loading
views

Ontslag 57-jarige werknemer met 25 dienstjaren niet kennelijk onredelijk

Ontslag 57-jarige werknemer met 25 dienstjaren niet kennelijk onredelijk.

De werknemer in deze zaak is op 29 september 1986 in dienst getreden bij werkgever (een bouwbedrijf) in de functie van opperman. Op 30 december 2010 vraagt werkgever in verband met sterk teruglopende bedrijfsresultaten bij het UWV een ontslagvergunning aan voor 15 werknemers. Bij brief van 6 januari 2011 doet werkgever aan werknemer een beëindigingvoorstel ter hoogte van € 8.101,45 bruto. Op dit aanbod is werknemer niet ingegaan.

Op 16 maart 2011 wordt de ontslagvergunning door het UWV verleend, waarop werkgever de arbeidsovereenkomst met werknemer opzegt per 11 september 2011. Werknemer is het met zijn ontslag niet eens en stapt naar de kantonrechter.

Eis
Werknemer vordert een verklaring voor recht dat het gegeven ontslag kennelijk onredelijk is. Daarnaast vordert werknemer betaling van een bedrag ter hoogte van € 145.646,76 bruto ter zake van inkomensschade, € 165.584,– bruto ter zake van pensioenschade en € 2.342,39 ter vergoeding van vermogensschade.

Oordeel kantonrechter
De kantonrechter wijst de vorderingen van werknemer af. Dit is voor werknemer reden om hoger beroep in te stellen. In hoger beroep stelt werknemer ten eerste dat werkgever heeft opgezegd onder opgave van een valse of voorgewende reden. Zo huurt werkgever onder meer ter (gedeeltelijke) ondervanging van de (deels gelijke) werkzaamheden van werknemer zo nu en dan extern een arbeidskracht in. Ten tweede stelt werknemer dat de voor hem, door werkgever, getroffen voorzieningen en de voor hem bestaande mogelijkheden om elders passend werk te vinden, ertoe leiden dat de gevolgen van de opzegging voor hem te ernstig zijn in vergelijking met het belang dat werkgever daarbij heeft. Hierbij wijst werknemer erop dat hij op de ontslagdatum 57 jaar oud was, dat hij 25 jaar in dienst was, dat hij ondanks door hem gevolgde cursussen niet of nauwelijks Nederlands spreekt, dat hij beschikt over zeer eenzijdige werkervaring en er een aanmerkelijke kans op uitval is wegens fysieke gebreken. Daarnaast wijst werknemer op het financiële verlies dat hij lijdt ten gevolge van het ontslag. Werknemer klaagt dat werkgever niets heeft gedaan om zijn positie op de arbeidsmarkt te verbeteren en het verlies aan inkomen te verzachten. Daarnaast zou werkgever zich niet als een goed werkgever hebben gedragen doordat werknemer niet actief zou zijn geholpen bij het vinden van ander werk.

Oordeel gerechtshof
Het gerechtshof oordeelt in hoger beroep ten aanzien van de primaire grond van werknemer, dat werknemer niet heeft betwist dat de bedrijfseconomische omstandigheden noopten tot een inkrimping van het bedrijf, zodat niet kan worden gesproken van een valse of voorgewende reden. Het gerechtshof overweegt daarbij dat slechts van belang is of de achterblijvende resultaten de door werkgever genomen maatregel, bestaande in het terugbrengen van het personeelsbestand, rechtvaardigen. Het gerechtshof oordeelt dat werknemer onvoldoende heeft aangetoond dat de maatregel om zo nu en dan een externe kracht in te huren heeft geleid tot een kostenverhoging. Het gerechtshof oordeelt dat de achterblijvende resultaten de door de werkgever genomen maatregel, het terugbrengen van het personeelsbestand, rechtvaardigen.

Ten aanzien van de tweede grond oordeelt het gerechtshof dat het feit dat werknemer niet of nauwelijks Nederlands spreekt een omstandigheid is die voor zijn eigen risico komt. Daarnaast overweegt het gerechtshof dat het in het verleden verre van gebruikelijk was om werknemers zoals werknemer scholing te bieden ter voorkoming van eenzijdige werkervaring, zodat werkgever hiervan geen verwijt treft of deze hiervan de gevolgen zou moeten dragen. Ten aanzien van de fysieke gesteldheid van werknemer overweegt het gerechtshof dat werknemer niet heeft gesteld dat zijn fysieke conditie er de oorzaak in vindt dat werkgever is tekortgeschoten in haar verplichtingen. Tenslotte overweegt het gerechtshof dat werkgever onvoldoende weersproken heeft gesteld dat zij, gezien haar financiële positie, redelijkerwijs niet meer kon doen dan zij heeft gedaan, het benaderen van relaties met de vraag of zij ruimte hebben voor werknemer. Het gerechtshof neemt bij zijn beslissing mede het voor werknemer bestaande vangnet in sociale verzekeringen in aanmerking. Na het aflopen van de ziektewetuitkering komt werknemer in aanmerking voor een WW-uitkering voor 38 maanden

Het gerechtshof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter.

Bron: Gerechtshof Amsterdam, 13 augustus 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:2515

Voor meer informatie over de uitspraak of over Van Diepen van der Kroef Advocaten: stuur een email naar mw. mr. Marijke Oosterom Van Diepen Van der Kroef Den Haag, tel. 070 360 3151 of naar mw. mr. Babs Dubois – Van Kleef Van Diepen Van der Kroef Haarlem, tel. 023 542 42 92.

Gerelateerd nieuws


Meer uit deze rubriek