loading
views

Ontslag op staande voet wegens belemmering re-integratie

Ontslag op staande voet arbeidsongeschikte werknemer wegens nalaten van melden van intensieve hardloopactiviteiten en verbouwingswerkzaamheden.

Op 20 september 2013 heeft de rechtbank Noord-Nederland zich uitgelaten over de vraag of een ontslag op staande voet van een arbeidsongeschikte werknemer, die zijn re-integratie belemmert, mogelijk is.

Feiten
Werknemer is eind 2007 in dienst getreden van werkgever in de functie van magazijnmedewerker/ hulpbezorger. Sinds 22 maart 2012 is werknemer arbeidsongeschikt. In oktober 2012 is er op advies van de arbeidsdeskundige een tweede spoortraject gestart. Op 4 juli 2013 is werknemer op staande voet ontslagen, omdat hij niet aan zijn re-integratieverplichtingen zou voldoen. Volgens werkgever was op het internet gebleken dat werknemer een actieve wedstrijdloper van marathons en diverse hardloopwedstrijden van minimaal 10 km was. Daarnaast was (op film) vastgelegd dat werknemer eind juni 2013 op een steiger fysieke werkzaamheden aan zijn woning verrichtte. Deze zwaar lichamelijk belastende activiteiten had werknemer niet gemeld en daarvoor ook geen toestemming gevraagd aan de bedrijfsarts. Daartoe was werknemer wel op grond van de wet en de CAO verplicht.
Vervolgens heeft werknemer op 5 juli 2013 de nietigheid van het ontslag ingeroepen. Werknemer stelde zich op het standpunt dat hij zijn re-integratieverplichtingen niet zou hebben geschonden. Werknemer voerde daartoe aan dat het mogelijk niet naleven van verzuimcontrolevoorschriften nog geen dringende reden oplevert voor een ontslag op staande voet en dat werkgever zich had moeten beperken tot een loonsanctie (HR 8 oktober 2004, Vixia/Gerrits).

Vordering
Werknemer heeft onder meer wedertewerkstelling gevorderd. Werkgever heeft in reconventie een schadebedrag gevorderd.

Beoordeling
De kantonrechter overweegt dat bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van een dringende reden zoals vereist voor een ontslag op staande voet alle omstandigheden van het geval moeten worden afgewogen. Hieronder vallen de aard en de ernst van hetgeen de werkgever als dringende reden aanmerkt, de aard van de dienstbetrekking, de duur ervan en de wijze waarop de werknemer de dienstbetrekking heeft vervuld, alsmede de persoonlijke omstandigheden zoals leeftijd en de gevolgen van het ontslag op staande voet.

De kantonrechter overweegt verder als volgt. Uit het arrest Vixia/Gerrits blijkt inderdaad dat de enkele weigering van een werknemer om de door werkgever vastgestelde redelijke voorschriften omtrent controle bij ziekteverzuim na te leven, niet een dringende reden oplevert, omdat de bedoeling van artikel 7:677 lid 1 BW is geweest daaraan slechts de sanctie van opschorting van het loon te verbinden. Echter, uit datzelfde arrest blijkt dat het schenden van controlevoorschriften in combinatie met aanvullende bijzondere omstandigheden een ontslag op staande voet kunnen rechtvaardigen. Daarbij komt dat in gevolge het bepaalde in artikel 7:670b lid 3 BW bij een weigering van de werknemer om mee te werken aan zijn re-integratie het opzegverbod niet van toepassing is, waarmee de wet (wel als uiterste redmiddel) een ontslagmogelijkheid biedt.

Conclusie
De kantonrechter maakt uit de overgelegde stukken op dat voldoende aannemelijk is geworden dat werknemer zijn intensieve hardloopactiviteiten en verbouwingswerkzaamheden niet aan werkgever of de bedrijfsarts heeft gemeld. Of het uitvoeren van deze fysiek belastende activiteiten en het nalaten dit te melden een ontslag op staande voet rechtvaardigt, hangt naar het oordeel van de kantonrechter af van de vraag of en in hoeverre werknemer daarmee de door zijn werkgever geïnitieerde en bekostigde re-integratie-inspanningen heeft belemmerd. De kantonrechter komt uiteindelijk in zijn voorlopig oordeel tot de conclusie dat werknemer door het nalaten van het melden van zijn activiteiten zijn re-integratieproces wel heeft belemmerd. De kantonrechter acht het niet in voldoende mate waarschijnlijk dat werknemer in een bodemprocedure ten aanzien van de nietigheid van het ontslag in het gelijk zal worden gesteld. De vorderingen van werknemer worden afgewezen.

Bron: Rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, 20 september 2013, ECLI RBNNE.2013.5613

Voor meer informatie over de uitspraak of over Van Diepen van der Kroef Advocaten: stuur een email naar mw. mr. Marijke Oosterom Van Diepen Van der Kroef Den Haag, tel. 070 360 3151 of naar mw. mr. Babs Dubois – Van Kleef Van Diepen Van der Kroef Haarlem, tel. 023 542 42 92.

Gerelateerd nieuws


Meer uit deze rubriek