loading
views

Pieter Molijn: “Aandacht voor duurzame ontwikkeling flexkrachten”

Pieter Molijn: “Aandacht voor duurzame ontwikkeling flexkrachten”

Interview met Pieter Molijn
“Aandacht voor duurzame ontwikkeling flexkrachten”

Duurzaam detacheerder Pieter Molijn vraagt aandacht voor de positie van de flexkracht in Nederland:
“Dat mensen tegenwoordig veel langer in flexwerk blijven hangen, is iets waar Frits Goldschmeding met het oprichten van het eerste Nederlandse uitzendbureau in 1960 geen rekening mee heeft gehouden. Het concept van Goldschmeding heeft lang gewerkt, maar nu is het toe aan grondige herziening.”

Discussie komt op gang
In de branche zijn recentelijk initiatieven genomen om op verschillende gebieden de positie van flexwerkers te verbeteren. Eerder dit jaar lanceerde Pieter Molijn van Meurs & Molijn in Zeist het manifest Flex verdient beter! In dit boekje behandelt hij tien punten waarmee de flexbranche zich verder kan ontwikkelen. Het initiatief is bedoeld om de discussie op gang te brengen en het onderwerp uit de taboesfeer te halen. Dat lijkt nu te lukken. Op 30 januari komen diverse stakeholders uit de branche bij elkaar in het SER-gebouw in Den Haag om samen tot een agenda te komen voor structurele verbetering in de positie van de flexkracht.

Pieter Molijn: "Aandacht voor duurzame flex"

Krachten bundelen
Pieter Molijn: “Dat mensen tegenwoordig veel langer in flexwerk blijven hangen, is iets waar Frits Goldschmeding met het oprichten van het eerste Nederlandse uitzendbureau in 1960 geen rekening mee heeft gehouden. Zijn concept heeft lang gewerkt, maar nu is het toe aan grondige herziening. Het leven van flexkrachten in Nederland wordt getekend door onzekerheden. Ze weten bijvoorbeeld niet hoe lang ze ergens aan het werk kunnen blijven, kennen geen fatsoenlijke pensioenregelingen en een huis kopen kunnen ze ook wel vergeten. Zo bouw je natuurlijk niet aan je toekomst. Daar moeten we snel werk van maken, iedereen die betrokken is bij de flexbranche kan daar een belangrijke bijdrage aan leveren. Daarom ben ik blij dat verschillende betrokken partijen in de branche hun krachten nu bundelen. Gezamenlijk hebben zij zich het doel gesteld om te komen tot een maatschappelijk – maar ook economisch – verantwoorde agenda om de duurzame inzetbaarheid van de flexkracht structureel te verbeteren.”

Flexkrachten een goed perspectief bieden
Hoe denk jij dat de flexbranche moet veranderen? Molijn: “De meeste veranderingen zijn heel voor de hand liggend. Als je flexwerkers vraagt naar hun passies, doelen en ideeën en daar oprecht aandacht voor hebt, dan zie je opeens de mens achter de arbeidskracht. Daar begint het mee. Bij Meurs & Molijn bieden wij onze mensen bij de intake een assessment aan. Over de uitkomsten daarvan gaan we in gesprek. Van beide kanten spreek je openhartig en doordat we hen daarbij serieuze mogelijkheden bieden, worden hun leerpunten bespreekbaar, wat weer leidt tot een gerichte vraag naar opleiding en coaching. De werknemer voelt dan meteen dat er oprecht aandacht is en een eerlijk perspectief wordt geboden. Daar hebben we allebei alleen maar baat bij. Dat we ons vervolgens ook inzetten voor gelijkwaardige beloning is de volgende stap. Want alleen hetzelfde uurloon betekent nog niet dat de flexkracht dezelfde arbeidsvoorwaarden heeft. Ik vind dat je flexibiliteit zelfs meer mag belonen dan vast werk, maar laten we beginnen bij aandacht voor gelijkwaardige beloning, pensioen en ontwikkeling.”

Flexibiliteit in alle lagen
Het beeld van flexwerkers is toch dat het vooral gaat om tomatenplukkers en aspergestekers. “Bij Meurs & Molijn hebben we nu ongeveer 230 mensen in dienst, dat zijn onze externe medewerkers ofwel gedetacheerden. Het opleidingsniveau van deze medewerkers is heel divers. Het varieert van MBO-1 niveau tot WO-niveau. We hebben medewerkers in dienst die teams aansturen van 80 man, maar ook Callcenter- en administratiemedewerkers. We zien de vraag naar flexibele arbeid nu door alle lagen van bedrijven ontstaan. Deze behoefte zal alleen maar toenemen. Vaak wordt aangenomen dat het bij flexkrachten alleen gaat om de onderkant van de uitzendmarkt. Die veronderstelling is keihard ingehaald door de werkelijkheid. Het feit dat flexibilisering toeneemt vind ik helemaal niet alarmerend, ik juich het zelfs toe. Maar we moeten wél zorgen dat we op een verstandige manier met die nieuwe situatie omgaan: we moeten het beter organiseren dan nu vaak het geval is.”

