loading
views

Wederindiensttredingsvereiste

Het aannemen van een oproepkracht voor dezelfde werkzaamheden maar voor minder uren; niet in strijd met wederindiensttredingsvoorwaarde

Op 18 december 2013 heeft de rechtbank Midden-Nederland zittinghoudende te Utrecht zich uitgelaten over de vraag of de wederindiensttredingsvoorwaarde is geschonden. Van het handelen in strijd met de wederindiensttreding is sprake wanneer de werkgever een werknemer in dienst neemt voor werkzaamheden van dezelfde aard.

Feiten
Werkneemster (62 jaar) is op 17 september 1996 in dienst getreden als verkoopster van een winkel waar decoraties voor in huis worden verkocht. Als gevolg van een dalende omzet is in juli 2012 de vestiging in Bilthoven gesloten en in mei 2013 de vestiging in De Meern, waar werkneemster werkzaam was. Op 19 maart 2012 heeft werkgever een ontslagvergunning om bedrijfseconomische redenen aangevraagd bij UWV. De ontslagvergunning is op 12 april 2012 verleend. Aan de ontslagvergunning is de volgende voorwaarde verleend:

“Aan deze toestemming verbinden wij de voorwaarde dat u binnen 26 weken na bekendmaking van deze beschikking geen werknemer in dienst neemt voor werkzaamheden van dezelfde aard, als u niet eerst werknemer in de gelegenheid heeft gesteld die werkzaamheden op de bij u gebruikelijke voorwaarden te hervatten.”

Werkgever heeft de arbeidsovereenkomst van werkneemster tegen 1 september 2012 opgezegd. Op 15 mei 2012 heeft werkgever vervolgens een nulurencontract gesloten voor de functie van verkoopster met een andere werknemer met ingang van 15 mei 2012 tot en met 31 december 2012.

In de onderhavige procedure stelt werkneemster dat de wederindiensttredingsvoorwaarde is geschonden, omdat werkgever een oproepkracht in dienst heeft genomen voor haar functie. Subsidiair stelt zij dat de opzegging kennelijk onredelijk is. Er zou sprake zijn van een valse of voorgewende reden. Meer subsidiair beroept werkneemster zich op het gevolgencriterium.

Schending wederindiensttreding
Primair is de vraag aan de orde of werkgever de wederindiensttredingsvoorwaarde heeft geschonden. Werkneemster legt aan dit standpunt ten grondslag dat werkgever enkele personeelsleden in dienst heeft gehouden. Ook heeft werkgever een personeelslid in dienst genomen. Zij heeft daarmee de wederindiensttredingsvoorwaarde overtreden. De ontslagvergunning is daarmee komen te vervallen. Dit zou betekenen dat werkgever de arbeidsovereenkomst zonder toestemming van UWV zou hebben opgezegd en aldus in strijd zou hebben gehandeld met het opzegverbod van artikel 6 BBA. Werkneemster heeft de opzegging van de arbeidsovereenkomst vernietigd waardoor het dienstverband geacht wordt nooit te zijn beëindigd.

Kennelijk onredelijke opzegging
Subsidiair voert werkneemster aan dat er sprake zou zijn van een voorgewende of valse reden doordat UWV onjuiste informatie heeft gekregen over de bedrijfssluiting. Meer subsidiair doet werkneemster een beroep op het gevolgencriterium. Werkneemster was ten tijde van de opzegging 62 jaar oud, had een langdurig dienstverband en is slechts in het bezit van een LBO-opleiding. De kans dat werkneemster een andere baan vindt is dan ook zeer klein.

Verweer werkgever
Werkgever voert aan dat zij na de opzegging van de arbeidsovereenkomst met werkneemster geen personeelsleden in dienst heeft genomen. Zij heeft met ingang van 15 mei 2012 een oproepkracht aangenomen op basis van een nulurencontract. Na 1 september 2012 heeft deze oproepkracht nog sporadisch gewerkt. Op 31 december 2012 is het nulurencontract van rechtswege geëindigd. Van kennelijk onredelijke opzegging is geen sprake. Werkgever heeft geen valse of voorgewende reden aan UWV verstrekt. Tenslotte maakt de enkele omstandigheid dat aan werkneemster geen vergoeding is toegekend de opzegging niet kennelijk onredelijk.

Kantonrechter
De kantonrechter oordeelt als volgt. Van schending van de wederindiensttredingsvoorwaarde is geen sprake. De oproepkracht verrichtte weliswaar dezelfde soort werkzaamheden, namelijk die van verkoopster, maar deze werkzaamheden betroffen een zeer beperkt aantal uren op wisselende tijdstippen. Niet betwist is dat het de bedoeling was om het winkelpand in De Meern op 1 september 2012 te sluiten. Echter, toen bleek dat er geen vervangende huurder beschikbaar was, heeft werkgever besloten om de winkel nog enige tijd open te houden teneinde de kosten te drukken. In dat kader is de oproepkracht ook na 1 september 2012 een aantal malen ingezet. Blijkens de overgelegde loonstroken ging het daarbij om ongeveer 20 uur per maand. De kantonrechter is van oordeel dat van werkgever onder die omstandigheden niet kon worden verwacht dat zij werkneemster opnieuw in dienst zou nemen tegen de gebruikelijke voorwaarden zoals vermeld in de UWV-beschikking.

Verder is van een voorgewende of valse reden geen sprake.

Tenslotte dient om de vordering op grond van het gevolgencriterium toe te wijzen de vraag beantwoord te worden of sprake is van bijzondere omstandigheden die meebrengen dat de nadelige gevolgen van het ontslag geheel of gedeeltelijk voor rekening van werkgever dienen te komen.

De kantonrechter oordeelt dat hiervan sprake is en acht de opzegging kennelijk onredelijk op grond van het gevolgencriterium. In de eerste plaats had werkgever de mogelijkheid om werkneemster gedurende de periode september-december 2012 nog enige tijd in te schakelen. Zij had er immers voor kunnen kiezen om werkneemster de werkzaamheden aan te bieden die door de oproepkracht zijn verricht. In de tweede plaats is van belang dat werkneemster ten tijde van het ontslag bijna 62 jaar oud was en dat sprake was van een langdurig dienstverband. In de derde plaats is van belang dat werkgever onvoldoende inzicht heeft gegeven in haar financiële situatie. De overgelegde financiële stukken zijn zeer summier en bovendien onvolledig, aangezien er een pagina ontbreekt. Tevens moet worden vastgesteld dat de loonstroken van de oproepkracht waar ter comparitie om verzocht is, niet volledig zijn overgelegd, aangezien er twee maanden ontbreken. Het niet geven van transparantie over de feitelijke situatie in dit stadium van de procedure weegt mee in de vraag of het ontslag kennelijk onredelijk is. De kantonrechter heeft de schadevergoeding naar billijkheid vastgesteld op € 1.000: het bedrag dat werkneemster had kunnen verdienen als zij tot 31 december 2012 de oproepwerkzaamheden had kunnen verrichten.

Bron: Rechtbank Midden-Nederland, 18 december 2013, ECLI RBMNE:2013:7655

Voor meer informatie over de uitspraak of over Van Diepen van der Kroef Advocaten: stuur een email naar mw. mr. Babs Dubois – Van Kleef Van Diepen Van der Kroef Haarlem, tel. 023 542 42 92.

Gerelateerd nieuws


Meer uit deze rubriek