niet is aan te merken als het afstand doen van aanspraak op vakantie tegen schadevergoeding. Werknemer behield immers, nadat hem bij zijn reguliere salarisbetaling al een bedrag was betaald in verband met zijn vakantiedagen, het recht om vrijaf te nemen. Hij zou echter over die vrijaf-dagen niet nogmaals loon ontvangen, aangezien hij dat al had gekregen. Van rechtstreekse strijd met de artikelen 7:640 en 641 BW is daarom geen sprake.

Wel zou sprake kunnen zijn van een zodanige constructie die werknemer feitelijk belet om vakantiedagen op te nemen, hetgeen in strijd zou kunnen zijn met Richtlijn 2003/88/EG, en op gespannen voet zou kunnen komen met genoemde artikelen 7:640 en 7:641 BW.

De kantonrechter acht een dergelijke constructie echter in dit geval niet aanwezig. Daarbij wijst hij erop dat op de loonstroken van werknemer duidelijk zichtbaar is vermeld welk deel van de loonbetaling het reguliere loon betrof, welk deel vakantietoeslag en welk deel betaling voor vakantiedagen. Aan de door het Hof van Justitie EG gewenste transparantie is daarmee voldaan.

Vast staat verder dat werknemer in ieder geval eenmaal gedurende een aantal weken aaneengesloten vakantie heeft genoten om naar Polen te kunnen gaan. Op grond daarvan is de kantonrechter van oordeel dat de wijze van uitbetalen van het loon, namelijk uitbetaling van het voor de vakantieperiode bedoelde loon tegelijk met het maandelijkse loon, de recuperatiefunctie van vakantie niet in gevaar heeft gebracht.

Tenslotte acht de kantonrechter van belang dat de wijze van uitbetaling van loon en vakantiedagen door werkgever is geschied op een wijze zoals bepaald in de CAO Horeca.

Concluderend is de kantonrechter van oordeel dat de wijze waarop deze werkgever en werknemer in dit geval tot uitbetaling van vakantiedagen zijn gekomen, niet in strijd is met genoemde Richtlijn en wetsartikelen. Van niet-uitbetaalde vakantiedagen is daarom geen sprake.

Bron: Rechtbank Amsterdam 10 januari 2014, ECLI 2014:67

Deze bijdrage is geschreven door mr. Michael Kristel.

Voor meer informatie over de uitspraak of over Van Diepen van der Kroef Advocaten: stuur een email naar mw. mr. Babs Dubois – Van Kleef Van Diepen Van der Kroef Haarlem, tel. 023 542 42 92.

Gerelateerd nieuws


Meer uit deze rubriek