Kwaliteit van flexkrachten
Je hoort vaak dat de kwaliteit van flexkrachten in het algemeen afneemt. Een teken van verval, meent Molijn. “Als je niet in flexkrachten investeert en ze blijven via uitzendbureaus ‘rondgepompt’ worden, dan zal het ook steeds lastiger worden om deze mensen aan banen te helpen. Niet alleen neemt de motivatie af maar ze sluiten qua competenties ook niet meer aan op de vraag. Dan moeten ze via reïntegratiebureaus de arbeidsmarkt op geholpen worden, dat is natuurlijk geen oplossing voor de lange termijn. We moeten zorgen dat flexkrachten weerbaarder worden en zichzelf actief ontwikkelen. Flexorganisaties zijn bij uitstek in staat hier een coördinerende rol in te spelen. Zij kunnen over de grenzen van een branche kijken en kunnen heel goed en in een vroeg stadium zien waar de vraag afneemt en waar de behoefte aan flexibele inzet toeneemt. Flexkrachten moeten opgeleid worden om niet aan de zijlijn van de arbeidsmarkt te staan. Dat moeten we voorkomen, want die last moeten we dan allemaal dragen.”

De ABU-cao
Daarin voorziet de ABU-cao nog niet? “Nog niet voldoende, naar mijn mening. We moeten samen met andere stakeholders in de branche de ABU-cao zien te verbeteren. Deze benadrukt nog onvoldoende het belang van onder andere opleiding en ontwikkeling. We kunnen ook een vervolg op de VPO-cao maken die veel sterker wordt dan hij was. De VPO-cao is volgens mij afgeschoten omdat er geen invulling werd gegeven aan goed werkgeverschap. Het keurmerk is onvoldoende: als jij als organisatie zegt: wij betalen de salarissen en dat doen we op tijd, wat voeg je dan toe? Ik mag hopen dat je op tijd het salaris stort, dat is het minste dat je kunt doen! Het gaat toch over veel meer bij het werkgeverschap?”

Goed werkgeverschap leeft
Waarom denk je dat de uitzendbranche gaat veranderen? “Afgelopen jaar presenteerden we ons maatschappelijk jaarverslag, met daarin onze visie op MVO. Op basis daarvan werd ik uitgenodigd om bij andere bedrijven hierover te praten. Er zijn veel positieve reacties op binnen gekomen. Ik zie dat het onderwerp enorm leeft en steeds meer mensen overtuigt. Bedrijven zijn geïnteresseerd in de nieuwe manier waarop we met flexkrachten omgaan. Wat uitzendbureaus betreft is het voor mij de vraag of die over drie jaar nog bestaan op de manier die we nu kennen. Sinds de introductie van het uitzendbureau is er wezenlijk niet veel veranderd in de primaire dienstverlening. Natuurlijk zijn er allerlei technische ontwikkelingen en is flexwerk gelegaliseerd door de Wet Flex en Zeker. Maar inhoudelijk is aan het eerste businessmodel niets veranderd. Het heeft zijn doel voorbijgestreefd en is de uitzendkracht zelf uit het oog verloren.”

Uitzenders als zaakwaarnemers van professionals
Wat verandert er dan in de rol van de flexorganisaties? “Uitzenders zullen nog meer loopbaanbegeleider moeten worden. Bij Meurs & Molijn noemen we onszelf ‘zaakwaarnemers’. Dat maken we duidelijk aan onze flexkrachten door filmpjes te laten zien over een profvoetballer die vertelt over zijn positie en zegt: ik moet zorgen dat ik fit ben en mijn doelpunten scoor. Als ik dat niet doe, dan kom ik niet verder op de transfermarkt. In de voetballerij is dat normaal. Die instelling zou je op de werkvloer ook moeten zien, dat mensen worden begeleid met hun loopbaan en net zoals profvoetballers worden begeleid door hun zaakwaarnemers en coaches.

