loading
views

Interview Pieter Waasdorp ministerie EZ over innovatief ondernemerschap

Interview Pieter Waasdorp ministerie EZ over innovatief ondernemerschap

Interview met Pieter Waasdorp over innovatief ondernemerschap

Pieter Waasdorp is plaatsvervangend directeur Ondernemerschap bij het Ministerie van Economische Zaken.

Economische Zaken, Ondernemerschap
Hij is als jurylid betrokken bij het FlexInnovatieFonds, waarvan de finale plaats vindt op 12 februari in Amsterdam. Hoe gaat hij de ingezonden businessplannen beoordelen?

RijksoverheidWerkgelegenheid stimuleren
Waasdorp: “Bij innovatie kijk ik vooral naar de toepassing van het plan. Is het haalbaar? Wordt een innovatief businessplan ook gedragen door een capabele ondernemer? Is dat iemand die in staat is om zijn of haar plan daadwerkelijk in de markt te zetten? Want dat vind ik zo leuk aan de opzet van de finale: we zullen de draagkracht van het plan redelijk kunnen inschatten omdat de finalisten zelf hun plannen op de finaledag gaan presenteren. Bovendien ben ik heel benieuwd of de plannen die meedingen naar de prijs van het FlexInnovatieFonds ook goed uitpakken voor de werkgelegenheid. En of ze een bijdrage leveren aan de duurzame economische groei, een van de belangrijkste doelstellingen van het Ministerie van Economische Zaken.

Pieter Waasdorp, EZ

Pieter Waasdorp

Duurzame economische groei
Hoe stimuleert het ministerie zelf duurzame economische groei? “We moeten als land innovatiever, creatiever en sneller zijn dan onze concurrenten.
Alleen daarmee kunnen we zorgen voor voldoende werkgelegenheid. Een flexibele arbeidsmarkt is een van de voorwaarden voor economische groei en daarmee ook voor de werkgelegenheid. Daar is het nieuwe kabinet van overtuigd. Ik zie die flexibiliteit breed, want het gaat om veel meer dan zorgen voor goede wet- en regelgeving. Het gaat bijvoorbeeld ook om duurzame inzetbaarheid en goede opleiding en bijscholing.

Ondernemen aantrekkelijk maken
Vanuit het ministerie richten wij ons op een goed ondernemingsklimaat. Het moet aantrekkelijk zijn om te ondernemen in ons land voor ons als Nederlanders, maar ook voor buitenlandse ondernemers en investeerders. Op dat punt doen we het in Nederland heel erg goed. In de afgelopen 10 jaar is Nederland een van de meest ondernemende landen van de EU geworden. In 2011 heeft 8,2 % van de beroepsbevolking een onderneming gestart of wenst deze binnenkort te starten. In 2002 was dit nog maar 4,6 %.

Zzp’ers
Natuurlijk zijn daar ook veel zzp’ers bij die zelfstandig willen werken of hooguit in een klein team, zonder de ambitie om door te willen groeien. We faciliteren de zzp’ers door de regeldruk en de administratieve lasten te verminderen. Zo is in 2012 het Actieplan ‘Administratieve lastenvermindering zzp’ers’ opgesteld.

Groeien
Vervolgens moeten starters kunnen doorgroeien. Daar blijven we gemiddeld gesproken nog wel wat achter bij landen als Denemarken, Finland of de VS.

Stoppen of doorstart mogelijk maken
Als overheid moet je ook mogelijk maken dat mensen weer kunnen stoppen met hun onderneming zonder grote restschulden. Daarom kijken we ook naar faillissementswetgeving en denken we daarover mee, al behoort dat tot de verantwoordelijkheid van een ander departement.

Hidden champions
Het gros van de bedrijvigheid vindt plaats in bedrijven die al langer bestaan, denk aan Philips, ASML, NXP en anderen. Dat is de kurk waar de Nederlandse economie op drijft. Die zorgen voor de grootste werkgelegenheid. Soms zijn ze helemaal niet zo bekend en zijn het zogenoemde hidden champions. Het Nederlandse bedrijf ASML in Eindhoven is met onder meer wafersteppers zo succesvol dat het marktleider is. De regio Eindhoven, ook wel Brainport genoemd, zit te springen om technisch geschoolde mensen, om human capital. Zoals de voorzitter van de FME altijd zegt: “we hebben gouden handjes en knappe koppen nodig.”
Daaraan zie je dat we op dit moment vooral behoefte hebben aan technisch georiënteerde mensen, die goed zijn opgeleid, zelfstandig kunnen werken, die een leven lang willen leren, zichzelf altijd weer bijscholen en zorgen dat ze inzetbaar blijven.

Meer instroom nodig in technisch beroepsonderwijs
Het is voor ieder van ons belangrijk er zelf ook op te letten dat we altijd weer aan de slag kunnen in delen van de arbeidsmarkt waar behoefte is aan menskracht. Dat betekent ‘een leven lang leren’ ook al kan die term soms wat ouderwets klinken.
Het beroepsonderwijs moet aansluiten op de wensen van de arbeidsmarkt. Als je vroeger aan een kind vroeg: wat wil je worden, dan antwoordde het: stewardess, brandweerman enzovoort. Nu willen kinderen allemaal beroemd worden. Heel leuk, maar het sluit natuurlijk niet aan bij de behoefte van de markt en de overgrote meerderheid van de jongeren zal op andere manieren geld moeten verdienen.