ZZP’ers kunnen vanwege hun uurtarieven makkelijker zelf hun ontwikkeling financieren. Bij andere flexkrachten moet je er gericht voor zorgen dat ze inzetbaar blijven. De intake van een flexkracht en hun eerste dag bij ons op kantoor, staan helemaal in het teken van hen zelf. Ze worden dan gekoppeld aan een HR-consultant, die wordt hun zaakwaarnemer. Vervolgens stellen we samen met de flexkrachten persoonlijke ontwikkelplannen op waar we keiharde afspraken over maken. Wij maken het volgende direct duidelijk aan onze flexkracht: wij hebben je waarschijnlijk niet in dienst tot aan je pensioen. We gaan je ook niet verzorgen. We willen je wél zo goed mogelijk inzetbaar maken en houden voor de arbeidsmarkt. Dit doen we gedurende de tijd dat je bij ons in dienst bent en daar gaan wij sámen aan werken! Dat maken we onder meer voelbaar door elke drie maanden een gesprek te voeren: hoe gaat het, hoe zit je in je vel, heb je het nog naar je zin? Gewoon oprechte interesse, die aandacht is voor veel flexkrachten nieuw.”

Opleiding en Ontwikkeling
Je hamert op opleiding en ontwikkeling. “Het is nodig om veel meer aandacht te geven aan de ontwikkeling en het up-to-date houden van de kerncompetenties, zoals onder andere de communicatieve vaardigheden, basis softwarekennis, Nederlands en flexibiliteit. Daar hebben we bijvoorbeeld interne trainingen voor. Aan de hand van verbeterpunten die het resultaat zijn van een inzetbaarheidstest komen flexkrachten automatisch in een soort van traineeship, met vaste contactmomenten en scholingsopdrachten. Alle gegevens worden opgeslagen in een persoonlijk E-portfolio, dat maakt je gemakkelijker inzetbaar bij een ander bedrijf. Volgens mij ga je zo als werkgever op een positieve manier om met flexibiliteit. Bovendien komen flexkrachten hierdoor zelf ook in een andere, positievere flow terecht, omdat ze zien dat ze vooruitgang boeken en in alle eerlijkheid zicht krijgen in hun mogelijkheden.”

Een gezond verdienmodel
Dat klinkt reuze duurzaam. Maar is het ook een werkbaar businessmodel? “Mijn verdienmodel levert een iets lager rendement op dan gangbaar is in de flexbranche; ik breng mijn opdrachtgevers maximaal 5% marge in rekening. Onze tarieven liggen hiermee ongeveer op gelijk niveau als van een uitzendbureau, maar zijn hoger dan die van payrollers. Maar als ik mensen breder inzetbaar houd, kan ik ze langer aan mij verbinden, zijn ze minder ziek en bovendien zijn ze productiever door een hogere motivatie en betere scholing. Ik breng ongeveer 9% verzekeringspremie in rekening bij de klant voor het ontslagrisico en 5% voor ontwikkeling: we moeten er samen voor zorgen dat de flexkracht aan het werk blijft. Kern van het model is de flexkracht duurzaam inzetbaar houden, daar draait onze onderneming op. Want als de flexkracht door genoeg opleiding en ontwikkeling snel weer werk vindt nadat de opdracht ophoudt, worden we daar allemaal beter van! Ik wil dat de werkzekerheid serieus toeneemt. Dat maak ik onderdeel van het verdienmodel. En dat werkt, merk ik in de praktijk. Wel hebben we natuurlijk ook een slim automatiseringssysteem en een efficiënte organisatie, want behalve duurzaam moet het inderdaad ook een werkbaar verdienmodel zijn.
Hoe gaan inleners om met deze extra kosten? “In eerste instantie lijkt het duurder en moeten ze er aan wennen dat ze ook een stukje verantwoordelijkheid nemen voor de duurzame inzetbaarheid van hun flexkrachten. Maar organisaties die serieus met duurzaamheid en goed werkgeverschap bezig zijn begrijpen dat. Bovendien zien ze dat hun flexkrachten gemotiveerder, productiever en minder vaak ziek zijn, en dan is de rekensom al snel gemaakt!”

Samen werken aan de flexibele arbeidsmarkt van morgen
Dus het einde van de flexkracht is nog niet in zicht? “De realiteit is dat flexkrachten onmisbaar zijn voor de Nederlandse economie, daar komen we niet onderuit. En dat hoeft ook niet. Maar hoe we het nu geregeld hebben zorgt voor een onzekere toekomst van de flexkracht. De regering heeft de sociale partners en de branche opgeroepen zelf voor verbetering te zorgen. Daarom organiseert Meurs & Molijn op woensdag 30 januari een bijeenkomst bij de SER om samen tot concrete veranderingen te komen. Onze gesprekspartners zijn de belangrijke stakeholders in de flexbranche: MVO Nederland, AWVN, de Universiteit van Tilburg (ReFlect), CNV, USG People en Randstad. Ik hoop dat deze bijzondere samenwerking mensen motiveert en we gezamenlijk tot nieuwe inzichten kunnen komen, zodat we in 2013 een omslag bereiken die leidt tot een meer duurzame flexbranche.”

Interview/foto: Hinke Wever, FlexNieuws

Gerelateerd nieuws


Meer uit deze rubriek