De vooroordelen die mensen vroeger hadden over technische beroepen zijn allang achterhaald.
Tegenwoordig werk je in de techniek in een schone omgeving, je bent procesoperator. Je houdt bijvoorbeeld het proces van een raffinaderij in de gaten. Dat zijn goed betaalde banen, waar een schreeuwend tekort aan mensen is. Helaas zien we ook nog altijd een tekort aan meisjes in de techniek. We proberen dat te kenteren door er heel vroeg in het onderwijs aandacht voor te vragen.

Meer bèta-mensen nodig in het basisonderwijs
De leerkrachten in het primair onderwijs zijn in hun eigen opleiding vaak ook weinig met bèta/techniek en ondernemerschap in aanraking. We kunnen ze daarom helpen als ze meer techniek en/of ondernemerschap in hun lessen willen opnemen. Bijvoorbeeld door te stimuleren dat succesvolle ondernemers scholen bezoeken om leerlingen te enthousiasmeren voor het bedrijfsleven en inzicht te geven in mogelijke beroepen. We kijken ook naar bijpassende lespakketten. Er lopen inmiddels een paar succesvolle programma’s.

In het Regeerakkoord is afgesproken dat er een Techniekpact komt om meer mensen in technische opleidingen te laten instromen. Bedrijfsleven, overheid en onderwijs werken daarbij samen. Dat betekent: meer stageplekken, meer ondernemers voor de klas, enzovoort.

Arbeidsmarkt bepalend voor ondernemingsklimaat
De flexibiliteit en de veerkracht van de arbeidsmarkt is een van de bepalende concurrentiefactoren. Als onderneming moet je niet alleen op prijs concurreren, maar ook continu alert zijn: hoe kan ik kansen in de markt creëren, er flexibel op inspelen met een nieuwe productielijn of een nieuw concept. Daar hoort ook investeren in het juiste personeel bij. Als het goed is, is het personeel de drijvende kracht om vernieuwing in de economie te stimuleren. Ik zie daarom flexibiliteit in brede zin als een belangrijke factor.

Nieuwe communicatievormen
We zien nieuwe manieren van communiceren met werknemers en met het arbeidspotentieel. Mensen willen autonoom zijn als gevolg van de toegenomen individualisering. Tegelijk is het opmerkelijk te zien dat mensen graag bij elkaar zitten in clusters van bedrijven, ook al kunnen ze dankzij de moderne technieken op afstand van elkaar samenwerken. Aan de opkomst van social media zie je dat mensen onderdeel willen zijn van een community. Het is de kunst dat goed in te zetten voor de arbeidsmarkt en het juiste midden te vinden tussen collectieve en individuele belangen.

Financiering
Geld is ook belangrijk in het ondernemingsklimaat. De schuldencrisis waarin we nu zitten is een kredietcrisis. Banken lenen niet zoveel uit en dat is nadelig voor ondernemers. Daarom is er een aantal maatregelen vanuit de overheid om dat te ondervangen. De borgstellingsregeling voor kredieten zorgt er bijvoorbeeld voor dat de bank de lening terug krijgt bij financiering van ondernemingen. Dat beperkt het risico voor de bank en maakt het aantrekkelijker voor de bank om krediet te verstrekken.”

Internationale concurrentiepositie
Hoe staan wij ervoor internationaal gezien?
“Dat kan verkeren. Terugkijkend las je in de jaren ‘60 overal dat Afrika een zonnige economische toekomst tegemoet zou gaan. Van Azië verwachtte men toen niet veel. Daar was onrust, oorlog, armoede. Nu, 50 jaar later, komt de nieuwste consumentenelektronica uit Zuid-Korea. China is het R&D laboratium én de workforce van de wereld geworden. In India zie je een enorme ICT-ontwikkeling.

De wereldbank heeft er een aantal jaar geleden onderzoek gedaan. Wat bleek? Het ging er vooral om de fundamenten in orde te krijgen. Zo was de spaarquote in Zuid-Korea jarenlang erg hoog. De lonen waren laag, het geld dat mensen verdienden werd op de bank gezet. Daardoor had Korea altijd geld om te innoveren en te investeren. De overheid zorgde voor een stabiele macro-economische omgeving. Er wordt veel geïnvesteerd in onderwijs. Er heerst een cultuur waarin veel drive is bij iedereen om zich te verbeteren en te presteren.

Dat kunnen wij in Nederland natuurlijk ook. We moeten werken aan het verbeteren van de kapitaalmarkt, investeren in innovatie en onderwijs, openstaan voor innovatie en ondernemerschap.

Dit kabinetsbeleid is daarop gericht. En door alles heen is de beschikbaarheid van arbeidspotentieel van groot belang. Daar kunnen initiatieven in de flexbranche veel aan bijdragen.”

Interview: Hinke Wever, FlexNieuws

Gerelateerd nieuws


Meer uit deze rubriek